Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:498

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/1915
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet

Fosfaatrechten – knelgevallenregeling

Niet in geschil is dat de gezondheidsproblemen van, in ieder geval, een van de maten aangemerkt dienen te worden als een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw, dat als alternatieve peildatum 25 november 2013 dient te worden gehanteerd en dat het fosfaatrecht op de peildatum meer dan 5% lager is (namelijk 8,7% lager) dan op de alternatieve peildatum. Anders dan verweerder, is het College van oordeel dat er sprake is van een causaal verband tussen de ziekte van de ondernemers en het lagere fosfaatrecht op de peildatum. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1915

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

stille maatschap Melkveebedrijf [naam 1] en

[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] te [plaats] appellanten,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellanten vastgesteld.

Verweerder heeft op 23 maart 2018 van appellanten een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 30 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten gedeeltelijk ongegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellanten hoger vastgesteld.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Namens appellanten zijn [naam 2] en [naam 4] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellanten exploiteren een melkveebedrijf. De stille maatschap bestaat uit de maten [naam 2] (vader), [naam 3] (moeder) en [naam 4] (zoon). Zoals op de zitting is toegelicht is de verdeling tussen de maten 40 / 40 / 20. De maat [naam 4] heeft ook een baan buiten het bedrijf.

Appellanten hebben op het bedrijf stalcapaciteit voor 165 melk- en kalfkoeien en 35 stuks jongvee.

2.2

De maat [naam 2] ontvangt sinds 2006 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij heeft in februari 2013 een heupoperatie ondergaan. De maat H.W. Kraesgenberg-Hanterink is in maart 2013 geopereerd aan een hernia.

2.3

Op de peildatum, 2 juli 2015, hielden appellanten 114 melk- en kalfkoeien en 78 stuks jongvee op het bedrijf.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellanten vastgesteld op 5.578 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellanten verhoogd naar 5.725 kg. Daarbij is verweerder uitgegaan van een hogere melkproductie in 2015. Verweerder heeft daarbij tevens het beroep op de knelgevallenregeling vanwege verbouwing afgewezen omdat niet is voldaan aan de 5%-drempel. Ten aanzien van het beroep op de knelgevallenregeling vanwege ziekte van de ondernemer heeft verweerder – uitgaande van de alternatieve peildatum 25 november 2013 – vastgesteld dat sprake was van ziekte van de ondernemer en voorts dat is voldaan aan de 5%-drempel. Verweerder heeft niettemin het beroep op de knelgevallenregeling afgewezen omdat volgens verweerder geen sprake is van een causaal verband tussen de ziekte en het lagere fosfaatrecht op de peildatum.

Beroepsgronden

4.1

Allereerst verwijzen appellanten voor de beroepsgronden naar het bezwaarschrift en stellen dat de inhoud daarvan als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

4.2

Appellanten voeren verder aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling met het oog op ziekte van de ondernemers. Zowel de maat [naam 2] als de maat [naam 3] hebben in 2013 gezondheidsproblemen gehad. Appellanten hebben diverse medische behandelingsoverzichten, verslagen en brieven overgelegd ter onderbouwing daarvan. [naam 2] heeft in februari 2013 een nieuwe heup gekregen en bij hem is ook op 2 december 2013 een ernstige ontsteking aan zijn voet geconstateerd. [naam 3] is op 28 maart 2013 geopereerd aan haar rug. Vanwege de slechte fysieke gezondheid van de maten, waren zij beperkt inzetbaar op het bedrijf. Ook na 2013 bleef de gezondheid van [naam 3] slecht waardoor de dieraantallen in 2015 niet op het gewenste niveau kwamen. In de periode dat de maten gezondheidsproblemen ondervonden is weliswaar externe arbeidskracht ingehuurd, echter dat waren in het begin steeds wisselende personen voor één dag in de week. Later werd dat wel een vaste persoon, maar omdat deze arbeidskracht minder ervaren was dan de maten, het bedrijf minder goed kende en de dieren minder aandacht kon geven, namen diergezondheidsproblemen desondanks toe. Dit hebben appellanten er uiteindelijk toe doen besluiten om eind 2013 vee af te stoten. Appellanten voeren aan dat verweerder zich, gelet op deze omstandigheden, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een causaal verband tussen de gezondheidsproblemen van de maten en de afname van fosfaatrechten op de peildatum.

4.3

Appellanten voeren tot slot aan dat verweerder ten onrechte niet de hoeveelheid fosfaatrechten aan hen heeft toegekend die overeenkomt met de veestapel zoals vergund in de op 23 oktober 2013 verleende vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw), namelijk 180 melk- en kalfkoeien en 90 stuks jongvee.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep op de knelgevallenregeling terecht is afgewezen. In dit geval is niet in geschil dat er sprake was van een omstandigheid als genoemd in artikel 23, zesde lid, van de Msw (ziekte van de ondernemer) en evenmin dat wordt voldaan aan de 5%-drempel (het reguliere fosfaatrecht op de peildatum is minimaal vijf procent lager door deze buitengewone omstandigheid). Volgens verweerder wordt echter niet voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een causaal verband tussen de buitengewone omstandigheid en het lagere aantal fosfaatrechten. Hij wijst er daarbij op dat [naam 2] al in 2006 arbeidsongeschikt is verklaard en sinds 25 februari 2007 voor 50% arbeidsongeschikt is. [naam 3] heeft sinds 1998 rugklachten met beenklachten. Volgens verweerder blijkt uit de door appellanten overgelegde medische gegevens niet dat tussen 25 november 2013 en 2 juli 2015 zich omstandigheden hebben voorgedaan die anders waren dan in de andere jaren. Verweerder benadrukt dat de reguliere bedrijfsvoering van appellanten al jaren – in ieder geval vanaf 2006 – het exploiteren van een melkveebedrijf combineert met de gezondheidsproblemen van [naam 2] en [naam 3] . Uit het overzicht van de dieraantallen uit het I&R overzicht in de jaren 2012 tot en met 2015 blijkt volgens verweerder een stabiel verloop van de aantallen dieren. Appellanten hebben volgens verweerder niet aangetoond dat de gezondheidstoestand van beide maten op of na 25 november 2013 dusdanig is verslechterd dat er een schommeling in de dieraantallen heeft plaatsgevonden die de conclusie van een causaal verband rechtvaardigt.

Beoordeling

6.1

Voor zover appellanten aanvoeren dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, gaat het College daar aan voorbij. Appellanten hebben namelijk niet onderbouwd in welk opzicht, in hun visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was. Deze opmerking is daarom onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraken van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391, onder 3, en 21 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:132, onder 3).

6.2

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de knelgevallenregeling die ziet op de ziekte van een ondernemer, toe te passen. In het bijzonder op de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de gezondheidsproblemen die de maten [naam 2] en [naam 3] in 2013 hebben ondervonden en het feit dat het fosfaatrecht van appellanten op de peildatum meer dan 5% lager is dan op de alternatieve peildatum 25 november 2013.

Daarbij is niet in geschil dat de gezondheidsproblemen van in ieder geval [naam 2] aangemerkt dienen te worden als een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw, dat als alternatieve peildatum 25 november 2013 dient te worden gehanteerd en dat het fosfaatrecht op de peildatum meer dan 5% lager is (namelijk 8,7% lager) dan op de alternatieve peildatum. Het College gaat daar dan ook vanuit.

6.3

Anders dan verweerder, is het College van oordeel dat in dit geval sprake is van een causaal verband tussen de ziekte van de ondernemers en het lagere fosfaatrecht op de peildatum. Dat de maten [naam 2] en [naam 3] in het voorjaar van 2013 als gevolg van de operaties die zij allebei hebben moeten ondergaan minder inzetbaar waren op het bedrijf dan daarvoor acht het College aannemelijk en wordt door verweerder op zichzelf ook niet bestreden. Dat dit vervolgens pas eind 2013 heeft geleid tot lagere dieraantallen is naar het oordeel van het College voldoende onderbouwd door appellanten. Appellanten hebben op de zitting aangegeven dat zij in eerste instantie hun verminderde inzetbaarheid op het bedrijf hebben willen opvangen door het inschakelen van externe hulp. Dat dit niet binnen de maatschap zelf kon worden opgevangen, acht het College aannemelijk nu beide maten omstreeks dezelfde periode geopereerd zijn en zij 80% van de maatschap en daarmee de exploitatie van het bedrijf op zich namen. Ook blijkt uit de medische stukken die appellanten hebben ingestuurd dat de gezondheidsproblemen van [naam 3] nog tot in ieder geval april 2014 hebben aangehouden.

Dat appellanten eind 2013 hebben besloten het aantal dieren terug te brengen, nadat was gebleken dat de inzet van externe hulp voor één dag in de week het toch niet mogelijk maakte het bedrijf op dezelfde voet voort te zetten (wat bleek uit een toename van diergezondheidsproblemen), is naar het oordeel van het College dan ook terug te voeren tot de verminderde inzetbaarheid van beide maten als gevolg van de gezondheidsproblemen. Daarbij acht het College van belang dat het moment van de operaties en het moment waarop het aantal dieren is teruggebracht niet dusdanig ver uit elkaar liggen dat een dergelijk verband door dat tijdsverloop niet aannemelijk is. Bovendien is niet in geschil dat de alternatieve peildatum 25 november 2013 de reguliere bedrijfssituatie weergeeft vóórdat de gevolgen van de gezondheidsproblemen zich voordeden. Niet is aannemelijk gemaakt dat de daling van de dieraantallen eind 2013 een andere oorzaak had dan de hiervoor genoemde. Het College komt gelet hierop tot de conclusie dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. De beroepsgrond slaagt.

6.4

Het betoog van appellanten dat verweerder ten onrechte niet de hoeveelheid fosfaatrechten aan hen heeft toegekend die overeenkomt met de veestapel zoals vergund in de aan hen verleende Nbw-vergunning faalt. Uit artikel 23, derde lid, van de Msw volgt dat voor de vaststelling van het fosfaatrecht, wat betreft de dieraantallen, in beginsel moet worden gekeken naar het feitelijk op 2 juli 2015 gehouden melkvee en niet naar dieraantallen die worden genoemd in een vergunning. Ook de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw, die in dit geval van toepassing is, biedt voor de toepassing die appellanten willen geen grondslag. Voor zover appellanten met deze grond hebben willen betogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het EP omdat in hun geval sprake is van een individuele en buitensporige last, faalt dit betoog ook. Appellanten hebben voor deze grond in beroep geen onderbouwing gegeven.

Slotsom

7.1

Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het fosfaatrecht wordt vastgesteld op 6.271 kg. Het College baseert zich daarbij op de berekening van de fosfaatrechten op de alternatieve peildatum 25 november 2013, die verweerder in het bestreden besluit heeft gemaakt. De fosfaatrechten op deze datum bedragen 6.837,6 kg, uitgaande van 129 melk- en kalfkoeien en 79 stuks jongvee. Omdat appellanten niet grondgebonden zijn dient deze hoeveelheid te worden gekort met de generieke korting van 8,3%, in dit geval 567,52 kg. Het totaal aan appellanten toekomende fosfaatrecht is gelet daarop 6.270,08 kg (6.837,6 kg – 567,52 kg), afgerond 6.271 kg.

7.2

Het College ziet aanleiding te bepalen dat het door appellanten betaalde griffierecht aan hen wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de kosten die appellanten voor het bezwaar en beroep hebben moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellanten vast op 6.271 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellanten te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen