Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:495

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/1840
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet artikel 23, derde lid; het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), artikel 1

Het College is van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat de Nitraatrichtlijn voldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Wat appellante heeft aangevoerd over de noodzaak tot herstructurering van haar bedrijf heeft geen betrekking op de uitbreiding. Gelet op het late tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een dringende of bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding, acht het College de investeringsbeslissingen niet navolgbaar. Het College volgt appellante al daarom niet in haar standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1840

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

Stille maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3], appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. Y. Groen en C. Zieleman)

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 18 september 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Appellante is met bericht niet verschenen. De gemachtigden van verweerder zijn verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1.

Appellante is een stille maatschap en exploiteert een melkveebedrijf in Megchelen. Tot 2014 exploiteerde zij een gemengd bedrijf met varkens en melkvee. Zij heeft in 2014 de varkenstak afgestoten en heeft zich volledig gericht op de melkveehouderij. Appellante hield op 1 april 2014 101 stuks melkkoeien, 69 stuks jongvee en 309 vleesvarkens.

2.2.

Appellante hield op de peildatum 2 juli 2015 102 melkkoeien en 86 stuks jongvee.

Besluit van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5239 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was en heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4.1.

Appellante heeft in beroep aangevoerd, samengevat, dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau in strijd is met de Nitraatrichtlijn en met artikel 1 van het EP.

4.2.

Appellante stelt verder dat de toepassing van het fosfaatrechtenstelsel in haar geval in strijd is met artikel 1 van het EP omdat het een individuele en buitensporige last op haar legt. Het omschakelen van varkens naar melkvee was nodig omdat dat minder arbeidsintensief is en efficiënter. Door de sloop van de vleesveevarkensstal kon op die plaats de ligboxenstal worden uitgebreid. De geplande uitbreiding naar 224 melkkoeien en 180 stuks jongvee was noodzakelijk in verband met het afstoten van de varkenstak. Zij heeft ruim voor 2 juli 2015 voor die uitbreiding onomkeerbare investeringen gedaan in de aankoop van grond en de uitbouw van de ligboxenstal. Zij heeft daarvoor een financieringsovereenkomst afgesloten voor een bedrag van € 750.000,-. Zij beschikte tijdig over de benodigde vergunningen. De stal is in november 2015 in gebruik genomen. De herstructurering van het bedrijf was noodzakelijk vanwege: vervanging van verouderde bedrijfsbebouwing, onvoldoende stalruimte, de huisvesting van het vee diende in overeenstemming te worden gebracht met de welzijnseisen, het bedrijf diende duurzaam en toekomstbestendig te worden gemaakt, herstructurering om arbeid doelmatiger te kunnen inzetten en verbetering van de bedrijfsresultaten.

4.3.

Appellante heeft een Rapportage individuele disproportionele last (IDL) van 11 juni 2018 overgelegd, die in haar opdracht is opgemaakt door Flynth adviseurs en accountants. De daarin gestelde last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel (scenario 4, ontwikkeling binnen de toegekende fosfaatrechten (5239 kg fosfaat)) is in de jaren 2018 tot en met 2022 een jaarlijks tekort aan liquiditeit van ongeveer € 144.000,-.

4.4.

Appellante stelt dat verweerder bij het bestreden besluit niet alle omstandigheden heeft afgewogen. Zij verwijst naar de uitspraak van het College van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:301.

Standpunt van verweerder

5.1.

Verweerder stelt dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan de Nitraatrichtlijn en op regelingsniveau niet in strijd is met artikel 1 van het EP. Niet is gebleken dat het stelsel een individuele en buitensporige last op appellante legt. Er is geen sprake van schending van het recht en geen aanleiding voor compensatie al dan niet in de vorm van een ontheffing. Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.

5.1.

De door appellante beoogde groei van haar melkveetak is een ondernemerskeuze. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk was om de varkenstak af te stoten en om een forse uitbreiding te realiseren. De geplande uitbreiding van 101 melkkoeien, 69 stuks jongvee en 309 vleesvarkens naar 224 melkkoeien en 180 stuks jongvee staat niet in verhouding tot het verlies aan inkomsten wegens het beëindigen van de varkenshouderij. Volgens de door verweerder gehanteerde KWIN-normen 2018/2019 had appellante om 309 vleesvarkens te compenseren slechts ongeveer 9 melkkoeien nodig. Het bedrijf van appellante is met de beoogde groei van 123 melkkoeien daarom niet individueel afwijkend van andere bedrijven die in het zicht van het aflopen van het melkquotum per april 2015 zijn gaan uitbreiden.

5.2.

De door appellante gestelde financiële last is niet uitsluitend veroorzaakt door het fosfaatrechtenstelsel. Dat de door haar beoogde uitbreiding van haar dieraantallen waarin zij vanaf 2014 heeft geïnvesteerd is doorkruist door het fosfaatrechtenstelsel, is het gevolg van haar eigen keuzes en komt voor haar ondernemersrisico. De door appellante overgelegde financiële rapportage van Flynth, waarmee zij de door haar gestelde individuele en buitensporige last heeft onderbouwd, heeft verweerder daarom niet onderzocht.

Beoordeling

6.1.

Het College is van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP en dat de Nitraatrichtlijn voldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten. Het College verwijst voor zijn motivering naar zijn uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291.

6.2.

Het College is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.2.1.

Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen en/of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die beslissingen draagt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemers-beslissing in de gegeven omstandigheden - wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd - navolgbaar zijn. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel, te weten de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, en de belangen van de melkveehouder.

6.2.2.

De door appellante gestelde last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel is het verschil tussen het fosfaatrecht voor de 102 melkkoeien en 86 stuks jongvee die zij op de peildatum 2 juli 2015 hield en het fosfaatrecht dat zij nodig heeft voor de 224 melkkoeien en 180 stuks jongvee die zij wilde gaan houden. Die last is in het door appellante overgelegde financiële rapport van Flynth gekapitaliseerd, als onder 4.3 vermeld. Het College wil wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel fors wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals hiervoor is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar ondernemersbeslissingen. De nadelige gevolgen van die beslissingen kan zij in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.2.3.

In dat verband is van belang dat appellante halverwege 2014 is omgeschakeld van een gemengd bedrijf naar een melkveebedrijf en vanaf 2015 haar dieraantallen is gaan uitbreiden.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt, dat door appellante niet is betwist, dat de door haar beoogde uitbreiding van het aantal melkkoeien veel groter was dan nodig was om de afgestoten varkenstak te compenseren. Niet is gesteld of gebleken dat er een noodzaak was voor die extra uitbreiding. Wat appellante heeft aangevoerd over de noodzaak tot herstructurering van haar bedrijf heeft geen betrekking op de uitbreiding. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat het bedrijf van appellante niet individueel afwijkend is van andere bedrijven die in het zicht van het aflopen van het melkquotum per april 2015 zijn gaan uitbreiden.

6.2.4.

Gelet op het late tijdstip van de investeringen en het ontbreken van een dringende of bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding, acht het College de investeringsbeslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Het College volgt appellante al daarom niet in haar standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt.

6.2.5.

In het bestreden besluit is voldoende rekening gehouden met de individuele situatie van appellante. Van strijd van dat besluit met het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake. De verwijzing door appellante naar de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:301, is niet onderbouwd en baat haar al daarom in dit verband niet.

6.2.6.

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

6.3.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van

mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.

W.C.E. Winfield J.W.E. Pinckaers

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.