Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:485

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
20/366
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betalingsregeling voor de kosten van eerder toegepaste bestuursdwang. Ambtshalve overweging dat tegen de betalingsregeling bezwaar en beroep openstaan. Geen beroepsgronden tegen de betalingsregeling. Geen schending hoorplicht. Overige beroepsgronden hebben betrekking op besluiten die reeds aan de orde zijn geweest in eerdere procedures bij het College. Voor zover dit in deze procedure al aan de orde kan zijn, is geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin deze beroepsgronden die tegen de last of het kostenbesluit naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, met succes aan de orde kunnen worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/366

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F. Somer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld, die voorziet in betaling door appellante van het door haar verschuldigde bedrag van € 1.171,57 voor de kosten van toegepaste bestuursdwang in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij besluit van 18 oktober 2016 is aan appellante een last onder bestuursdwang (last) opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. De last heeft betrekking op katten en paarden/pony’s, waaronder een Fries paard. Bij besluit van 2 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de last ongegrond verklaard.

1.2

Bij uitspraak van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:429) heeft het College het beroep tegen het besluit van 2 maart 2017 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de last is opgelegd ten aanzien van de katten en paarden/pony’s van appellante en de last herroepen, behalve ten aanzien van het Friese paard. Dat betekent dat de last met betrekking tot het Friese paard terecht was opgelegd.

1.3

Bij besluit van 29 juni 2017 (kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving met betrekking tot het Friese paard voor een bedrag van € 1.171,57 bij appellante in rekening gebracht. Bij tussenuitspraak van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:428) heeft het College geoordeeld dat verweerder de last heeft mogen uitvoeren door het in bewaring nemen van het Friese paard van appellante. Bij uitspraak van 23 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:455) heeft het College het beroep van appellante tegen het kostenbesluit gegrond verklaard, het kostenbesluit vernietigd, en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante aan kosten van de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 1.082,27 is verschuldigd aan verweerder. Reden voor de vermindering is dat verweerder het bedrag vanwege dierenartskosten (€ 89,30) niet langer als kosten bij appellante in rekening wilde brengen.

1.4

Bij het primaire besluit heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld, die inhoudt dat appellante het openstaande bedrag van € 1.171,57 in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen van € 97,63 moet betalen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat hij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat appellante tijdens een informeel telefoongesprek op 10 februari 2020 desgevraagd heeft aangegeven dat zij geen gebruik wenst te maken van het recht te worden gehoord. De door appellante aangevoerde bezwaargronden zien inhoudelijk uitsluitend op de last onder bestuursdwang van 18 oktober 2016, het in bewaring nemen van haar Friese paard naar aanleiding van de hercontrole op 10 november 2016 en het daarop volgende kostenbesluit. Deze besluiten staan echter in rechte vast, omdat het College hierover reeds een oordeel heeft gegeven en definitief uitspraak heeft gedaan. Appellante heeft geen bezwaren aangevoerd die inhoudelijk zijn gericht tegen de betalingsregeling. Tot slot wijst verweerder erop dat in het primaire besluit abusievelijk het oorspronkelijke bedrag van € 1.171,57 staat vermeld in plaats van het door het College in de uitspraak van 23 november 2017 vastgestelde bedrag van € 1.082,27. Verweerder stelt vast dat appellante dit openstaande bedrag dient te betalen in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen van € 90,19.

3.1

Appellante voert, kort samengevat en voor zover hier van belang, aan dat het rapport van bevindingen op basis waarvan verweerder de last onder bestuursdwang heeft opgelegd ondeugdelijk is en dat de last pas zes weken na de controle is opgelegd. Zij betwist de aan de last ten grondslag gelegde overtredingen, waaronder die met betrekking tot haar Friese paard. De toezichthouder en betrokken dierenarts hebben de dieren niet afzonderlijk onderzocht, maar ten onrechte volstaan met een groepsbeoordeling van de dieren. Aan appellante is geen diergeneeskundige verklaring verstrekt over de gezondheidstoestand van het Friese paard op het moment van het in bewaring nemen van het paard. Ook kan verweerder de gemaakte kosten die bij appellante in rekening zijn gebracht, niet specifiek onderbouwen en heeft verweerder de kosten over een te lange periode doorberekend.

3.2

Appellante voert voorts aan dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door haar niet te horen in bezwaar. Appellante stelt dat zij nooit een uitnodiging voor een hoorzitting per post of per e-mail heeft ontvangen. Er heeft wel een telefoongesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en appellante, maar tijdens dat telefoongesprek heeft de RVO-medewerker alleen medegedeeld aan appellante dat op haar bezwaar zou worden beslist en dat zij maar moest afzien van een hoorzitting, aldus appellante.

4.1

Het College overweegt allereerst dat appellante nadere stukken aan het College heeft doen toekomen na de sluiting van het onderzoek ter zitting van 17 februari 2021. Er is geen aanleiding het onderzoek te heropenen, zodat deze stukken niet meer in aanmerking genomen kunnen worden. De stukken worden teruggezonden aan appellante.

4.2

Het College stelt vast dat verweerder een betalingsregeling heeft getroffen voor de kosten van de eerder toegepaste bestuursdwang. Uitsluitend deze betalingsregeling, zoals vastgesteld bij het bestreden besluit, vormt het onderwerp van het geschil. Het College overweegt ambtshalve dat uit artikel 4:94 van de Awb volgt dat een besluit waarbij een betalingsregeling is vastgesteld, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaan (zie de uitspraak van het College van 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:158 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5907).

4.3

Met uitzondering van de beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden, hebben de beroepsgronden van appellante betrekking op de opgelegde last en het kostenbesluit. Deze besluiten zijn reeds aan de orde geweest in eerdere procedures bij het College, die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken van 3 oktober 2017 en 23 november 2017. Voor zover dit in deze procedure al aan de orde kan zijn, overweegt het College nog dat uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet blijkt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin deze beroepsgronden die tegen de last of het kostenbesluit naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, met succes aan de orde kunnen worden gesteld.

4.4

Het is vaste rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:343) dat het in artikel 7:2 van de Awb voorziene recht van een belanghebbende om te worden gehoord alvorens een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure vormt en dat de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief dienen te worden toegepast. Van het horen van een belanghebbende kan ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb worden afgezien indien de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht gehoord te worden. De bewijslast omtrent de hiertoe gebleken toestemming dient bij het bestuursorgaan te liggen. Verweerder heeft in dit verband een “Telefoonnotitie andere aanpak” van een telefoongesprek op 10 februari 2020 tussen een RVO-medewerker en appellante overgelegd. Deze telefoonnotitie vermeldt dat appellante, nadat zij erop is gewezen dat alleen de betalingsregeling voorligt en zij daarover geen opmerkingen heeft, desgevraagd aan de RVO-medewerker heeft medegedeeld dat zij geen behoefte heeft aan een hoorzitting. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de telefoonnotitie geen juiste weergave is van het gevoerde gesprek. Nu appellante blijkens de telefoonnotitie heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord, kon verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb afzien van het horen van appellante. Van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb is daarom geen sprake.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021.

De voorzitter is buiten staat De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.