Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:482

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
19/1961
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet: artikel 23, derde lid

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP).

Geen inbreuk op artikel 1 EP aangenomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College acht van belang dat appellante, hoewel zij al eind 2010/begin 2011 stappen heeft gezet voor het opzetten van een melkveehouderij op een nieuwe locatie, op de peildatum van 2 juli 2015 nog niet in het bezit was van alle vergunningen die noodzakelijk waren voor het houden van de door haar beoogde dieraantallen. Appellante heeft pas op 20 januari 2016 een Nbw-vergunning gekregen en is in zoverre met haar investeringen daarop vooruit gelopen. In zo’n geval is in beginsel geen ruimte voor het aannemen van een individuele en buitensporige last. Het betoog van appellante dat het niet (eerder) duidelijk was of zij wel een Nbw-vergunning nodig had gaat niet op. In de Natuurbeschermingswet 1998 was - kort gezegd - in artikel 19d, derde lid bepaald dat bestaand gebruik was uitgezonderd van de vergunningplicht. Aangezien appellante pas per 1 april 2011 het melkveebedrijf heeft overgenomen en vervolgens haar veestapel is gaan uitbreiden kan zij alleen daarom al geen beroep doen op de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaand gebruik.

Ook wanneer appellante wel de beschikking zou hebben gehad over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen, is naar het oordeel van het College geen sprake van een individuele en buitensporige last. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen niet navolgbaar. Dat de groei van het aantal dieren op haar bedrijf zou zijn vertraagd door het A en B-quotumsysteem dat de melkfabriek zou hanteren acht het College niet aannemelijk. De vertraging in de groei van haar veestapel lijkt eerder te zijn gelegen in de gedeeltelijke financiering die appellante voor de uitvoering van haar uitbreidingsplannen heeft verkregen. Bovendien was de werkwijze van de melkfabriek bekend bij haar vennoot zodat appellante die bij haar ondernemingsbeslissingen heeft kunnen betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Namens appellante is verschenen [naam 2] bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melk- en vleesveehouderij in [plaats] . Haar vennoten zijn [naam 2] , [naam 3] en hun zoon [naam 4] . [naam 2] is de onderneming per
1 april 2010 begonnen als eenmanszaak op de locatie [adres 1] te [plaats] . In 2009 is het bedrijf gesplitst. De broer van [naam 2] is verder gegaan op de oude locatie aan de [adres 1] te [plaats] . Appellante is opgericht op 1 februari 2011. Zij heeft per
1 april 2011 het melkveebedrijf aan de [adres 2] te [plaats] overgenomen. Appellante levert melk aan de melkfabriek in [plaats] .

2.2

Vergunningen

Appellante heeft op 11 maart 2011 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een ligboxenstal. Op 2 juli 2012 is die omgevingsvergunning verleend. Op grond van die vergunning mag appellante 159 melk- en kalfkoeien, 34 stuks jongvee en 25 varkens houden. Appellante heeft op 24 juni 2015 een vergunning aangevraagd op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning), die op 20 januari 2016 aan haar is verleend. Op grond van die vergunning mag appellante 185 melk- en kalfkoeien, 34 stuks jongvee en 25 varkens houden.

2.3

Investeringen en financiering

Op 30 december 2010 heeft appellante een aanneemovereenkomst gesloten voor de bouw van een ligboxenstal. Zij heeft op 11 februari 2011 een financieringsovereenkomst gesloten met ABN-AMRO voor de uitbreiding van haar krediet met € 1.240.000,-.

2.4

Dieraantallen

Op 1 april 2011 beschikte [naam 2] op de locatie [adres 1] te [plaats] over 60 stuks jongvee. Op 1 april 2012 waren dat 32 stuks jongvee. Op 1 april 2014 had appellante op de locatie aan de [adres 2] te [plaats] 119 melk en kalfkoeien en 41 stuks jongvee aanwezig. Op 1 april 2015 waren dat 96 melk- en kalfkoeien en 71 stuks jongvee en op
2 juli 2015 108 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante in het primaire besluit vastgesteld op 5.411 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft een korting toegepast van 105,75 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het aantal melk- en kalfkoeien aangepast van 107 naar 108 en het aantal stuks jongvee in categorie 101 naar 27. Verweerder heeft in zijn bestreden besluit tevens de beschikbare fosfaatruimte aangepast, waardoor het bedrijf grondgebonden is en geen korting meer wordt toegepast. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante verhoogd naar 5.500 kg en de bezwaren van appellante voor het overige ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4.1

Appellante herhaalt hetgeen zij in bezwaar heeft aangevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat in haar geval wel sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante voert aan dat zij financiële verplichtingen is aangegaan die zij met de invoering van het fosfaatrechtenstelsel niet of met moeite kan nakomen. Zij kan immers niet uitbreiden en daarmee niet de opbrengst genereren die zij met de uitbreiding had berekend en op basis waarvan zij financiering heeft gekregen. In 2009 is het bedrijf gesplitst. De broer van
[naam 2] is op de oude locatie verder gegaan. De insteek was dat appellante op een nieuwe locatie verder zou gaan boeren. Zij heeft daarvoor in 2010 een nieuwe locatie aangekocht. Ook heeft zij vanuit financieel oogpunt op 31 december 2010 een duurzame stal aangevraagd. Door onduidelijkheid over de vergunningseisen wilde de bank maar een gedeeltelijke financiering verstrekken, waardoor vertraging ontstond in het proces. Het plan was om te groeien naar 185 melk- en kalfkoeien. Appellante voert aan dat zij melk levert aan de melkfabriek in [plaats] , die een A- en B-quotumsysteem hanteert. Omdat appellante net was gestart met haar bedrijf had zij een groot gedeelte B-quotum, dat een lagere opbrengst heeft. Daarom was het niet rendabel om de nieuwe stal direct vol te zetten. Dit was de reden dat zij op de peildatum van 2 juli 2015 nog niet het vergunde aantal dieren hield. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de financiële rapportage die Alfa Accountants en Adviseurs op 31 mei 2018 op haar verzoek heeft opgemaakt.

4.2

Appellante heeft ter zitting verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder merkt allereerst op dat aan appellante in het bestreden besluit ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend. Verweerder verzoekt het College het bestreden besluit daarom (in zoverre) te vernietigen.

5.2

Voor zover appellante in beroep verwijst naar de gronden die zij in bezwaar heeft aangevoerd blijkt daaruit volgens verweerder niet in welk opzicht appellante het niet eens is met het bestreden besluit. Verweerder verwijst naar de uitspraak van het College van 9 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:274).

5.3

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. De invoering van het fosfaatrechtenstelsel was volgens verweerder voorzienbaar. Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het door appellante gestelde quotumstelsel dat de melkfabriek CV [plaats] Kaasspecialisten (de melkfabriek) zou hanteren valt niet onder bijzondere omstandigheden. Dat appellante geen melk wil leveren tegen een lagere prijs, is een ondernemerskeuze die voor haar risico komt. Hetzelfde geldt voor de keuze om het bedrijf te splitsen en dit in de vorm van een vennootschap onder firma voort te zetten op een andere locatie. Uitbreiding of in het geval van appellante het opstarten van een nieuwe melkveehouderij is eveneens een ondernemerskeuze, waarvan de gevolgen in beginsel voor rekening van appellante komen. Verweerder acht de door appellante gedane investeringen gelet op het tijdstip waarop ze zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak daartoe, niet navolgbaar. Appellante wilde haar bedrijf laten groeien van 0 naar 185 melk- en kalfkoeien. De Nbw-vergunning voor het houden van deze dieraantallen is pas op 20 januari 2016 verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante met de door haar gedane investeringen op de benodigde vergunning is vooruitgelopen en dat er dan ook in beginsel geen ruimte is aan te nemen dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP. Ten slotte acht verweerder van belang dat aan appellante voor een deel van de uitbreiding wel fosfaatrechten zijn toegekend met de daaraan verbonden economische waarde.

Beoordeling

6.1

Voor zover appellante de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast in beroep heeft aangevoerd, overweegt het College dat appellante daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht verweerders motivering waarom die gronden in het bestreden besluit niet gegrond zijn verklaard ontoereikend is, zodat het College hieraan voorbij gaat.

6.2

Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.3.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden -wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd - navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.3.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario 2 van het rapport van P.G. Polstra AA RB van Alfa Accountants en Adviseurs van 31 mei 2018) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.3.2 weergegeven en in zoverre enig inzicht biedt in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.3.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 6.3.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 185 melk- en kalfkoeien en 34 stuks jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering aan de hand van de vergunde situatie) en de vastgestelde 5.500 kg fosfaatrecht, die is gebaseerd op het aantal dieren dat appellante op 2 juli 2015 op haar bedrijf hield, namelijk 108 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee. Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportage, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel hard wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals hiervoor is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.3.6

In dat verband is van belang dat appellante, hoewel zij al eind 2010/begin 2011 stappen heeft gezet voor het opzetten van een melkveehouderij op een nieuwe locatie, op de peildatum van 2 juli 2015 nog niet in het bezit was van alle vergunningen die noodzakelijk waren voor het houden van de door haar beoogde dieraantallen. Appellante heeft pas op 20 januari 2016 een Nbw-vergunning gekregen en is in zoverre met haar investeringen daarop vooruit gelopen. In zo’n geval is in beginsel geen ruimte voor het aannemen van een individuele en buitensporige last. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7) en 17 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:435). Het betoog van appellante dat het niet (eerder) duidelijk was of zij wel een Nbw-vergunning nodig had gaat niet op. In de Natuurbeschermingswet 1998 was - kort gezegd - in artikel 19d, derde lid bepaald dat bestaand gebruik was uitgezonderd van de vergunningplicht. Bestaand gebruik was gedefinieerd als: ‘Gebruik dat op 31 maart 2010 bekend is, of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn bij het bevoegd gezag’. Het gaat daarbij om de vraag of het bedrijf ten tijde van het bestreden besluit werd voortgezet op de wijze en in de omvang zoals dat feitelijk bestond op 31 maart 2010. Dit brengt mee dat iedere verandering na de datum van 31 maart 2010 van het gebruik, zoals dat op deze datum bestond, een beroep op de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaand gebruik doet vervallen. Aangezien appellante pas per
1 april 2011 het melkveebedrijf aan de [adres 2] te [plaats] heeft overgenomen en vervolgens haar veestapel is gaan uitbreiden kan zij alleen daarom al geen beroep doen op de uitzondering op de vergunningplicht voor bestaand gebruik.

6.3.7

Ook wanneer appellante wel de beschikking zou hebben gehad over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen, is naar het oordeel van het College geen sprake van een individuele en buitensporige last. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dat de groei van het aantal dieren op haar bedrijf zou zijn vertraagd door het A en B-quotumsysteem dat de melkfabriek zou hanteren acht het College niet aannemelijk. Appellante heeft ter zitting verklaard dat de melkfabriek dit quotumsysteem immers pas in 2015 heeft ingevoerd. Het College acht dan ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het A en B-quotum-systeem aan uitbreiding in de weg stond, ook al was de opbrengst voor B-quotum melk, waaruit de levering van appellante grotendeels bestond, lager dan die voor A-quotum melk en daardoor minder rendabel. De vertraging in de groei van haar veestapel lijkt eerder te zijn gelegen in de gedeeltelijke financiering die appellante voor de uitvoering van haar uitbreidingsplannen heeft verkregen. Bovendien was de werkwijze van de melkfabriek bekend bij haar vennoot [naam 2] , die van 2008 tot en met 2020 in de Raad van Beheer van de melkfabriek zat, zodat appellante die bij haar ondernemingsbeslissingen heeft kunnen betrekken.

6.3.8

Het College volgt appellante niet in haar standpunt dat de voorzienbaarheid van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel haar gelet op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:1050) niet langer kan worden tegengeworpen. In weerwil van wat appellante lijkt te suggereren is de vordering van eiser in die procedure tegen de Rabobank niet afgewezen omdat de invoering van een dierenrechtenstelsel niet voorzienbaar zou zijn geweest, maar omdat het voor eiser even voorzienbaar was als voor de Rabobank. Het College verwijst met name naar rechtsoverweging 3.23 van dit vonnis. Met andere woorden: zowel de Rabobank als eiser wisten dat het risico op (dreigende) overschrijding van het derogatieplafond bestond en dat in dat geval een dierenrechtenstelsel zou komen. Ook de rechtbank constateert dat productiebeperkende maatregelen al vanaf 2007 boven de markt hingen.

6.3.9

Het College komt dan ook tot de conclusie dat de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

7. Voor een ontheffing op grond van artikel 38 van de Msw heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Het beroep is dus in zoverre ongegrond.

8. Verweerder erkent dat hij in het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten die appellante in bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Het College zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Het College zal zelf in de zaak voorzien door een proceskostenvergoeding toe te kennen.

9.1

Appellante heeft ter zitting verzocht haar immateriële schade te vergoeden, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College stelt vast dat die termijn inderdaad is overschreden. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

9.2

Verweerder heeft het bezwaarschrift op 14 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met 15 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan verweerder als aan het College toe te rekenen.

9.3

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van 14 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.400,- (14/15 x € 1.500,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 100,- (1/15 x € 1.000,-) aan appellante.

Slotsom

10.1

Het beroep is ongegrond, behalve voor zover is nagelaten appellante een vergoeding voor de kosten in bezwaar toe te kennen.

10.2

Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover geen vergoeding voor de kosten in bezwaar is toegekend. Het College zal in zoverre zelf in de zaak voorzien, in die zin dat verweerder alsnog zal worden veroordeeld deze kosten aan appellante te vergoeden.

10.3

Omdat het beroep in zoverre gegrond is zal het College verweerder eveneens veroordelen in de proceskosten in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.403,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

10.4

In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zullen verweerder en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover daarin is nagelaten appellante een vergoeding voor de kosten in bezwaar toe te kennen;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 100,- aan appellante wegens de geleden immateriële schade;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.400,- aan appellante wegens de geleden immateriële schade;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.536,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.