Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:471

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
19/1589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Klacht inzake overeengekomen resultaatafhankelijke beloning (success fee) in het kader van het bijstaan van de cliënt bij zijn tweede beroep op de fiscale inkeerregeling. Naar het oordeel van het College moet betrokkene worden aangerekend dat hij niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat het financiële resultaat van zijn inspanningen de hoogte van zijn beloning bepaalt een bedreiging kan opleveren voor zijn objectiviteit. Hij heeft niet bij deze bedreiging stilgestaan en dus ook niets gedaan om te voorkomen dat deze bedreiging zich verwezenlijkt. Voorts heeft betrokkene nagelaten de voor zijn voorstel voor een resultaatsafhankelijke beloning relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken. Het College onderschrijft niet het oordeel van de accountantskamer dat betrokkene het verwijt treft dat hij niet eerlijk en oprecht heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Weliswaar had betrokkene zijn voorstel om naast zijn volledige uurtarief ook een resultaatsafhankelijke beloning af te spreken, op betere informatie moeten baseren, maar dat betekent niet dat hij met het doen van dit voorstel niet integer heeft gehandeld. Het College vernietigt de bestreden uitspraak voor zover de accountantskamer heeft geoordeeld dat betrokkene het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden en hem de maatregel heeft opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand. Het College legt betrokkene de maatregel van berisping op.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1138
NJB 2021/1472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1589


Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 op het hoger beroep van:

[naam 1] AA, te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. I.P. Biemond),

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 13 september 2019, gegeven op een klacht, tegen appellant ingediend door

[naam 2] ( [naam 2] )

(gemachtigde: mr. M.J.P.N. Steijven).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
13 september 2019, met nummer 19/659 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2019:63).

[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam 2] en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant is als accountant-administratieconsulent ingeschreven en verbonden aan het accountantskantoor dat zijn naam draagt. Op hetzelfde adres als waar het kantoor van appellant is gevestigd, is [naam 3] ( [naam 3] ) gevestigd, een belastingadviseur met wie appellant ook samenwerkt.

1.3

Begin februari 2018 woonde appellant op verzoek van [naam 3] een bespreking bij met [naam 2] , een ondernemer voor wie appellant al geruime tijd werkzaamheden verrichte, in verband met een tweede beroep van [naam 2] op de fiscale inkeerregeling, zoals (ten tijde van belang) opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het eerste beroep van [naam 2] op deze regeling was eerder begeleid door [naam 3] .

1.4

Partijen spraken af dat appellant [naam 2] bij het tweede beroep op de inkeerregeling zou vertegenwoordigen. Voor de werkzaamheden van appellant kwamen zij naast het uurtarief ook een ‘success fee’ overeen. De daartoe opgestelde overeenkomst vermeldt het volgende:

Succes fee afspraak

Ondergetekende tracht door onderhandelingen met de belastingdienst de inkomstenbelasting en daarover te heffen boete inzake de besproken inkeerregeling te matigen tot op een bedrag onder een vastgestelde grens van € 321.000,--

Bij verzwegen inkomsten van € 300.000,-- is de inkomstenheffing 52 % derhalve
€ 156.000,--.

Indien er een boete wordt opgelegd van 100% dan bedraagt de totale belastingdruk inclusief boete over de verzwegen inkomsten van € 300.000,-- derhalve 2 x
€ 156.000,-- = € 312.000,--

Als de inkomstenbelasting en daarover te heffen boete inzake de besproken inkeerregeling wordt opgelegd en deze minder dan de hierboven genoemde
€ 312.000,-- bedraagt dan zal ondergetekende buiten zijn gefactureerde uren inzake zijn werkzaamheden een “succes fee” rekenen van 15 % excl. BTW van dat verschil.

Bij een totale opgelegde aanslag van nihil bedraagt de “succes fee” dus maximaal
15 % x € 312.000,--.

Het uurtarief van de gewerkte uren worden afgerekend tegen € 140,-- per uur excl. BTW.

Aldus opgemaakt en ondertekend d.d. 27-2-2018 te [plaats 1] . (…)”

1.5

Op 24 april 2018 heeft appellant namens [naam 2] het verzoek tot toepassing van de inkeerregeling bij de Belastingdienst ingediend, waarbij hij aangifte heeft gedaan van te belasten inkomsten in box 3 over de jaren 2008 tot en met 2016. De Belastingdienst heeft na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst aan [naam 2] een aanslag opgelegd van
€ 40.660,-- op een achtergehouden vermogen van € 438.000,--,uitgaande van belastbaarheid in box 3.

1.6

Appellant heeft [naam 2] op 2 december 2018 een declaratie voor de success fee gestuurd van € 49.248,21, incl. BTW. Nadat [naam 2] betaling hiervan had geweigerd, heeft appellant [naam 2] bij de civiele rechter gedagvaard en naast bovenvermelde declaratie ook de betaling van een aanvullende success fee van € 26.048,88 gevorderd op de grond dat het tegoed in [plaats 2] niet € 300.000,--, maar € 438.000,-- bleek te bedragen, waardoor sprake zou zijn van een hoger resultaat.

1.7

Op verzoek van appellant heeft [naam 4] AA, werkzaam bij Novak, de volgende melding voorgelegd aan de Helpdesk Wet- en regelgeving van NBA (NBA helpdesk):

“ (…) Een cliënt (zelfstandig accountant) heeft voor één van haar cliënten een inkeermelding gedaan en begeleiding bij de verdere procedure. De accountant heeft melding FIU te Zoetermeer gedaan. De procedure met belastingdienst is afgerond en er is aanslag opgelegd. Voor zijn werkzaamheden heeft de accountant zijn tijd in rekening gebracht en dit is ook door zijn cliënt betaald. Naar de in rekening gebracht tijd heeft de accountant met zijn cliënt schriftelijk een succesfee van 15% afgesproken, inhoudende dat accountant 15% in rekening brengt van het verschil tussen de vooraf ingeschatte aanslag en de werkelijk opgelegde aanslag.

Vraag:
Mag een accountant een dergelijke succesfee afspraak maken? In deze casus wordt hij gevraagd zijn cliënt te begeleiden bij een inkeer, duidelijk is dat hij dan zijn cliënt hierin gaat vertegenwoordigen. Wat vindt u, mag een accountant een dergelijke succesfee afspraak maken, indien ja, zou dit de toets van een tuchtrechter kunnen doorstaan? Zo nee, wilt u dit motiveren.

Voorgestelde oplossing:
Uit mijn gesprek met accountant blijkt dat hij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft

genomen en melding en begeleiding volgens de geldende regels heeft uitgevoerd, inclusief verplichte melding FIU. De schriftelijk overeengekomen succesfee is niet in strijd met (gedrags-)regels als accountant de belangen van zijn cliënt behartigd.”

Hierop heeft de NBA helpdesk op 21 november 2018 het volgende geantwoord:

“ (…)
Resultaat afhankelijke vergoedingen worden behandeld in artikel 23 van de VIO. Dus bij assurance opdrachten.
Zoals u heeft aangegeven betreft het een overige opdracht waarbij de accountant dit

duidelijk met de klant heeft gecommuniceerd.
Wel dient de accountant bedacht te zijn op een mogelijke bedreiging van de objectiviteit. Indien hiermee rekening is gehouden zien wij geen reden waarom in dit geval de resultaat afhankelijke beloning een probleem zou zijn.”

1.8

Bij vonnis van 13 november 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:4988) heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) in conventie de vorderingen van appellant tot veroordeling van [naam 2] tot betaling van de overeengekomen success fee van € 49.248,21 (inclusief BTW) en voorts op grond van dwaling een aanvullende success fee van € 26.048,88 (inclusief BTW), vermeerderd met rente en kosten, afgewezen, en in reconventie voor recht verklaard dat de success fee-afspraak van 27 februari 2018 is vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van [naam 2] op vernietiging van de success fee overeenkomst op grond van dwaling. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [naam 2] de overeenkomst met deze inhoud niet zou hebben gesloten bij een juiste voorstelling van zaken. De onjuiste voorstelling van zaken is volgens de rechtbank te wijten aan een inlichting van appellant, aangezien appellant er voor heeft gezorgd dat [naam 2] bij het sluiten van de overeenkomst alleen het scenario voor ogen had dat hij met de belastingdienst zou gaan onderhandelen over inkeer met betrekking tot inkomsten uit arbeid.

Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Partijen hebben vervolgens een schikking getroffen, waarna deze procedure is beëindigd.


Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat appellant in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels heeft gehandeld doordat hij met [naam 2] onder een valse voorstelling van zaken een resultaatafhankelijke beloning is overeengekomen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand.

De accountantskamer is, samengevat, van oordeel dat appellant niet heeft onderkend dat het met [naam 2] , naast een vergoeding gebaseerd op de bestede uren, overeenkomen van een success fee een bedreiging kan zijn voor het zich houden aan de fundamentele beginselen, in het bijzonder het fundamentele beginsel van objectiviteit. Daarnaast heeft appellant vóór het overeenkomen van de success fee nagelaten om met voldoende diepgang de hoogte en herkomst van het aan te geven vermogen te onderzoeken en een reële inschatting te maken van de kansen op een lage naheffing zonder boete respectievelijk de risico’s op een hoge naheffing. Voorts heeft appellant niet eerlijk en oprecht gehandeld en misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen door [naam 2] bij het aangaan van de success fee een zeer negatief scenario voor te houden, zonder dat daarvoor op dat moment aanknopingspunten waren. Bovendien heeft hij, hoewel hij twijfelde aan de door [naam 2] verstrekte informatie, de ernst van een mogelijke inbreuk op zijn integriteit niet onderkend. Dat hij dit laatste niet deed blijkt ook uit het feit dat hij in rechte niet alleen betaling heeft gevorderd van de oorspronkelijke success fee-declaratie maar zelfs van een aanvullende success fee van
€ 26.048,88, omdat hem was gebleken dat [naam 2] een lager vermogen had voorgespiegeld dan hij daadwerkelijk had.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Ter zitting van het College heeft appellant aangegeven dat het eerste deel van zijn hogerberoepschrift, waarin hij op de betrouwbaarheid van [naam 2] is ingegaan en daar zijn eigen professioneel handelen tegenover heeft gesteld, niet als grief is bedoeld, maar als inleiding op zijn grieven.

4.1

De accountantskamer heeft in overweging 4.5 van de bestreden uitspraak geoordeeld, samengevat, dat appellant ten onrechte geen bedreiging voor zijn objectiviteit heeft geïdentificeerd en daarvoor geen afdoende maatregel heeft getroffen, waardoor hij in strijd met artikel 21 van de Verordening gedrags- en beroepsregels (VGBA) heeft gehandeld. Tevens heeft hij daarmee het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA geschonden.

4.2

Appellant onderschrijft de constatering van de accountantskamer dat de accountant door het overeenkomen van een success fee zelf ook belang krijgt bij de uitkomst van zijn werkzaamheden – zij het dat de accountantskamer er aan voorbij gaat dat de NBA geen probleem ziet in een resultaatsafhankelijke vergoeding, mits de accountant bedacht is op een mogelijke bedreiging van de objectiviteit – maar hij verbaast zich erover dat zij er vervolgens op wijst dat dit met zich zou kunnen brengen dat hij ongepast zou kunnen worden beïnvloed ten aanzien van de wijze van rapporteren aan de Belastingdienst, bijvoorbeeld door aangifte te doen in een andere dan de meest geëigende box. Dat hij ongepast heeft gerapporteerd is gesteld noch gebleken. Het oordeel dat hij zich de bedreiging voor zijn objectiviteit niet heeft gerealiseerd en geen toereikende maatregel heeft getroffen, is volgens appellant niet op de tegen hem ingediende klacht gebaseerd en is ongefundeerd, onjuist, onzorgvuldig en ongemotiveerd.

4.3

Het College overweegt dat appellant zich tegen de klacht dat hij op basis van een valse voorstelling van zaken en misbruik van onwetendheid bij zijn cliënt een resultaatsafhankelijke beloning heeft bedongen, heeft verweerd met het betoog dat het hem vanwege de bijzondere situatie en het ontbreken van enige rechtsregel verantwoord leek om naast zijn uurtarief een success fee te bedingen. In dit verband heeft appellant zich beroepen op de opinie van de NBA helpdesk, die geen reden zag waarom de resultaatafhankelijke beloning in zijn geval een probleem zou zijn, mits hij bedacht is geweest op een mogelijke bedreiging van de objectiviteit. Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer terecht vastgesteld dat appellant bij het overeenkomen van de resultaatafhankelijke beloning het verwijt treft dat hij de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels – meer bepaald artikel 21 van de VGBA en daarmee ook artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA – niet heeft nageleefd. Duidelijk is dat appellant, voordat hij in het kader van deze opdracht ertoe overging een resultaatafhankelijke beloning overeen te komen, er niet of onvoldoende bij heeft stilgestaan dat een dergelijke vorm van beloning een bedreiging voor zijn objectiviteit zou kunnen opleveren. Naar appellant heeft erkend, heeft hij pas achteraf ingezien dat deze vorm van beloning risico’s zou kunnen opleveren voor de naleving van de fundamentele beginselen en heeft hij ook pas achteraf, nadat hij met [naam 2] in conflict raakte over de betaling van de beloning en hem een tuchtklacht boven het hoofd hing, de NBA helpdesk laten raadplegen. Vaststaat dus dat appellant niet, zoals op grond van artikel 21 van de VGBA is vereist, vóór het eventueel overeenkomen van een resultaatsafhankelijke beloning de omstandigheden heeft geïdentificeerd en beoordeeld die een bedreiging kunnen zijn voor het zich houden aan een fundamenteel beginsel, in dit geval het beginsel beschreven in artikel 11 van de VGBA dat de accountant zich bij zijn afwegingen niet ongepast laat beïnvloeden, laat staan dat hij met betrekking tot dergelijke omstandigheden een toereikende maatregel heeft genomen die ertoe leidt dat hij zich houdt aan de fundamentele beginselen en deze bedreiging, zijn beoordeling, de toegepaste maatregel en zijn conclusie heeft vastgelegd teneinde zich tegenover derden te kunnen verantwoorden.

5.1

De accountantskamer heeft voorts geoordeeld – in overweging 4.6 van de bestreden uitspraak – dat appellant ook anderszins het beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft geschonden. Hij heeft nagelaten om vóór het overeenkomen van de success fee met voldoende diepgang de hoogte en herkomst van het aan te geven vermogen te onderzoeken en een reële inschatting te maken van de kansen op een lage naheffing zonder boete of de risico’s op een hoge naheffing met boete.

5.2

Appellant vindt het onbegrijpelijk dat de accountantskamer met deze overweging de conclusie heeft getrokken dat door dit nalaten niet objectief kan worden vastgesteld in welke gevallen sprake is van een ‘succes’ als gevolg van de werkzaamheden van appellant. Volgens appellant was de overeenkomst helder: elke vaststelling lager dan op grond van het donkerste scenario mogelijk zou zijn, is als succes gedefinieerd. De implicaties van de overeenkomst waren voor [naam 2] volkomen duidelijk.

5.3

Ook naar het oordeel van het College heeft appellant zijn voorstel voor een resultaatsafhankelijke beloning ten onrechte niet gebaseerd op een na onderzoek verkregen diepgaander inzicht in de hoogte en herkomst van het aan te geven vermogen noch op een reële inschatting van de kansen op een lage naheffing zonder boete respectievelijk de risico’s op een hoge naheffing. In dat geval had appellant – die, naar hij ter zitting van het College heeft verklaard, beperkte ervaring met inkeerzaken had – een beter onderbouwd en op de gevraagde dienst toegesneden voorstel kunnen doen en was zijn cliënt in de gelegenheid geweest om beter geïnformeerd een beslissing te nemen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan appellant een dergelijk voorbereidend onderzoek achterwege heeft kunnen laten, is het College niet gebleken. Toen het eerste gesprek met [naam 2] werd gevoerd, had de aanmelding bij de Belastingdienst al plaatsgevonden, maar er was geen grote haast geboden. De ondertekening van het contract vond pas enkele weken na dat eerste gesprek plaats. Zo nodig had, ten behoeve van nader onderzoek, de Belastingdienst om (nader) uitstel kunnen worden gevraagd. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat appellant door op basis van gebrekkige informatie zijn voorstel tot de resultaatsafhankelijke beloning te doen het verwijt treft dat hij het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de VGBA heeft geschonden.

6.1

Naar het oordeel van de accountantskamer – in overweging 4.7 van de bestreden uitspraak – heeft appellant niet eerlijk en oprecht gehandeld en misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen, wat schending oplevert van het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de VGBA. Hoewel er geen aanknopingspunten waren voor het doen van aangifte in box 1, heeft appellant bij het overeenkomen van de success fee aan [naam 2] voorgehouden dat er een reële kans bestond dat een (op box 1 gebaseerde) aanslag van € 312.000 (inclusief een boete van 100%) zou worden opgelegd en dat een lagere aanslag zeer aanzienlijke inspanningen van appellant zou vergen. Voor de bepaling van de hoogte van de success fee is daarmee uitgegaan van een zeer negatief scenario met als gevolg dat alleen wanneer dat scenario zich (los van zijn inspanningen) niet zou voordoen, sprake was van ‘succes’ en een aanspraak op de navenante beloning voor dat succes. Daarmee heeft appellant volgens de accountantskamer impliciet als aanvaardbaar beschouwd dat hij excessief zou declareren, terwijl hijzelf geen enkel financieel risico liep, nu hij naast de success fee ook aanspraak had op vergoeding van de door hem aan de zaak bestede tijd.

6.2

Appellant is van mening dat het op de weg van [naam 2] had gelegen om, gelet op de betwisting door appellant, te bewijzen dat er geen enkel aanknopingspunt was voor het doen van aangifte in box 1. [naam 2] heeft dit slechts summierlijk gesteld, maar niet bewezen, zodat de accountantskamer dit punt had moeten passeren. Verder vindt appellant het onbegrijpelijk dat de accountantskamer stelt dat hij niet had mogen impliceren dat een en ander wel eens een aanzienlijke inspanning zou vergen. Bij het aangaan van de overeenkomst wist immers niemand hoeveel werk met het beroep op de inkeerregeling gemoeid zou zijn, of een tweede inkeer eigenlijk wel mogelijk zou zijn en of er een uitgebreid onderzoek zou volgen. Ook de overweging van de accountantskamer dat hij impliciet als aanvaardbaar heeft beschouwd dat hij excessief zou declareren, is volgens appellant een onbegrijpelijke gevolgtrekking. Dat er excessief is gedeclareerd, is gesteld noch gebleken en maakt geen onderdeel uit van de klacht. Bovendien liep appellant, anders dan de accountantskamer stelt, wel degelijk een financieel risico. Hij vreesde voor een grootschalig onderzoek van de Belastingdienst waarbij wellicht zelfs de FIOD zou worden ingeschakeld, waaraan hij veel niet-declarabele uren kwijt zou zijn en een slechte reclame voor zijn kantoor zou betekenen. Dat bedoelde hij met dat hij het een “tricky” kwestie vond. Appellant stelt dat hij [naam 2] zo goed mogelijk heeft proberen te helpen en hem ook zo goed mogelijk heeft geholpen. Hij heeft hem ook juist en volledig geïnformeerd.

6.3

Het College onderschrijft niet het oordeel van de accountantskamer dat appellant het verwijt treft dat hij niet eerlijk en oprecht heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de VGBA. Weliswaar had appellant, zoals hiervoor is geoordeeld, zijn voorstel om naast zijn volledige uurtarief ook een resultaatsafhankelijke beloning af te spreken, op betere informatie moeten baseren, maar dat betekent niet dat hij met het doen van dit voorstel niet integer heeft gehandeld. Evenmin onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer in overweging 4.8 van de bestreden uitspraak dat appellant de ernst van de mogelijke inbreuk op zijn integriteit ook niet heeft onderkend doordat hij in rechte ook nog een aanvullende success fee van € 26.048,88 heeft gevorderd, omdat hem was gebleken dat [naam 2] hem een lager vermogen in [plaats 2] had voorgespiegeld. Niet valt in te zien dat het appellant in het kader van het civielrechtelijke geschil met [naam 2] over de nakoming van de overeenkomst niet was toegestaan te vorderen hetgeen hem naar zijn mening op grond van die overeenkomst toekwam en waarom zijn handelwijze ervan zou getuigen dat hij in zijn zakelijke betrekkingen niet eerlijk en oprecht optreedt.

7. De accountantskamer heeft rekening houdend met de aard en ernst van de geconstateerde verzuimen appellant de maatregel opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand. Bij deze beslissing is de vaststelling dat appellant het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden, wat als een (zeer) ernstig verwijt moet worden gekwalificeerd, meegewogen. Dit verwijt houdt, zoals het College in het vorenstaande heeft geoordeeld, echter geen stand. Een lichtere maatregel is op zijn plaats. Appellant moet worden aangerekend dat hij niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat het financiële resultaat van zijn inspanningen de hoogte van zijn beloning bepaalt een bedreiging kan opleveren voor zijn objectiviteit. Hij heeft niet bij deze bedreiging stilgestaan en dus ook niets gedaan om te voorkomen dat deze bedreiging zich verwezenlijkt. Voorts heeft appellant nagelaten de voor zijn voorstel voor een resultaatsafhankelijke beloning relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken. Voor het aldus niet naleven van de gedrags- en beroepsregels acht het College passend en geboden appellant de maatregel van berisping op te leggen.

8. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover de accountantskamer heeft geoordeeld dat appellant het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden en appellant de maatregel heeft opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor de duur van één maand. De uitspraak van de accountantskamer dient in zoverre te worden vernietigd.

Het College zal de zaak zelf afdoen en de klacht in zoverre ongegrond verklaren en aan appellant de maatregel van berisping opleggen.

9. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond voor zover de accountantskamer bij de bestreden uitspraak heeft geoordeeld dat appellant het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden en voor zover zij aan appellant de maatregel heeft opgelegd van tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers voor één maand;

- vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre;

- verklaart de klacht in zoverre ongegrond;

- legt appellant de maatregel van berisping op.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.A.J. van Lierop en mr. E.J. Daalder, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen