Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:470

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
20/263
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:392, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet dieren; vangletsel; vangletseltelling. De minister richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het hanteren van een handhavingsnorm in strijd is met de Transportverordening. Ook richt de minister zich tegen het oordeel dat onvoldoende is bewezen dat het geconstateerde letsel bij de kuikens is ontstaan bij het vangen op het bedrijf van [naam 1]. Beide hogerberoepsgronden slagen.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/1471
JOM 2021/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/263

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 op het hoger beroep van:

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, appellant (de minister)(gemachtigde: mr. M.M. de Vries),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2020, kenmerk ROT 17/5754, in het geding tussen

[naam 1] , te [plaats 1] ( [naam 1] ) (gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum)ende minister.

Procesverloop in hoger beroep

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 22 januari 2020 (aangevallen uitspraak) (ECLI:NL:RBROT:2020:392).

[naam 1] heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

[naam 1] heeft een nader stuk ingediend.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de kant van de minister zijn ook verschenen C. de Bruin en drs. R. Visser, respectievelijk senior inspecteur en senior toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] .

[naam 1] is in de gelegenheid gesteld de ter zitting vertoonde, door de minister ingediende filmbeelden nader te bestuderen en daarop een schriftelijke reactie te geven. [naam 1] heeft daarvan gebruik gemaakt. De minister en [naam 1] hebben achtereenvolgens nader gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het College, aangezien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht nader ter zitting te worden gehoord, binnen de hen gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, het onderzoek in deze zaak gesloten.

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2. Op 18 april 2017 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een slachthuis te Kornhorn een inspectie uitgevoerd bij een koppel aangevoerde vleeskuikens. De bevindingen van deze inspectie zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 19 april 2017 (rapport van bevindingen). Dit rapport vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende.

"Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de aanvoerhal en vervolgens in de panklaar-afdeling van bovengenoemd bedrijf voor de antemortem- en postmortem-keuring. Tijdens de AM screening in de aanvoerhal zag ik 14 dieren met zogenoemde 'spreadlegs', een positie waarbij 1 of beiden poten in een hoek van bijna 180 graden gestrekt naast het lichaam wordt gehouden. Dit is een onnatuurlijke houding van het kuiken en wordt veroorzaakt door pijn ten gevolge van ontsteking of letsel. Volgens de aanvoerplanning en na verificatie bij de chef panklaar van het betreffende pluimveeslachthuis, betroffen het vleeskuikens van koppel ' [naam 1] ' uit de stal 1.

Bij hetzelfde koppel geslachte dieren zag ik in de panklaar-afdeling tijdens de PM screening bij 625 karkassen 17 karkassen met forse donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 cm van de vleugels en rug en 16 fracturen met forse donkerrode tot paarse bloedingen groter dan 3 cm van voornamelijk de vleugels. Bloedingen van deze aard zijn in de laatste 12 uur voorafgaande aan het doden van de dieren ontstaan door het ruw vangen van de dieren op stal middels een vangploeg.

In totaal heb ik van bovengenoemde koppel 2 tellingscontroles van 2 minuten naar vangletsel uitgevoerd. Tussen de controles zat een tijdsbestek van 35 minuten. Ik telde respectievelijk 10 en 15 dieren met letsel. Bij een bandsnelheid van 7500 dieren per uur, zag ik dus 2 maal 250 kuikens voorbij komen en kwam ik op een gemiddelde score van 5,0% letsel, bestaande uit ernstige tot zeer ernstige bloedingen van vleugels en rug en fracturen van vleugels. Ik heb geteld volgens de instructie van de NVWA; Bijlage 2 bij WLZVL-030 NVWA: bijlage bij registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis.

Deze ernstige fracturen en kneuzingen met bloedingen hebben ertoe geleid dat deze dieren vanaf het ontstaan van het letsel en vervolgens tijdens het vervoer tot aan de slacht, hevige pijn en stress hebben ervaren. Vanuit mijn professionele ervaring als dierenarts concludeer ik daarom uit bovenstaande feiten dat hier sprake is van ernstig dierenletsel. De houder van het pluimvee op de plaats van vertrek zorgde er niet voor dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden, omdat door de vangploeg onnodige pijn en ernstig lijden bij de dieren is veroorzaakt.

Hieruit bleek mij dat gehandeld werd in strijd met artikelen 2.5 en 6.2 lid 1 van de Wet dieren jº 4.8 van de Regeling houders van dieren, jº aanhef artikel 3 en artikel 3 onder e en artikel 8, lid 1, bijlage I, Hoofdstuk III, paragraaf 1.8, onder d van Verordening (EG) nr. 1/2005.

Deze bevindingen worden de heer [naam 1] aangerekend. (eenmanszaak)"

3. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister op 10 mei 2017 aan [naam 1] het voornemen meegedeeld om een boete op te leggen. Bij besluit van 16 juni 2017 (het primaire besluit) heeft de minister vervolgens aan [naam 1] een boete opgelegd van € 1.500,-. Volgens de minister is sprake van overtreding van de artikelen 2.5 en 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en de artikelen 3, aanhef en onder e, en 8, eerste lid, in samenhang gelezen met bijlage I, hoofdstuk III, afdeling 1, punt 1.8, aanhef en onder d, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening). Het bezwaar tegen het primaire besluit heeft de minister bij besluit van 15 augustus 2017 (het besluit op bezwaar) ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd, het primaire besluit herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de minister veroordeeld tot vergoeding van het door [naam 1] betaalde griffierecht en de door [naam 1] gemaakte proceskosten.

5. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat de door de minister gehanteerde handhavingsnorm van vangletsel bij meer dan 2% van de kuikens niet toelaatbaar is. Volgens de rechtbank is al bij vangletsel bij één kuiken sprake van handelen in strijd met de Transportverordening. Door pas bij vangletsel bij meer dan 2% van de kuikens over te gaan tot handhaving, handelt de minister volgens de rechtbank niet conform de Transportverordening. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd dat de toezichthouder alleen letsel dat is ontstaan bij het vangen heeft meegeteld. Omdat bij de beoordeling van de ouderdom van de bloedingen gebruik wordt gemaakt van een glijdende kleurschaal en de kleur niet eenduidig is vastgesteld, is er – bij gebreke van verdere feitelijke waarnemingen of foto's – te veel onzekerheid over de ouderdom van de meegetelde bloedingen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier niet blijkt dat alleen de vaststelling van de grootte van de bloeding (3 cm) al voldoende zou zijn om te kunnen concluderen dat sprake is van vangletsel, en dat de minister niet heeft onderbouwd waarom letsel opgelopen bij het slachtproces nooit groter is dan 3 cm. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gestelde overtreding onvoldoende is bewezen, zodat de minister niet bevoegd was een boete aan [naam 1] op te leggen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6. De minister richt zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het hanteren van een handhavingsnorm in strijd is met de Transportverordening. Ook richt de minister zich tegen het oordeel dat onvoldoende is bewezen dat het geconstateerde letsel bij de kuikens is ontstaan bij het vangen op het bedrijf van [naam 1] .

7. De Transportverordening is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Europese Unie, alsmede op de door ambtenaren te verrichten speciale controles op partijen dieren die het douanegebied van de Europese Unie binnenkomen of verlaten (artikel 1, eerste lid, van de Transportverordening). Vervoer wordt in artikel 2, aanhef en onder w, van de Transportverordening gedefinieerd als de verplaatsing van dieren met behulp van een of meer vervoermiddelen en de daarmee samenhangende activiteiten, zoals laden, lossen, overladen en rusten, tot aan het moment waarop alle dieren op de plaats van bestemming zijn uitgeladen. Het vangen van de kuikens is een met de verplaatsing samenhangende activiteit waarop de Transportverordening van toepassing is.

8. De bepaling die hier aan de orde is, is artikel 3 van de Transportverordening. Daarin is bepaald dat het verboden is dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Voorts moet, voor zover hier van belang, aan de voorwaarde onder e worden voldaan: het personeel dat met de dieren omgaat, heeft daarvoor de nodige opleiding of bekwaamheid, naar gelang van het geval, en voert zijn werkzaamheden uit zonder gebruikmaking van geweld of een methode die de dieren onnodig angstig maakt of onnodig letsel of leed toebrengt. In artikel 8, eerste lid, van de Transportverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat de houders van dieren op de plaats van vertrek ervoor zorgen dat de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk III, afdeling 1 met betrekking tot het vervoer van dieren nageleefd worden. In deze afdeling 1 (met het opschrift 'Laden, lossen en behandeling van de dieren') is in punt 1.8, aanhef en onder d, bepaald dat het verboden is de dieren bij kop, oren, horens, poten, staart of vacht op te tillen of voort te trekken, of ze zodanig te behandelen dat het hun onnodige pijn of onnodig lijden berokkent.

9. Het College zal eerst de hogerberoepsgrond behandelen over de vaststelling van de overtreding.

10. Of bij het vangen in de stal van het pluimveebedrijf een overtreding is begaan, wordt achteraf in het slachthuis vastgesteld. Daarbij paste de toezichthoudend dierenarts destijds het werkvoorschrift met code WLZVL-030 toe, met daarbij in bijlage 2 de methode om een vangletseltelling uit te voeren. In het werkvoorschrift is bepaald dat de toezichthoudend dierenarts in twee situaties onderzoekt of sprake is van vangletsel: bij een periodieke basisinspectie of – zoals in dit geval – als de toezichthouder aanwijzingen voor een verhoogd percentage letsel ziet bij de in het slachthuis aangevoerde levende dieren. Voor de constatering van vangletsel wordt uitgegaan van de bevindingen van de toezichthouder bij de ontvederde karkassen. Daarbij wordt gekeken naar bloedingen die donkerrood of paars van kleur zijn en een grootte hebben van 3 cm of groter, op vleugel, poot of lichaam/borst.

11. Het is deze methode die volgens de rechtbank niet deugdelijk is. De rechtbank betwijfelt namelijk of een toezichthouder aan de hand van de grootte en de kleur van de bloeding kan vaststellen wanneer het letsel is ontstaan. Ook betwijfelt de rechtbank of het verplaatsen en kantelen in het slachthuis geen bloedingen van 3 cm of groter veroorzaakt. Met dit oordeel is de rechtbank afgeweken van haar oordelen in eerdere en latere uitspraken over vangletselschade.

12. Dezelfde methode is, kort voordat de aangevallen uitspraak is gedaan, in hoger beroep bij het College aan de orde geweest. Het College heeft in overweging 5.2.1 van zijn uitspraak van 17 december 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:688) geoordeeld dat er geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde methode van het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is. Daarbij zijn dezelfde argumenten en dezelfde rapporten betrokken als in de procedure bij de rechtbank in deze zaak. Een van die rapporten is het rapport van Wageningen Livestock Research, getiteld ‘Letsel en schade bij vleeskuikens als gevolg van vangen, transport en handelingen aan de slachtlijn’ en gedateerd januari 2019 (hierna: WURrapport), dat is opgesteld in opdracht van de PPS Poultry4Food en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het kader van het project 'Follow-up WQ Vleeskuikens'. Het College ziet in hetgeen bij de rechtbank en in hoger beroep naar voren is gebracht, geen aanleiding om af te wijken van zijn uitspraak van 17 december 2019 en overweegt daartoe het volgende.

13. Voorop moet worden gesteld dat de minister ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat de constatering van de overtreding is gebaseerd op alle waarnemingen van de toezichthoudend dierenarts in het rapport van bevindingen en dat de vangletseltelling uitsluitend is verricht met het oog op de handhavingsnorm van 2%. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is de constatering van de overtreding dus niet alleen gebaseerd op de uitkomst van de vangletseltelling.

14. Tussen partijen is niet in geschil dat bloedingen bij geslachte vleeskuikens kunnen zijn veroorzaakt op drie momenten: bij het vangen op de pluimveehouderij, tijdens het transport en tijdens het slachtproces in het slachthuis. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de kleur van de bloeding een indicatie is voor het tijdsverloop sinds het letsel werd veroorzaakt. Een bloeding van twee minuten oud heeft een helderrode kleur, en een bloeding van 12 uur oud is donkerrood of paars. Dat sprake is van een grofmazige, glijdende schaal van verkleuring maakt de vaststelling van het tijdsverloop sinds het letsel werd veroorzaakt op zichzelf niet onbruikbaar. Daaruit kan namelijk wel worden afgeleid dat als een bloeding donkerrood of paars is, deze niet recent is veroorzaakt. Het tijdstip waarop de kleur van een bloeding van rood zal overgaan naar donkerrood of paars is – zoals de senior toezichthoudend dierenarts van de NVWA ter zitting naar voren heeft gebracht – afhankelijk van de aard, ernst en plaats van het letsel, maar na een uur of vijf – in dit geval het tijdsverloop tussen vangen en slachten – zal een bloeding niet helderrood maar donkerrood of paars zijn. Het College acht dit voldoende aannemelijk.

15. Ter zitting heeft de senior toezichthoudend dierenarts van de NVWA verklaard dat de ervaring leert dat tijdens het transport en in het slachthuis weinig letsel wordt veroorzaakt. Dit wordt bevestigd door het nadere stuk dat de minister in hoger beroep heeft ingediend. Daarin heeft een van de opstellers van het WUR-rapport verklaard dat uit het onderzoek dat aan het WUR-rapport ten grondslag lag, bleek dat er nagenoeg geen letsel bij de dieren ontstaat tijdens het transport, tenzij er een duidelijk incident of ongeval is geweest. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat bij een incident of ongeval sprake is van een opvallend groot percentage letsels, namelijk 30 tot 40%. In het nadere stuk bevestigt de mede-opsteller van het WUR-rapport ook dat tijdens het slachtproces nagenoeg geen letsel optreedt met een bloeding die groter is dan 1 cm. Reden daarvoor is, zoals de minister naar voren heeft gebracht, dat de kuikens aan het begin van het slachtproces worden bedwelmd terwijl ze nog in de containers zitten. Door de bedwelming vertraagt de hartslag waardoor bloedingen klein blijven. Bloedingen van 3 cm of groter moeten dan ook bij de kuikens zijn ontstaan in de periode dat zij nog bij bewustzijn waren.

16. De vangletseltelling houdt concreet in dat de toezichthouder twee keer twee minuten aan de slachtlijn het aantal karkassen met bloedingen telt. Anders dan [naam 1] heeft gesteld, is dit wel degelijk in het werkvoorschrift opgenomen: in de toelichting vangletseltelling is in paragraaf 2.2, met opschrift 'Aantal minuten tellen aan de slachtlijn' onder meer vermeld dat het van belang is om minimaal twee minuten achter elkaar te tellen, en dat het nodig is dat er minimaal twee keer wordt geteld om een goed beeld te krijgen van het hele koppel. [naam 1] stelt dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is dat met een telling van twee maal twee minuten kan worden vastgesteld dat voor het hele koppel sprake is van meer dan 2% vangletsel. Het College stelt vast dat aan dit betoog de stelling ten grondslag ligt dat de uitkomst van de vangletseltelling representatief moet zijn voor het hele koppel. Het College heeft echter in overweging 5.4 van zijn uitspraak van 10 december 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:664) overwogen dat die stelling niet juist is: de minister hoeft zich niet ervan te vergewissen of de vangletseltelling representatief is voor het gehele koppel. De vangletseltelling hoeft dus geen correcte statistische analyse te zijn. Dat het feitelijk onmogelijk zou zijn om een foutloze telling te doen vanwege de snelheid van de band, zoals [naam 1] stelt, is het College, ook gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, mede aan de hand van de filmbeelden, niet gebleken. De bandsnelheid in het slachthuis bedroeg 125 dieren per minuut. De beoordeelde karkassen waren alle in één lijn en op dezelfde wijze opgehangen, met de borst aan de voorkant. De ruimte in het slachthuis waar de telling werd verricht, was helder verlicht. Hierbij komt dat een vangletseltelling als de onderhavige plaatsvindt door getrainde dierenartsen, met een steekproefsgewijze controle door een senior toezichthoudend dierenarts die erop is gericht de subjectiviteit van het oordeel over grootte en kleur van de bloedingen tot een minimum te beperken. Gelet op het voorgaande heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat de toezichthoudend dierenarts donkerrode tot paarse bloedingen van 3 cm of meer als gevolg van de bandsnelheid niet zou kunnen tellen. Hierbij komt nog dat de minister een handhavingsnorm van 2% hanteert omdat incidenteel fouten kunnen worden gemaakt (zie hierna onder 19).

17. Het College is op grond van het onder 10 tot en met 16 overwogene van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat als een bloeding donkerrood of paars is en een grootte heeft van 3 cm of meer, die bloeding is ontstaan tijdens het vangen van de kuikens en het laden in de containers. Er is dan ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde methode van het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, mocht de minister daarom bij de vaststelling van de overtreding door [naam 1] van deze methode uitgaan. De hogerberoepsgrond van de minister over de methode om vangletsel vast te stellen slaagt.

18. [naam 1] heeft ter zitting betoogd dat vangletsel op zichzelf nog geen overtreding vormt van artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met bijlage I, hoofdstuk III, punt 1.8, aanhef en onder d, van de Transportverordening, omdat daarin is bepaald dat sprake moet zijn van onnodige pijn of onnodig lijden. Volgens [naam 1] is het inherent aan het vangen dat daarbij vangletsel ontstaat. Dat vangen is echter nodig om de kuikens naar het slachthuis te kunnen transporteren, zodat het vangletsel niet als onnodig kan worden aangemerkt. Het College volgt [naam 1] niet in deze redenering. Uit de stukken blijkt bijvoorbeeld dat bij de zogeheten Zweedse methode, waarbij een kuiken met beide handen wordt vastgepakt, geen vangletsel hoeft te ontstaan. Ter zitting heeft [naam 1] bevestigd dat in zijn pluimveehouderij bij het vangen de kuikens aan de poten worden opgetild. Het College merkt overigens op dat deze handeling op grond van bijlage I, hoofdstuk III, paragraaf 1.8, aanhef en onder d, van de Transportverordening is verboden.

19. Met betrekking tot de hogerberoepsgrond van de minister tegen het oordeel van de rechtbank dat het hanteren van een handhavingsnorm in strijd is met de Transportverordening overweegt het College als volgt. Omdat er incidenteel fouten kunnen worden gemaakt, handhaaft de minister alleen als de toezichthouder bij een vangletseltelling vangletsel constateert bij 2% of meer van de kuikens waarop de telling betrekking heeft. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het hanteren van een handhavingsnorm niet in strijd met de Transportverordening. Met de rechtbank stelt het College vast dat op grond van de Transportverordening aan geen enkel kuiken door het vangen letsel mag worden toegebracht. Daaruit volgt echter niet dat het onrechtmatig is dat de minister handhavend optreedt zodra het percentage vangletsel boven de 2% uitkomt (zoals in de onderhavige zaak, waarin het gemiddelde vangletselpercentage 5% bedraagt). Het College acht de handhavingsnorm van 2% niet onredelijk of anderszins onjuist (zie de uitspraak van 10 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:664). Ook de hogerberoepsgrond over de handhavingsnorm van 2% slaagt daarom.

20. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Dit betekent dat het College, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, een oordeel moet geven over de beroepsgronden die [naam 1] bij de rechtbank heeft aangevoerd tegen de beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit, voor zover deze hiervoor nog niet aan de orde zijn gekomen.

21. Over de vaststelling van het percentage vangletsel in het geval van [naam 1] overweegt het College het volgende. Voorop gesteld wordt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een rapport van bevindingen van een bevoegde toezichthouder, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

22. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthoudend dierenarts heeft gehandeld volgens de door de minister vastgestelde methode om vangletsel te constateren. Daarmee wijkt deze situatie af van die waarop de door [naam 1] overgelegde beslissing op bezwaar van 19 mei 2020 ziet, die overigens is gericht aan een ander dan [naam 1] . In die situatie had de toezichthouder blijkens het rapport van bevindingen niet alleen donkerrode tot paarse, maar ook rode bloedingen geteld, zo begrijpt het College. Ook overigens heeft het College geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de toezichthouder. Anders dan [naam 1] heeft gesteld, is in het rapport van bevindingen wel degelijk de donkerrode tot paarse kleur en de grootte van de bloedingen van groter dan 3 cm vermeld, die de toezichthouder constateerde bij de post mortem-screening. Bovendien is op het door de toezichthouder ingevulde 'Registratieformulier letseltelling pluimveeslachthuis' vermeld dat bloedingen die meegeteld worden als vangletsel donkerrood zijn van kleur en grote (diffuse) bloedingen zijn vanaf 3 cm. Dat bij het invullen van het formulier de kleur en grootte – naast de vermelding in het rapport van bevindingen – niet nader zijn geconcretiseerd, geeft het College geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het rapport van bevindingen. De stelling van [naam 1] dat in een patiostal kuikens niet worden gevangen, maar worden geladen vanaf een draaiplateau, geeft evenmin aanleiding voor twijfel. Ook bij transport vanuit een patiostal worden de kuikens handmatig in de containers geplaatst, waarbij letsel kan ontstaan. Het betoog van [naam 1] dat er een discrepantie zit tussen de constateringen van deze toezichthouder en de constateringen van andere toezichthouders van de NVWA en van het slachthuis, volgt het College evenmin. Waar [naam 1] op doelt is allereerst het voedselketeninformatieformulier (VKIformulier), dat de pluimveehouder voorafgaand aan het transport naar het slachthuis heeft opgemaakt, en dat onder meer informatie bevat over het aantal en de herkomst van de dieren, en de gebruikte medicijnen en vaccins, met daarbij vermeld de wettelijke wachttermijn. Het VKIformulier vormde de basis voor het slachthuis om toestemming te geven voor aanvoer van de dieren en de goedkeuring van die aanvoer door een toezichthoudend dierenarts van de NVWA, zonder fysieke beoordeling van het koppel op de pluimveehouderij. Al daarom kan het VKIformulier geen twijfel oproepen over de juistheid van het rapport van bevindingen. Het tweede waar [naam 1] op doelt is het bewijs van afkeuring waarop een toezichthoudend dierenarts van de NVWA heeft vermeld welke afwijkingen zijn vastgesteld bij de post mortem-keuring. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat een bewijs van afkeuring betrekking heeft op ziekelijke afwijkingen als gevolg waarvan het vlees moet worden afgekeurd, en geen betrekking heeft op aspecten van dierenwelzijn waartoe vangletsel behoort. Ten derde is er het zogeheten paspoort dat het slachthuis na de slacht van het koppel afgeeft aan de pluimveehouder, met daarop onder meer het afrekengewicht en een kopje 'Kwaliteit'. Dit paspoort geeft evenmin aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het rapport van bevindingen, nu het slachthuis bij de afgifte van het paspoort andere normen hanteert dan de toezichthoudend dierenarts van de NVWA bij het constateren van vangletsel. De conclusie is dat het College in hetgeen [naam 1] naar voren heeft gebracht geen aanleiding ziet om aan de juistheid van het rapport te twijfelen.

23. Uit het voorgaande volgt dat het College van oordeel is dat de minister terecht heeft geconstateerd dat [naam 1] de artikelen 2.5 en 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en de artikelen 3, aanhef en onder e, en 8, eerste lid, in samenhang gelezen met bijlage I, hoofdstuk III, afdeling 1, punt 1.8, aanhef en onder d, van de Transportverordening heeft overtreden.

24. Hieruit volgt dat de minister bevoegd was [naam 1] een boete op te leggen. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, zoals in dit geval, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is, zo luidt artikel 5:46, derde lid, van de Awb. [naam 1] heeft betoogd dat de minister de boete had moeten matigen dan wel had moeten volstaan met een waarschuwing vanwege bijzondere omstandigheden. [naam 1] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting bij het College, geconcretiseerd wat die bijzondere omstandigheden inhouden, zodat voor toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb geen aanleiding bestaat. Het College stelt vast dat de hoogte van de door de minister opgelegde boete van € 1.500,- in overeenstemming is met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.2 en de bijbehorende bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, en met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren. Evenmin is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, op basis waarvan het bedrag wordt gehalveerd indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Het College is van oordeel dat de opgelegde boete evenredig is.

25. [naam 1] heeft ter zitting aangevoerd dat de duur van de procedure zo lang is, dat dit moet worden gecompenseerd. Het College overweegt dat in punitieve zaken het uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. In dit geval is de termijn begonnen op 10 mei 2017 met de bekendmaking aan [naam 1] van het voornemen tot boeteoplegging. Nu op het moment van deze uitspraak nog geen vier jaar zijn verstreken, is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Er is dan ook geen aanleiding om de boete te matigen.

26. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen en zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [naam 1] tegen het besluit van 15 augustus 2017 alsnog ongegrond verklaren.

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [naam 1] tegen het besluit van 15 augustus 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. W.A.J. van Lierop en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

de voorzitter is verhinderd de griffier is verhinderd

te ondertekenen te ondertekenen