Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:469

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
20/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten. Voor het vaststellen van het fosfaatrecht op grond van de dieraantallen over het gehele jaar 2015 bestaat geen wettelijke grondslag.

Beroep op de startersregeling kan niet slagen. Appellante is niet tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking en zij hield op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien.

Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. Appellante heeft gesteld dat zij vóór 2 juli 2015 investeringen heeft gedaan, maar daarvoor geen onderbouwing gegeven. Het College acht het in 2014 ingezette plan en investeringen in een omschakeling van een schapenhouderij en zoogkoeienhouderij naar melkveehouderij op dit tijdstip niet navolgbaar. Vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee (in 2007), had het redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Al in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Bovendien beschikte appellante pas na de peildatum van 2 juli 2015 over een Nbw-vergunning voor het houden van 192 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee. Zij is dan ook met de investeringen die op die aantallen waren gericht, op het verkrijgen van een of meer van die vergunningen vooruitgelopen. Het College heeft voor die gevallen geoordeeld dat in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP. Dat geldt ook wanneer dat voor de melkveehouder aanzienlijke financiële consequenties heeft. De door appellante gestelde vertraging bij het verkrijgen van de benodigde vergunning komt voor rekening en risico van de ondernemer. Het College stelt verder vast dat appellante ondanks de op 2 juli 2015 publiekelijk aangekondigde productiebeperkende maatregelen pas in 2018 bij aanvullende overeenkomst het kredietbedrag ter beschikking heeft laten stellen. Wat betreft investeringsverplichtingen die appellante na 2 juli 2015 is aangegaan, behoorde het tot haar verantwoordelijkheid ermee rekening te houden dat het fosfaatrechtenstelsel geen rekening houdt met op 2 juli 2015 onbenutte productieruimte, zodat de gevolgen daarvan voor haar risico komen.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/11

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint),

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 30 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Op 11 oktober 2018 heeft verweerder een melding nieuw gestart bedrijf van appellante ontvangen.

Bij besluit van 8 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zicht laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw (de startersregeling).

Ingevolge het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de Msw;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voor 1 april 2018 ingediend.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf. Op 1 januari 2011 heeft er een bedrijfsoverdracht plaatsgevonden waarmee de eenmanszaak van [naam 2] is ingebracht in de vennootschap onder firma [naam 1] (appellante). Appellante was voornemens om een melkveebedrijf te exploiteren.

2.2

Op 29 oktober 2014 heeft de provincie de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) afgegeven voor het houden van 138 kalf- en melkkoeien en 87 stuks jongvee. Op 10 november 2014 heeft appellante een omgevingsvergunning (bouwen) verkregen voor de bouw van een nieuwe stal. Op 9 maart 2015 heeft appellante een leningsovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 900.000,- met het oog op de bouw van een ligboxenstal met inrichting. Uit de leningsovereenkomst blijkt dat de kredietverstrekker de hoofdsom niet meteen heeft uitbetaald, maar in eigen depot hield en beschikbaar stelde in de vorm van een doorlopend krediet voor de bouw van bedrijfsmatige registergoederen en toebehoren. De kredietverstrekker heeft door middel van een aanvullende overeenkomst het geldbedrag op 29 maart 2018 aan appellante ter beschikking gesteld. Op 24 april 2015 heeft appellante een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor het veranderen van de bedrijfsvoering van schapenhouderij en zoogkoeienhouderij naar melkveehouderij. Op 18 augustus 2015 heeft appellante een omgevingsvergunning (bouwen) verkregen voor de bouw van een veestal. Op 30 november 2015 is aan appellante een Nbw-vergunning verleend voor het houden van 192 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee.

2.3

Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante op het bedrijf 10 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 219 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder bij de vaststelling van het fosfaatrecht niet is uitgegaan van de juiste dieraantallen. Het bestreden besluit is gebrekkig gemotiveerd, aangezien verweerder niet is ingegaan op de hiermee samenhangende bezwaargrond.

4.2

Appellante voert aan dat ten onrechte haar beroep op de startersregeling niet is gehonoreerd. Appellante stelt dat aan alle voorwaarden van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit wordt voldaan. Appellante beschikt wel degelijk over een voor 2 juli 2015 verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van het bedrijf. Appellante voert verder aan dat het fosfaatreductieplan en de toekenning van onvoldoende fosfaatrechten het haar onmogelijk hebben gemaakt om tijdig te starten met melken en op 1 januari 2018 melkkoeien te houden op haar bedrijf.

4.3.1

Appellante voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van haar eigendom aantast omdat het veehouders dwingt zich te ontdoen van runderen die zij in eigendom hebben. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat niet is voldaan aan de onderzoeksverplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van het EP. Appellante stelt ook de noodzaak van de maatregelen van het fosfaatrechtenstelsel ter discussie. Niet is volgens appellante gebleken dat het behoud van derogatie noodzakelijk is om aan de Nitraatrichtlijn te voldoen. Ook was het stelsel niet voorzienbaar. Pas voor het eerst bij de brief van 2 juli 2015 heeft verweerder kenbaar gemaakt beperkende maatregelen te gaan invoeren.

4.3.2

Verder is er in het geval van appellante sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante is vóór 2 juli 2015 onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan gericht op de realisatie van haar melkveebedrijf. Appellante stelt dat zij een leningsovereenkomst heeft gesloten voor een bedrag van € 900.000,- en voor € 155.841,- heeft geïnvesteerd in de uitbreidingsplannen. De staltekeningen dateren van maart 2013. De voor de uitbreiding vereiste omgevingsvergunningen zijn in november 2014 en augustus 2015 verleend en de melding Activiteitenbesluit is in april 2015 aanvaard. De veestapel van appellante was vanwege de vergunningsprocedures op 2 juli 2015 nog niet op het met de investeringen beoogde peil. De investeringen zijn evenwel gericht op het opstarten van een nieuwe melkveebedrijf met 192 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee. Deze bedrijfsomvang is volgens appellante nodig om de gedane investeringen terug te verdienen. Dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een disproportionele last oplevert blijkt volgens appellante uit de door haar overgelegde financiële rapportage van Flynth adviseurs en accountants (Flynth) van 3 september 2018. Verweerder heeft volgens appellante ten onrechte in de 1 EP-toets niet meegenomen dat zij een startend bedrijf is. Verweerder heeft met een uiterst bescheiden motivering het beroep op artikel 1 van het EP afgedaan, zodat ook hier sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

4.4

Appellante heeft verder verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de immateriële schade die voor haar is ontstaan in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder weerspreekt dat in het primaire besluit is uitgegaan van onjuiste dieraantallen. Verweerder is uitgegaan van de op de peildatum aanwezige dieren. Verweerder ziet geen aanleiding om op basis van de door appellante aangeleverde I&R-registratie, van de in het gehele jaar 2015 aanwezige dieren, anders te beslissen. Niet alle hierin genoemde dieren waren op de peildatum aanwezig op het bedrijf van appellante.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante niet aangemerkt kan worden als een nieuw gestart bedrijf, omdat zij niet aan alle cumulatieve voorwaarden van de startersregeling voldoet. Appellante is namelijk niet tussen 1 januari 2014 en 1 januari 2018 gestart met de productie van melk en hield op 1 januari 2018 geen melkvee op haar bedrijf.

5.3.1

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Verweerder heeft onderbouwd gesteld dat sprake is van een overschrijding van het mestproductieplafond en stelt zich op het standpunt dat dit de invoering van het fosfaatrechtenstelsel rechtvaardigt.

5.3.1

Verder betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Verweerder wijst er daarbij op dat appellante de omgevingsvergunning in 2014 heeft verkregen en na de peildatum een Nbw-vergunning heeft verkregen. Appellante heeft in 2015 geïnvesteerd ten behoeve van de realisatie van het melkveebedrijf. Verweerder stelt dat op dat tijdstip het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was, ook omdat al in 2013 is gewaarschuwd dat overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen. Verweerder acht zodoende de investeringsbeslissingen van appellante niet navolgbaar. Appellante is echter vast blijven houden aan de geplande start en forse groei en heeft in 2018 de in 2013 aangegane lening ter beschikking laten stellen. De gevolgen van deze beslissing komen volgens verweerder voor rekening en risico van appellante. Het lag op de weg van appellante om van de uitbetaling van de lening af te zien en daarmee eventuele aanzienlijke financiële consequenties te beperken. Het feit dat appellante niet voldoet aan de startersregeling maakt niet dat daarom al sprake is van een individuele en buitensporige last. Verder is van een bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding niet gebleken. Vertraging bij het verkrijgen van de benodigde vergunningen maakt niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid of dat dit de investeringsbeslissingen navolgbaar maakt.

Beoordeling

6.1

Appellantes verzoek om bij de vaststelling van het aan haar toekomende fosfaatrecht met betrekking tot de dieraantallen rekening te houden met het gehele jaar 2015, kan niet slagen. Artikel 23, derde lid, van de Msw bepaalt immers dat het fosfaatrecht wordt vastgesteld aan de hand van melkvee dat op 2 juli 2015 is gehouden op het bedrijf. Voor het vaststellen van het fosfaatrecht op grond van de dieraantallen over het gehele jaar 2015 bestaat geen wettelijke grondslag.

6.2

Het College is van oordeel dat appellante niet voldoet aan alle cumulatieve voorwaarden van de startersregeling. Appellante is immers niet tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking en zij hield op 1 januari 2018 niet minimaal 15 melk- en kalfkoeien. Alleen al hierom heeft verweerder het beroep van appellante op de startersregeling terecht afgewezen. De wetgever heeft de regeling voor knelgevallen bewust beperkt gehouden, mede om te voorkomen dat de benodigde generieke korting groter zou uitvallen (zie onder meer Kamerstukken II, 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 20). Dat er gevallen zijn waarin, zoals bij appellante, deze regeling nadelig uitpakt, is inherent aan het hanteren van een dergelijke voorwaarden. De regeling laat, geen ruimte om in afwijking van de hetgeen is gesteld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit de startersregeling op haar van toepassing te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.

6.3

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft het College al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Daarin is ook geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel in ieder geval ten doel heeft het milieu en de volksgezondheid te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, waaronder de derogatiebeschikking, en meer in het bijzonder dat de nationale fosfaatproductie beneden het mestproductieplafond wordt gebracht. Deze doelstellingen zijn algemene belangen als bedoeld in artikel 1 van het EP. Voor zover appellante betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel geen noodzakelijke maatregel is om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken faalt deze grond. Het College wijst hiervoor in het bijzonder op rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4, 6.7.3 en 6.7.5.4 van de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291).

6.4

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.5.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.5.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.5.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.5.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat het daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario 4 van het rapport van Flynth) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.5.2 weergegeven en biedt in zoverre enig inzicht in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.5.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 6.5.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 192 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering) en de vastgestelde 219 kg fosfaatrecht, zijnde situatie op 2 juli 2015 (10 stuks jongvee). Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportage, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel (fors) wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 6.5.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.5.6

In dat verband is van belang dat appellante in 2014 het plan heeft opgevat om haar bedrijfsvoering om te schakelen naar een melkveehouderij. Met het oog hierop heeft appellante respectievelijk in oktober 2014 een vvgb voor het houden van138 melk- en kalfkoeien en 87 stuks jongvee en in november 2014 een omgevingsvergunning (bouwen) verkregen. In april 2015 heeft appellante een melding Activiteitenbesluit gedaan voor het houden van 114 melk- en kalfkoeien en 44 stuks jongvee. Appellante heeft gesteld dat zij vóór 2 juli 2015 investeringen heeft gedaan, maar daarvoor geen onderbouwing gegeven. Wat daarvan ook zij, het College acht het in 2014 ingezette plan en investeringen in een omschakeling van een schapenhouderij en zoogkoeienhouderij naar melkveehouderij op dit tijdstip niet navolgbaar. Vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee (in 2007), had het redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Al in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Bovendien beschikte appellante pas na de peildatum van 2 juli 2015 over een Nbw-vergunning voor het houden van 192 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee. Zij is dan ook met de investeringen die op die aantallen waren gericht, op het verkrijgen van een of meer van die vergunningen vooruitgelopen. Het College heeft voor die gevallen geoordeeld dat in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7, onder 5.5, 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.3.2, 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:435, onder 5.5). Dat geldt ook wanneer dat voor de melkveehouder aanzienlijke financiële consequenties heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:406, onder 9.5). Het College ziet geen aanleiding om daar in dit geval van af te wijken. De door appellante gestelde vertraging bij het verkrijgen van de benodigde vergunning komt voor rekening en risico van de ondernemer.
Het College stelt verder vast dat appellante ondanks de op 2 juli 2015 publiekelijk aangekondigde productiebeperkende maatregelen pas in 2018 bij aanvullende overeenkomst het kredietbedrag ter beschikking heeft laten stellen. Wat betreft investeringsverplichtingen die appellante na 2 juli 2015 is aangegaan, behoorde het tot haar verantwoordelijkheid ermee rekening te houden dat het fosfaatrechtenstelsel geen rekening houdt met op 2 juli 2015 onbenutte productieruimte, zodat de gevolgen daarvan voor haar risico komen (zie de uitspraak van het College van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald).

6.5.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

7. Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 20 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ruim 1 jaar en 2 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan appellante.

Slotsom

8.1

Het beroep is ongegrond.

8.2

Het College zal het verzoek om (immateriële) schadevergoeding toewijzen. Gelet hierop bestaat wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze wordt vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder is toe te rekenen, zal verweerder in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen