Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:465

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
20/666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Beëindiging vermelding op de lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen (VIHB-registratie) is gebaseerd op artikel 6 van de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen. Het besluit vindt zijn grondslag in de artikelen 10.45 en 10.55 van de Wmb. Op grond van artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op grond van de artikelen 10.45 en 10.55 van de Wmb. Het College is onbevoegd.

Art 8:6 Awb

Art 2 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak

Art 6 Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen

Art 10.45, vijfde lid en artikel 10.55, vierde lid, van de Wet milieubeheer (Wmb)

Wetsverwijzingen
Wet wegvervoer goederen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/666

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. A.C.M. Brom),

en

Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), verweerster

(gemachtigde: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2020 heeft verweerster de vermelding van appellante op de lijst van vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen (VIHB-registratie) beëindigd.

Bij besluit van 17 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Aanwezig waren de gemachtigde van appellante, bijgestaan door [naam 2] , en de gemachtigde van verweerster, bijgestaan door mr. S. Karouni.

Overwegingen

1. Het College ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of hij bevoegd is om van het beroep van appellante kennis te nemen.

2. Het besluit om de VIHB-registratie te beëindigen, is gebaseerd op artikel 6 van de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen. Deze regeling is gebaseerd op onder meer artikel 10.45, vijfde lid en artikel 10.55, vierde lid, van de Wet milieubeheer (Wmb), waarin criteria zijn gegeven voor de VIHB-registratie. In de derde leden van deze artikelen is bepaald dat een instantie wordt aangewezen die zorg draagt voor vermelding op de lijst van inzamelaars. Op 13 april 2004 is daarvoor verweerster aangewezen (Stcrt. 2004, 78, p. 24).

3. Het gaat om een besluit dat zijn grondslag vindt in de artikelen 10.45 en 10.55 van de Wmb. Op grond van artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van een beroep tegen een besluit op grond van deze artikelen.

4. Het College zal zich daarom onbevoegd verklaren en op grond van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift doorsturen naar de bevoegde bestuursrechter, de Afdeling.

5. Verweerster had onder het bestreden besluit aangegeven dat beroep bij het College kan worden ingesteld. Appellante heeft die rechtsmiddelenverwijzing gevolgd. Dat vormt voor het College aanleiding om verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting). Het College vindt geen aanleiding de kosten voor het indienen van het beroepschrift te vergoeden, nu dit beroepschrift ter behandeling wordt doorgezonden naar de Afdeling.

6. Omdat het College onbevoegd is, is bij het College geen griffierecht verschuldigd. De griffier van het College zal daarom het door appellante betaalde griffierecht terugbetalen.

Beslissing

Het College:

- verklaart zich onbevoegd;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. H.S.J. Albers en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

w.g. H.O. Kerkmeester De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.