Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:464

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
19/1715
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Besluit SDE) terecht afgewezen, omdat in dit geval mag worden aangenomen dat de omgevingsvergunning op 5 april 2019 en dus ná sluiting van de aanvraagtermijn is verleend.

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZK- en LNV-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1715

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigden: G. Köster en J. Ypma),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Besluit SDE) afgewezen.

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 18 maart 2019 een aanvraag om subsidieverlening ingediend (Subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie, ook wel SDE-subsidie) voor het realiseren en exploiteren van een zon-pv-installatie in Brummen. Een aanvraag om SDE-subsidie moet worden afgewezen indien de voor de realisatie van de productie-installatie noodzakelijke vergunningen niet zijn verleend; voor appellante is dat een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit SDE, gelezen in samenhang met artikel 56, zesde lid, van het Besluit SDE en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. De redenen hiervoor zijn dat het gaat om het verkrijgen van meer zekerheid ten aanzien van de realisatie van het project waarvoor een aanvraag is ingediend en de behoefte om wat betreft de eisen die aan een aanvrager worden gesteld zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de systematiek zoals die bij andere financiële instrumenten wordt gehanteerd (zie Stb. 2007, 410, blz. 40-41). De subsidie kon worden aangevraagd tot 4 april 2019, 17:00 uur (artikel 2 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019).

2. Verweerder heeft de aanvraag van appellante om een SDE-subsidie afgewezen, omdat de vereiste omgevingsvergunning op 5 april 2019 en dus ná sluiting van de aanvraagtermijn is verleend.

3. Appellante is het daarmee niet eens. Aan de hand van het verloop van de procedure over de omgevingsvergunning betoogt zij dat de omgevingsvergunning vóór 5 april 2019 is verleend en dat zij deze vergunning om administratief technische redenen pas op 5 april 2019 heeft ontvangen. De gemeenteraad heeft op 24 januari 2019 een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven. Omdat hiertegen vóór 26 maart 2019 geen zienswijzen zijn ingediend, is deze verklaring op 27 maart 2019 definitief geworden. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning is gepubliceerd op 11 februari 2019. Omdat hiertegen evenmin zienswijzen zijn ingediend, is dit besluit op 27 maart 2019 definitief geworden. Op 2 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders vervolgens besloten over de definitieve omgevingsvergunning en de realisatieovereenkomst met Brummen-Energie. De realisatieovereenkomst is op 4 april 2019 getekend. Over het per post verzonden exemplaar van de omgevingsvergunning, gedateerd 5 april 2019, stelt appellante dat sprake is van een omissie van het ambtelijke apparaat. Zij wijst in dit verband op de door haar overgelegde brief van het college van burgemeester en wethouders van 30 april 2019, waarin is gesteld dat de verklaring van geen bedenkingen op 27 maart 2019 definitief is geworden. Volgens appellante is met die verklaring van geen bedenkingen de omgevingsvergunning formeel definitief verleend.

4. Het betoog van appellante slaagt niet. De brief van 5 april 2019, verzonden op 5 april 2019, met als onderwerp – kort gezegd – besluit omgevingsvergunning, betreft het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Hierin staat ook vermeld dat het college van burgemeester en wethouders aan appellante een omgevingsvergunning verlenen. Het College heeft geen aanwijzingen dat deze omgevingsvergunning eerder is verleend dan 5 april 2019. Uit de door appellante overgelegde brief van het college van burgemeester en wethouders blijkt dat in ieder geval niet. Anders dan waarvan appellante uitgaat, volgt uit het feit dat binnen de daartoe gestelde termijn geen zienswijzen tegen de ontwerpverklaring van geen bedenkingen en het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning zijn ingediend niet dat de omgevingsvergunning na ommekomst van die termijn is verleend. Het college van burgemeester en wethouders moest nog een definitief besluit nemen over de omgevingsvergunning. Dat, zoals appellante stelt, sprake was van een omissie in het ambtelijke apparaat betekent niet dat verweerder er niet van mocht uitgaan dat de omgevingsvergunning op 5 april 2019 is verleend. Omdat in dit geval aangenomen mag worden dat de omgevingsvergunning op 5 april 2019 en dus ná sluiting van de aanvraagtermijn is verleend, heeft verweerder de aanvraag van appellante om een SDE-subsidie terecht afgewezen. Voor de opvatting van appellante dat verweerder haar op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid had moeten bieden om de aanvraag aan te vullen, bestaat geen grond. Uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit SDE volgt al dat de SDE-subsidie hier moet worden afgewezen nu de omgevingsvergunning pas ná de sluiting van de aanvraagtermijn is verleend.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr B. Bastein, mr. J.H. de Wildt en mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen