Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:463

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
20/8
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP)

Fosfaatrechten. Het beroep op de startersregeling faalt. Appellante heeft op de betreffende locatie al eerder een melkveebedrijf geëxploiteerd en is dus niet in 2014 gestart met een nieuw melkveebedrijf.

Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met artikel 1 van het EP. Geen individuele en buitensporige last. In dat verband is van belang dat appellante de Nbw-vergunning van december 2014 niet heeft overlegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellante op de peildatum beschikte over alle voor het houden van de gewenste dieraantallen op deze locatie benodigde vergunningen. Gezien de vaste rechtspraak van het College bestaat er onder die omstandigheden in beginsel geen ruimte om te concluderen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Indien appellante op de peildatum al beschikte over alle benodigde vergunningen acht het College, gezien het tijdstip waarop de investeringen (december 2014 en april 2015) zijn gedaan, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren niet navolgbaar. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor de omschakeling van geitenhouderij naar melkveebedrijf is niet gebleken. Dat appellante wilde uitbreiden omdat hij bedrijfsopvolging mogelijk wilde maken, is een ondernemerskeuze en maakt evenmin dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding. Dat de bouwwerkzaamheden in verband met de realisatie van het bedrijf de groei van de veestapel hebben vertraagd, kan niet afdoen aan het oordeel dat de beslissing tot uitbreiding niet navolgbaar is.

Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/8

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint),

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 21 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Bij besluit van 4 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, op verzoek van een landbouwer met een nieuw gestart bedrijf, het fosfaatrecht, bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Msw (de startersregeling).

Ingevolge het tweede lid is een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in het eerste lid, een bedrijf dat aantoonbaar:

a. beschikt over een voor 2 juli 2015 aan de landbouwer verleende omgevingsvergunning voor het oprichten van een bedrijf voor het houden van melkvee of over een voor 2 juli 2015 door de landbouwer ingediende melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer voor het houden van melkvee;

b. onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan voor 2 juli 2015;

c. tussen 1 januari 2014 en 2 juli 2015 is gestart met de productie van melk bestemd voor consumptie of verwerking;

d. op 1 januari 2018 minimaal 15 melk- en kalfkoeien hield als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, onder 1°, van de Msw;

e. geen aanspraak maakt op rechten uit hoofde van artikel 23, vierde lid, van de Msw.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt het verzoek, bedoeld in het eerste lid, voor 1 april 2018 ingediend.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteerde vanaf 1976 een melkveebedrijf. In 2006 is appellante naast het houden van melkvee gestart met het houden van melkgeiten. Vervolgens is appellante in 2009 gestopt met het melken van het melkvee en is al het melkvee afgevoerd. In 2010 is ook het jongvee afgevoerd. In 2014 heeft appellante opnieuw een melkveebedrijf opgericht. Op 5 juni 2014 heeft appellante een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor het houden van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. Op 5 december 2014 heeft appellante een omgevingsvergunning verkregen voor de bouw van een ligboxenstal. Op 30 december 2014 heeft appellante een koopovereenkomst gesloten ten behoeve van de stalinrichting voor € 295.000,-. Appellante heeft op 18 april 2015 een aanneemovereenkomst gesloten voor de ligboxenstal voor € 512.500,-. De bouwwerkzaamheden aan de nieuwe stal waren op de peildatum van 2 juli 2015 nog in volle gang.

2.2

Op 1 april 2013 hield appellante op het bedrijf 0 melk- en kalfkoeien en 128 stuks jongvee en 2400 schapen en geiten. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield appellante op het bedrijf 108 melk- en kalfkoeien en 176 stuks jongvee.

2.3

Appellante heeft in december 2018 in totaal 1.975 kg fosfaatrechten verworven.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.665 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat ten onrechte haar beroep op de startersregeling niet is gehonoreerd. Appellante stelt dat aan alle voorwaarden van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit wordt voldaan. Er is geen sprake van een voortzetting van het oude melkveebedrijf. Appellante hield vanaf 1976 melkvee. In 2006 is gestart met het houden van melkgeiten. Vervolgens is appellante in 2009 gestopt met het melken van het rundvee en is al het melkvee afgevoerd. In 2010 is ook het jongvee afgevoerd en is het melkveebedrijf volledig ontmanteld. In 2014 zijn de nieuwe vergunningen verkregen. Deze vergunningen zien weliswaar op een bestaand agrarisch bedrijf, maar niet op een bestaand melkveebedrijf. Zodoende is er sprake van een nieuw gestart bedrijf.

4.2.1

Appellante voert aan dat het fosfaatrechtenstelsel het ongestoord genot van haar eigendom aantast omdat het veehouders dwingt zich te ontdoen van runderen die zij in eigendom hebben. Het stelsel kan de ‘fair balance’ toets niet doorstaan, omdat niet is voldaan aan de onderzoeksverplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van het EP. Appellante stelt ook de noodzaak van de maatregelen van het fosfaatrechtenstelsel ter discussie. Niet is volgens appellante gebleken dat het behoud van derogatie noodzakelijk is om aan de Nitraatrichtlijn te voldoen. Ook was het stelsel niet voorzienbaar. Pas voor het eerst bij de brief van 2 juli 2015 heeft verweerder kenbaar gemaakt beperkende maatregelen te gaan invoeren.

4.2.2

Verder is er in het geval van appellante sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante is vóór 2 juli 2015 onomkeerbare investeringsverplichtingen aangegaan gericht op realisatie van haar melkveebedrijf. De voor de uitbreiding vereiste omgevingsvergunning en vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) voor het houden van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee zijn volgens appellante in december 2014 verleend. Op de peildatum van 2 juli 2015 was de nieuwe stal nog niet gereed. De veestapel van appellante was vanwege de bouwwerkzaamheden op 2 juli 2015 nog niet op het met de investeringen beoogde peil. De investeringen zijn evenwel gericht op het opstarten van een nieuwe melkveebedrijf met 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee met het oog op bedrijfsopvolging. Deze bedrijfsomvang is volgens appellante nodig om de gedane investeringen terug te verdienen. Dat het fosfaatrechtenstelsel voor haar een disproportionele last oplevert blijkt volgens appellante uit de door haar overgelegde financiële rapportage van ABAB accountants en adviseurs (ABAB) van 3 september 2018. Verweerder heeft volgens appellante ten onrechte in de 1 EP-toets de bijzondere omstandigheden niet meegenomen. Verweerder heeft met een uiterst bescheiden motivering het beroep op artikel 1 EP afgedaan, zodat ook sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek.

4.3

Appellante heeft verder verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de immateriële schade die voor haar is ontstaan in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellante niet kan worden aangemerkt als een nieuw gestart bedrijf omdat zij niet voldoet aan alle cumulatieve voorwaarden uit de startersregeling. Appellante exploiteerde tot 2009 een melkveebedrijf, daarmee staat vast dat appellante voor 1 januari 2014 is gestart met de productie van melk op haar bedrijf. De situatie dat appellante van 2009 tot 2015 geen melk heeft geproduceerd maakt niet dat zij kan worden aangemerkt als starter. Een bestaand bedrijf dat omschakelt kan niet op een lijn worden gesteld met een nieuw gestart bedrijf. Appellante heeft weliswaar de exploitatie veranderd, maar niet een nieuw bedrijf opgericht.

5.2.1

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Verweerder heeft onderbouwd gesteld dat sprake is van een overschrijding van het mestproductieplafond en stelt zich op het standpunt dat dit de invoering van het fosfaatrechtenstelsel rechtvaardigt.

5.2.2

Verder betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Verweerder wijst er daarbij op dat appellante in 2015 is gestart met de bouw van de stal. Verweerder stelt dat op dat tijdstip het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was, ook omdat al in 2013 is gewaarschuwd dat overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen. Verweerder acht zodoende de investeringsbeslissingen van appellante niet navolgbaar. Appellante is echter vast blijven houden aan de geplande omschakeling en heeft de bouwwerkzaamheden uitgevoerd. De gevolgen van deze beslissingen komen volgens verweerder dan ook voor rekening en risico van appellante. Verder is van een bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding niet gebleken. Dat appellante wilde uitbreiden in verband met bedrijfsopvolging maakt niet dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding. Verweerder stelt dat bovendien niet is gebleken dat de forse uitbreiding van 0 melk- en kalfkoeien en 139 stuks jongvee in 2013 naar de vergunde 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee noodzakelijk was voor de bedrijfopvolging en om het bedrijf technisch en financieel onafhankelijk te maken. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende in gemotiveerd.

Beoordeling

6.1

Het College is van oordeel dat appellante niet voldoet aan alle cumulatieve voorwaarden van de startersregeling. Immers, appellante heeft op de betreffende locatie al eerder een melkveebedrijf geëxploiteerd en is dus niet in 2014 gestart met een nieuw melkveebedrijf. Alleen al hierom heeft verweerder het beroep van appellante op de startersregeling terecht afgewezen. De wetgever heeft de regeling voor knelgevallen bewust beperkt gehouden, mede om te voorkomen dat de benodigde generieke korting groter zou uitvallen (zie onder meer Kamerstukken II, 2015-2016, 34 532, nr. 3, p. 20). Dat er gevallen zijn waarin, zoals bij appellante, deze regeling nadelig uitpakt, is inherent aan het hanteren van dergelijke voorwaarden. De regeling laat geen ruimte om in afwijking van hetgeen is gesteld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit de startersregeling op haar van toepassing te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.

6.2

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft het College al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Daarin is ook geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel in ieder geval ten doel heeft het milieu en de volksgezondheid te beschermen en te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn, waaronder de derogatiebeschikking, en meer in het bijzonder dat de nationale fosfaatproductie beneden het mestproductieplafond wordt gebracht. Deze doelstellingen zijn algemene belangen als bedoeld in artikel 1 van het EP. Voor zover appellante betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel geen noodzakelijke maatregel is om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken faalt deze grond. Het College wijst hiervoor in het bijzonder op rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.4, 6.7.3 en 6.7.5.4 van de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291).

6.3

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.4.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.4.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.4.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.4.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat het daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht (in dit geval scenario C van het rapport van ABAB) aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 6.4.2 weergegeven en biedt in zoverre enig inzicht in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder.

6.4.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 6.4.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks (zijnde de beoogde bedrijfsvoering aan de hand van de melding Activiteitenbesluit) en de vastgestelde 6.665 kg fosfaatrecht, zijnde de situatie op 2 juli 2015 (108 melk- en kalfkoeien en 176 stuks jongvee). Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportage, wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel (stevig) financieel wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 6.4.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.4.6

In dat verband is van belang dat appellante de Nbw-vergunning van december 2014 niet heeft overlegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellante op de peildatum beschikte over alle voor het houden van de gewenste dieraantallen op deze locatie benodigde vergunningen. Gezien de vaste rechtspraak van het College, zoals de uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.11.3), bestaat er onder die omstandigheden in beginsel geen ruimte om te concluderen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP, ook wanneer dat voor de melkveehouder aanzienlijke financiële consequenties heeft. Indien appellante op de peildatum al beschikte over alle benodigde vergunningen acht het College, gezien het tijdstip waarop de investeringen (december 2014 en april 2015) zijn gedaan, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor de omschakeling van een geitenhouderij naar een melkveebedrijf is niet gebleken. Dat appellante wilde uitbreiden omdat hij bedrijfsopvolging mogelijk wilde maken, is een ondernemerskeuze en maakt evenmin dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:572). Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Al in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Door voor uitbreiding te kiezen op dat moment heeft appellante het risico genomen dat productiviteitsmaatregelen zijn beoogde bedrijfsvoering (deels) zouden belemmeren. Dat de bouwwerkzaamheden in verband met de realisatie van het bedrijf de groei van de veestapel hebben vertraagd, kan niet afdoen aan het oordeel dat de beslissing tot uitbreiding niet navolgbaar is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het College aan een beoordeling van de door appellante overgelegde rapportage niet toe.

6.4.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

6.4.8

Voor het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd is geen aanleiding.

7. Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 14 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ruim 1 jaar en 2 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 1.500,- (immateriële) schadevergoeding. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan appellante.

Slotsom

8.1

Het beroep is ongegrond.

8.2

Het College zal het verzoek om (immateriële) schadevergoeding toewijzen. Gelet hierop bestaat wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. Deze wordt vastgesteld op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerder is toe te rekenen, zal verweerder in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 1.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen