Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:459

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
19/1442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Het fosfaatrecht op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 was echter niet 5% lager dan op de alternatieve peildatum, zodat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van de knelgevallenregeling. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het aantal dieren op de peildatum en de dierziekte onder de dieren van appellante.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1442

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te Suwâld, appellante

(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 28 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden verbouwing en een melding bijzondere omstandigheden dierziekte en ziekte ondernemer van appellante ontvangen.

Bij besluit van 1 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 mei 2019 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, dat besluit vervangen door het vervangingsbesluit en het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het vervangingsbesluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2021. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

1.3

Op grond van artikel 33Ab van de Msw kan bij algemene maatregel van bestuur een percentage worden vastgesteld waarmee het fosfaatrecht wordt verminderd, indien dit noodzakelijk is voor de naleving van een verplichting op grond van een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie (generieke korting of afroming). Ingevolge artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) wordt het fosfaatrecht verminderd met 8,3%. Het tweede lid van deze bepaling bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op een bedrijf waarvan de productie van dierlijke meststoffen door melkvee in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015, verminderd met de fosfaatruimte in dat kalenderjaar, negatief of nul is. Het derde lid van deze bepaling bepaalt dat bij de toepassing van het percentage, bedoeld in het eerste lid, het fosfaatrecht slechts verminderd wordt voor zover een gehele uitoefening van het fosfaatrecht de fosfaatruimte in het kalenderjaar 2015 van dat bedrijf te boven gaat.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellante 161 melk- en kalfkoeien en 154 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.727 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het vervangingsbesluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellante verhoogd naar 7.830 kg als gevolg van ophoging van de melkproductie.

Beroepsgronden

4. Appellante voert in beroep aan dat verweerder haar beroep op de knelgevallenregeling ten onrechte heeft afgewezen. In dat kader voert appellante allereerst aan dat een deel van haar veestapel in 2015 besmet was met salmonella. Als gevolg hiervan zijn op last van Friesland Campina vele dieren geruimd. Verder voert appellante aan dat op het bedrijf sprake was van gezondheidsproblemen bij één van de werknemers ( [naam 3] ) waardoor minder koeien konden worden gemolken. Vanwege de dierziekte en de gezondheidsproblemen zijn er volgens appellante in 2015 minder dieren gehouden. Volgens appellante stelt verweerder zich verder ten onrechte op het standpunt dat het bedrijf van appellante niet grondgebonden is. Inmiddels is het bedrijf grondgebonden. Er zijn vele andere melkveehouderijen waarbij in 2015 geen generieke korting werd toegepast en inmiddels niet meer grondgebonden zijn.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de knelgevallenregeling op een juiste wijze heeft toegepast en het beroep op de knelgevallenregeling terecht heeft afgewezen. Ten aanzien van de bijzondere omstandigheid ziekte ondernemer overweegt verweerder dat appellante niet aan de 5%-drempel voldoet. Appellante had op de peildatum van 2 juli 2015 meer melkvee dan op de aangegeven alternatieve peildatum van 18 maart 2015. Bij de beoordeling van een beroep op de knelgevallenregeling wordt geen rekening gehouden met een hypothetische situatie op 2 juli 2015. Ten aanzien van de bijzondere omstandigheid dierziekte overweegt verweerder dat appellante niet heeft aangetoond dat er sprake is van causaal verband tussen de bijzondere omstandigheid enerzijds en het lagere aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 anderzijds. Appellante heeft onvoldoende aangetoond dat er in 2015 sprake was van een salmonellabesmetting op haar bedrijf. Voor zover appellante in beroep aanvoert dat zij inmiddels weer grondgebonden is, heeft verweerder uiteengezet dat wordt gerekend met de op de peildatum van 2 juli 2015 bij verweerder bekend zijnde gegevens. Hieruit blijkt dat appellante op de peildatum niet grondgebonden was en dat de generieke korting terecht is toegepast.

Beoordeling

6.1

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Hiertoe overweegt het College als volgt. Appellante heeft aangevoerd dat sprake was van gezondheidsproblemen bij één van de werknemers waardoor minder koeien konden worden gemolken. Het fosfaatrecht op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 was echter niet 5% lager dan op de alternatieve peildatum, zodat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van de knelgevallenregeling. In dit verband wijst het College op de omstandigheid dat appellante op de peildatum van 2 juli 2015 de beschikking had over meer melkvee dan op de aangegeven alternatieve peildatum van 18 maart 2015. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt daarbij geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum. Voor zover appellante aanvoert dat zij tevens te maken heeft gehad met dierziekte onder haar melkvee overweegt het College als volgt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder ook ten aanzien van de gestelde dierziekte een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het aantal dieren op de peildatum en de dierziekte onder de dieren van appellante. De bewijslast om aan te tonen dat, zoals appellante betoogt, de dierziekte noopte tot een vermindering van het aantal stuks melkvee ligt bij appellante. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante in dat bewijs niet is geslaagd. Appellante heeft niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat er in 2015 sprake was van een salmonellabesmetting op haar bedrijf.

6.2

Op grond van artikel 72b, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm) wordt het fosfaatrecht verlaagd met een generieke korting van 8,3%. Die korting wordt op grond van artikel 72b, tweede lid, van het Ubm niet toegepast als, kort gezegd, de mestproductie door melkvee in 2015 minder was dan de fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Het gaat daarbij dus om een uitzondering op de hoofdregel. Het is aan appellante om het bewijs bij te brengen dat haar melkvee in 2015 minder mest produceerde dan haar fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Uit de bij verweerder bekend zijnde gegevens is gebleken dat appellante op de peildatum van 2 juli 2015 niet grondgebonden was. De gestelde omstandigheid dat appellante inmiddels weer grondgebonden is doet hier niet aan af. Verweerder heeft de generieke korting dan ook terecht toegepast.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te onderteken.