Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:443

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
19/1316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet dieren. Besluit houders van dieren. Last onder dwangsom om voederautomaten bij apen te verwijderen. Geen procesbelang. Beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1316

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2021 in de zaak tussen

[naam 1] B.V. h.o.d.n. [naam 2], te [plaats 1] , appellante

(gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de artikelen 4.6, 4.7 en 4.8 van het Besluit houders van dieren (Bhd).

Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de zijde van appellante zijn voorts verschenen [naam 3] en [naam 4] . Van de zijde van verweerder zijn voorts verschenen mr. N.N.A. Alam en J.J.J. Jansen Msc.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Appellante exploiteert te [plaats 2] een themapark met verschillende soorten dieren, attracties en tuinen. Voor het exploiteren van een dierentuin beschikt zij over een vergunning (vergunning Dierentuin/2002/033) als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Bhd.

3. Op 7 januari 2019 heeft de Visitatiecommissie Dierentuinen (VCD) bij appellante een visitatie uitgevoerd. Dit gebeurde in het kader van de advisering aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over een aanvraag van appellante voor wijziging van de dierentuinvergunning. Tijdens de visitatie is waargenomen dat zich bij de kapucijnapen en de ringstaartmaki’s voederautomaten bevinden, met behulp waarvan het publiek voedsel kan kopen en aan deze dieren kan voeren. In haar advies van 6 februari 2019 heeft de VCD onder meer de aanbeveling gedaan deze automaten te verwijderen. Bij brief van eveneens 6 februari 2019 heeft de voorzitter van de VCD de teammanager Handhaving Dier, Natuur en Handhavingsregie van RVO geattendeerd op de aanwezigheid van voederautomaten bij de kapucijnapen en de ringstaartmaki’s en toegelicht waarom hij van mening is dat het voeren van deze dieren door het publiek niet past bij een moderne dierentuin en de voederautomaten zouden moeten worden verwijderd. Bij brief van 19 februari 2020 heeft de voorzitter van de VCD op verzoek van RVO de wetenschappelijke inzichten waarop zijn melding stoelt nader onderbouwd.

4. Op 28 maart 2019 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) naar aanleiding van een inspectieverzoek van RVO van 8 maart 2019 een inspectie uitgevoerd bij appellante. De bevindingen van de toezichthouders zijn opgenomen in een inspectierapport van 1 april 2019. Naar aanleiding hiervan heeft RVO bij brief van 16 april 2019 aan appellante meegedeeld dat zij met het in haar dierentuin plaatsen van twee door bezoekers te gebruiken voederautomaten handelt in strijd met de Wet dieren en haar vergunning Dierentuin/2002/033 en dat gelet hierop het voornemen bestaat haar een last onder dwangsom op te leggen. Appellante heeft bij brief van 3 juni 2019 haar zienswijze op dit voornemen gegeven.

5. Bij het primaire besluit van 8 juli 2019 heeft verweerder appellante gelast om uiterlijk op 15 juli 2019 de voederautomaten bij de kapucijnapen en de ringstaartmaki’s te verwijderen, bij gebreke waarvan zij per geconstateerde overtreding een dwangsom verbeurt van € 250,-, gerekend vanaf 15 juli 2019, met een maximum van € 1.500,-, voor elke week dat zij de voederautomaten niet heeft verwijderd. Bij brief van 10 juli 2019 heeft RVO aan appellante meegedeeld dat tijdens een inspectie van de NVWA op 8 juli 2019 is gebleken dat zij de twee voederautomaten heeft verwijderd en daarmee aan de opgelegde last onder dwangsom heeft voldaan.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen, samengevat, dat appellante het plaatsen van de voederautomaten ter goedkeuring aan hem had moeten voorleggen. Het voeren van primaten door publiek (op de wijze zoals dat bij appellante plaatsvindt) is naar zijn mening in strijd met de artikelen 4.4, 4.7, eerste lid, aanhef en onder c, en 4.8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bhd.

7.1

Appellante heeft – voor zover hier van belang – aangevoerd dat de aanwezigheid van de voederautomaten een goede invloed heeft op het gedrag van de betrokken primaten onderling en het gedrag naar het publiek door de geleidelijke verstrekking van voor de soort geschikt voedsel gedurende de dag. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het (foerageer)gedrag van de dieren door de aanwezigheid van de voederautomaten negatief wordt beïnvloed. Voorts wordt bij de verstrekking van het voedsel aan de dieren via de voederautomaten voldoende rekening gehouden met de individuele behoeften van de betrokken dieren.

7.2

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

8. Ter zitting van het College is gebleken dat appellante de voederautomaten, niet lang nadat zij aan de last onder dwangsom had voldaan, heeft teruggeplaatst. Het van de ene op de andere dag verwijderen van de automaten leidde tot agressief gedrag en gewelddadigheden tussen (groepen) dieren, met (zware) verwondingen en zelfs een dood dier tot gevolg. De sociale verhoudingen raakten als gevolg van het plotseling wegvallen van deze voedselbron zodanig sterk verstoord dat appellante (groepen) dieren – mogelijk permanent – van elkaar heeft moeten scheiden. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij ervan op de hoogte is dat appellante de oude situatie heeft hersteld. Hij betreurt dat het nakomen van de last zulke dramatische gevolgen heeft gehad, maar had dit niet voorzien. De beslissing van appellante om de voederautomaten terug te plaatsen, heeft volgens verweerder verder geen gevolgen, omdat het dwangsombesluit door de gebrekkige formulering van de last meteen na nakoming van de last was uitgewerkt. In de last onder dwangsom was namelijk niet opgenomen dat appellante de voederautomaten ook verwijderd moest houden.

9. Voordat het College tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil kan komen, dient hij ambtshalve de ontvankelijkheid van het door appellante ingestelde beroep te beoordelen. Als vereiste voor de ontvankelijkheid geldt dat de partij die beroep instelt daarbij voldoende procesbelang heeft.

10. Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 31 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:110) is alleen sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat met het indienen van bezwaar of beroep wordt nagestreefd, ook daadwerkelijk met het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener daarvan een feitelijke betekenis kan hebben en niet alleen een hypothetische. Voorts heeft een appellant alleen procesbelang als zijn beroep hem in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen (zie het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878). Het is tevens vaste jurisprudentie dat het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel bij toekomstige (terugkerende) besluiten kan worden betrokken (zie onder meer de uitspraak van het College van 19 juni 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ0699).

11. Het College is van oordeel dat appellante geen procesbelang meer heeft. Door het terugplaatsen van de voederautomaten heeft appellante de situatie eigenhandig hersteld naar de situatie van voor de verwijdering van de voederautomaten. Gelet op de beperkte formulering van de last onder dwangsom – appellante moest de voederautomaten verwijderen, maar niet verwijderd houden – heeft het terugplaatsen van de voederautomaten door appellante geen gevolgen. Verweerder heeft dit ter zitting ook erkend. Met het beroep kan appellante feitelijk dan ook niet meer bereiken dan zij door haar handelen na 8 juli 2019 al heeft bereikt.

12. Ter zitting van het College heeft appellante verklaard dat volgens haar nog een belang is gelegen in toekomstige besluitvorming, in die zin dat naar haar mening voorkomen moet worden dat verweerder in een situatie als deze op deze wijze dit handhavingsinstrument zal inzetten. Een ander belang heeft appellante niet gesteld. Het College stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij weliswaar van mening blijft dat voederautomaten, zoals bij appellante in gebruik, niet passen bij een moderne dierentuin, maar dat hij, gezien de gevolgen die het dwangsombesluit van 8 juli 2019 heeft gehad, niet opnieuw door middel van dit handhavingsinstrument zal proberen appellante tot beëindiging van deze toestand te brengen. Het College gaat gelet op deze verklaring van verweerder ervan uit dat van een toekomstig (terugkerend) besluit in de hiervoor bedoelde zin wat appellante betreft geen sprake zal zijn. Voor zover appellante doelt op toekomstige besluiten ten aanzien van andere dierentuinen, wijst het College erop dat het procesbelang ontbreekt als het belang alleen is gelegen in het creëren van duidelijkheid in verband met andere toekomstige besluiten ten aanzien van anderen dan appellante (zie het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6736).

13. De slotsom is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het College komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.

De voorzitter is verhinderd de De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen