Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:435

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
19/1844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde en zesde lid, Meststoffenwet.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van 23, zesde lid, van de Msw terecht niet heeft gehonoreerd, omdat de ziekte van één van de maten niet heeft geleid tot het lager vastgestelde aantal fosfaatrechten op de peildatum. De bewijslast hiervan rust op appellante. Uit de door verweerder overgelegde I&R-overzichten en de daarop gebaseerde grafiek valt af te leiden dat na een gestage stijging van 193 dieren op 1 januari 2007 tot 248 dieren op 1 januari 2011, het dieraantal gemiddeld op 238-240 dieren lag tot de peildatum. Verweerder heeft met de grafiek inzichtelijk gemaakt dat na 1 oktober 2014 geen daling in de dieraantallen heeft plaatsgevonden die de conclusie van een causaal verband tussen de ziekte en het aantal dieren op de peildatum rechtvaardigt. Dat appellante, zoals ter zitting is toegelicht, destijds hulp heeft gekregen van de andere maten en van haar werknemers om de bedrijfsvoering normaal te laten verlopen, waardoor er geen plotselinge daling in de dieraantallen is geweest, is wellicht een verklaring voor het uitblijven van een daling, maar onderbouwt het vereiste causaal verband tussen de ziekte en de dieraantallen op de peildatum niet. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het eerder genoemde causaal verband, waarmee appellante niet voldoet aan een van de cumulatieve voorwaarden van de knelgevallenregeling. Het beroep slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1844

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4], te [plaats] , appellante,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 31 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Bij besluit van 16 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021. Namens appellante is verschenen haar maat [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is (de 5%-drempel) door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij in [plaats] en bestaat uit de maten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

2.2

[naam 3] kampt sinds 2007 met gezondheidsklachten. In verband met reumatische klachten heeft hij zich in 2011 bij zijn huisarts gemeld. Vanaf 2012 is [naam 3] voor deze klachten behandeld door een reumatoloog. Op 5 juli 2012 en op 1 augustus 2012 is hij voor respectievelijk 80% en 75% arbeidsongeschikt verklaard door een arbeidsdeskundige. In 2013 heeft hij een bedrijfsongeluk gehad waarna zijn gezondheidsklachten zijn verergerd. In 2014 is hij voor 70 % arbeidsongeschikt verklaard.

2.3

Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 128 melk- en kalfkoeien en 116 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.082 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren en een gemiddelde melkproductie van 7.729 kg.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.274 kg, omdat de melkproductie in 2015 hoger was dan waarvan in het primaire besluit is uitgegaan. Verweerder is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren en een gemiddelde melkproductie van 8.174 kg. In het bestreden besluit heeft verweerder het beroep van appellante op de knelgevallenregeling met betrekking tot ziekte van een ondernemer en dierziekte afgewezen, omdat de 5%-drempel in beide gevallen niet wordt gehaald. Daarnaast heeft verweerder het verzoek van appellante om aangemerkt te worden als een nieuw gestart bedrijf afgewezen, omdat appellante aan geen van de voorwaarden gesteld in artikel 72, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit voldoet. Verweerder heeft verder gesteld dat er in dit geval geen sprake is van een individuele en buitensporige last.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte haar beroep op de knelgevallenregeling wegens ziekte heeft afgewezen. Sinds 2007 kampt [naam 3] met gezondheidsklachten. Na een bedrijfsongeluk in 2013 zijn deze klachten erger geworden. Hierdoor werd hij genoodzaakt minder intensief op het bedrijf te werken en zijn er vanaf oktober 2014 minder dieren op het bedrijf van appellante gehouden. Daarna heeft appellante haar bedrijfsvoering aangepast door meer melk- en kalfkoeien te houden en extra werknemers in loondienst aan te nemen die ondersteunende taken konden verrichten. Dit was noodzakelijk, zodat [naam 3] zijn werkzaamheden kon volhouden en hij een meer coördinerende rol kon gaan vervullen. Verweerder is bij het hanteren van de alternatieve peildatum van 1 oktober 2014 van onjuiste dieraantallen uitgegaan. Zoals ook uit het door verweerder overgelegde overzicht van het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R-systeem) volgt, hield appellante op 1 oktober 2014 143 melk- en kalfkoeien, 38 stuks jongvee jonger dan één jaar en 64 stuks jongvee ouder dan één jaar op haar bedrijf. Dat is 1 melkkoe en 2 stuks jongvee meer dan waar verweerder vanuit is gegaan. Dan voldoet appellante wel aan de 5%-drempel. Ook wanneer wordt gekeken naar 2 oktober 2014 of naar de daggemiddelden van 2, 3, 4 en 7 oktober als alternatieve peildata voldoet appellante wel aan de 5%-drempel.

4.2

Ter zitting betoogt appellante dat zij alsnog een beroep wil doen op de knelgevallenregeling in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw wegens dierziekte en op de knelgevallenregeling in de zin van artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Msw, omdat in haar geval sprake zou zijn van een nieuw gestart bedrijf. Ook voert zij ter zitting aan dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Hij betwist niet dat in het geval van appellante sprake is geweest van ziekte van een ondernemer. Verweerder heeft de alternatieve peildatum 1 oktober 2014 gehanteerd, omdat dat de dag is waarop appellante naar haar eigen stellingen is begonnen met het afvoeren van dieren. Zodoende heeft verweerder de gegevens op de peildatum 2 juli 2015 vergeleken met, op verzoek van appellante, de melkproductiegegevens van 2014, en de dieraantallen op 1 oktober 2014. Op 2 juli 2015 is het fosfaatrecht zonder generieke korting 7.273,3 kg, terwijl op basis van de gegevens op 1 oktober 2014 (met 142 melk- en kalfkoeien, 35 stuks jongvee jonger dan één jaar en 65 stuks jongvee ouder dan één jaar en een gemiddelde melkproductie in 2014 van 8.140 kg) het fosfaatrecht zonder generieke korting op 7.623,5 kg uitkomt. Appellante voldoet daarmee niet aan de 5%-drempel. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante het causale verband tussen het lagere aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 en zijn ziekte niet heeft aangetoond. De alternatieve peildatum van 1 oktober 2014 illustreert niet de stelling van appellante dat vanaf dat moment in verband met de ziekte van [naam 3] dieren zijn afgevoerd. Hetzelfde geldt voor de andere dagen in oktober 2014 die door appellante zijn voorgesteld als alternatieve peildata. Uit de overzichten van het I&R-systeem en uit de daarop gebaseerde grafiek met het verloop van de dieraantallen in de periode van 2007 tot en met 2020 volgt dat de dieraantallen op het bedrijf van appellante fluctueren. De schommelingen vinden die hele periode plaats en maken daarmee onderdeel uit van de normale bedrijfsvoering van appellante.

5.2

Tot slot acht verweerder de ter zitting aangevoerde beroepsgronden ten aanzien van de knelgevallenregeling wegens dierziekte en nieuw gestart bedrijf en het beroep op een individuele en buitensporige last tardief.

Beoordeling

6.1

De door appellante ter zitting van het College voor het eerst aangevoerde beroepsgronden betreffende de knelgevallenregeling wegens dierziekte en nieuw gestart bedrijf evenals de beroepsgrond dat op haar een individuele en disproportionele last rust, acht het College tardief en in strijd met de goede procesorde, temeer nu niet valt in te zien waarom deze beroepsgronden niet eerder aangevoerd hadden kunnen worden.

6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 3] sinds 2007 kampt met gezondheidsproblemen. Het College stelt vast dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over het hanteren van 1 oktober 2014 als alternatieve peildatum wegens ziekte van [naam 3] . Ter zitting heeft verweerder erkend dat hij van onjuiste dieraantallen op die alternatieve peildatum is uitgegaan en dat appellante na de correctie van de dieraantallen voldoet aan de 5%-drempel. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder het beroep van appellante op de knelgevallenregeling van 23, zesde lid, van de Msw terecht niet heeft gehonoreerd, omdat de ziekte van [naam 3] niet heeft geleid tot het lager vastgestelde aantal fosfaatrechten op de peildatum. De bewijslast hiervan rust op appellante. Uit de door verweerder overgelegde I&R-overzichten en de daarop gebaseerde grafiek valt af te leiden dat na een gestage stijging van 193 dieren op 1 januari 2007 tot 248 dieren op 1 januari 2011, het dieraantal gemiddeld op 238-240 dieren lag tot de peildatum. Verweerder heeft met de grafiek inzichtelijk gemaakt dat niet is gebleken dat na 1 oktober 2014 een daling in de dieraantallen heeft plaatsgevonden die de conclusie van een causaal verband tussen de ziekte en het aantal dieren op de peildatum rechtvaardigt. Dat appellante, zoals ter zitting is toegelicht, destijds hulp heeft gekregen van de andere maten en van haar werknemers om de bedrijfsvoering normaal te laten verlopen, waardoor er geen plotselinge daling in de dieraantallen is geweest, is wellicht een verklaring voor het uitblijven van een daling, maar onderbouwt het vereiste causaal verband tussen de ziekte en de dieraantallen op de peildatum niet. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het eerder genoemde causaal verband, waarmee appellante niet voldoet aan een van de cumulatieve voorwaarden van de knelgevallenregeling. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

7.1

Nu verweerder bij de beoordeling van het beroep van appellante op de knelgevallenregeling is uitgegaan van onjuiste dieraantallen op de alternatieve peildatum, staat vast dat het bestreden besluit in zoverre niet met de beoogde zorgvuldigheid tot stand is gekomen en in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. Hoewel appellante na correctie van de dieraantallen op de alternatieve peildatum weliswaar voldoet aan de 5%-drempel, zal het College dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren. Appellante kan immers, gelet op hetgeen is overwogen onder 6.2, geen geslaagd beroep doen op de knelgevallenregeling. Het is zodoende aannemelijk dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

7.2

In dat gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2021.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen te ondertekenen