Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:416

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
20/138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; Gecombineerde opgave te laat ingediend; geen overmacht

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

[curator] , kantoorhoudend te [plaats] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van maatschap [naam 1] en [naam 2], appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van maatschap [naam 1] en [naam 2] (de maatschap) om uitbetaling van de betalingsrechten (basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 13 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de Gecombineerde opgave 2019 van de maatschap, waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling verzocht, op 11 oktober 2019 ontvangen.

2. In het primaire besluit heeft verweerder de in de Gecombineerde opgave gedane aanvraag van de maatschap afgewezen, omdat appellant de aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant voert aan dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waardoor de Gecombineerde opgave van de maatschap niet tijdig kon worden ingediend. De maatschap is failliet verklaard en hij beschikte (als curator) niet over de benodigde inloggegevens. Ook stelt appellant dat hij niet juist en onvolledig is geïnformeerd door verweerder. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst appellant op de volgende omstandigheden. Verweerder heeft nagelaten om de boedel uit te nodigen voor het doen van de Gecombineerde opgave 2019. Daarnaast heeft verweerder, nadat appellant op 15 mei 2019 per e-mail heeft verzocht om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling van de maatschap, het verkeerde machtigingsformulier opgestuurd en daarbij niet aangegeven dat een eHerkenning met een verhoogd betrouwbaarheidsniveau is vereist voor het inloggen op mijn.rvo.nl. Appellant heeft vervolgens onmiddellijk deze eHerkenning aangevraagd, maar het heeft enige tijd geduurd voordat hij dit heeft verkregen. Na bestudering van het elektronisch formulier bleek de materie dusdanig complex te zijn, dat appellant niet zelf de Gecombineerde opgave kon indienen. Hij heeft vervolgens direct een externe deskundige ingeschakeld, die de Gecombineerde opgave op 11 oktober 2019 heeft ingediend. Tot slot stelt appellant dat het beroep op overmacht niet te laat is ingediend, omdat hij verweerder op 15 mei 2019 al heeft gewezen op de uitzonderlijke omstandigheden, namelijk het faillissement en het ontbreken van de inloggegevens.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat geen sprake is een (tijdige) melding overmacht. Uit de e-mail van appellant van 15 mei 2019 kan niet worden afgeleid dat het voor appellant onmogelijk was om de Gecombineerde opgave 2019 binnen de daarvoor geldende (kortings-)periode in te dienen. Voorts is evenmin sprake van abnormale of bijzondere omstandigheden die maken dat appellant niet in staat was om de Gecombineerde opgave tijdig in te dienen. Verweerder stelt in dit verband dat de maatschap en haar afzonderlijke maten reeds op 19 december 2018 failliet zijn verklaard. Een faillissement is volgens verweerder niet aan te merken als een overmachtssituatie. Gezien het tijdsverloop tussen het faillissement van de maatschap en de uiterste indieningsdatum van de Gecombineerde opgave 2019, heeft appellant bijna vijf maanden de tijd gehad om zich een beeld te vormen van het faillissement en de mogelijkheden om extra inkomsten te vergaren voor de boedel door het indienen van een verzoek om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van de maatschap. Dit tijdsverloop is (ook) ruimschoots voldoende om een gemachtigde in te schakelen die namens appellant tijdig de Gecombineerde opgave kon indienen. Door de opgave pas op 15 mei 2019 – en niet via het daarvoor beschikbaar gestelde (elektronisch) formulier – te doen, kan niet worden gesproken van een situatie die “ondanks alle mogelijke voorzorgen” niet vermeden had kunnen worden. Dat appellant geen uitnodiging heeft ontvangen voor het doen van deze opgave, doet daaraan volgens verweerder niet af. Het is algemeen bekend binnen de agrarische sector dat jaarlijks op 15 mei de Gecombineerde opgave (ook wel bekend als de mei-telling) moet worden gedaan. Ook van appellant als curator in het faillissement van een agrarisch bedrijf mag worden verondersteld dat hij daarvan op de hoogte is. Te meer, nu met het doen van de Gecombineerde opgave inkomsten voor de boedel kunnen worden gegenereerd. Verweerder merkt verder nog op dat, indien het College van oordeel is dat sprake is van overmacht, dit niet automatisch betekent dat appellant aanspraak kan maken op de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019. Nu de maatschap op 20 december 2018 is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, twijfelt verweerder of wordt voldaan aan het vereiste dat de aanvrager een actieve landbouwer is. Tot slot betwist verweerder dat sprake is van een onjuiste informatieverstrekking. Op de website van verweerder staat een duidelijke uitleg over de Gecombineerde opgave en de wijze van indiening. In een interactieve instructievideo wordt stap voor stap uitgelegd wat er benodigd is en hoe moet worden ingelogd. Ook is geen onjuiste machtiging verstrekt, aldus verweerder.

5. Niet in geschil is, en ook het College gaat hiervan uit, dat de aanvraag niet uiterlijk op 15 mei 2019 is ingediend, en dat ten tijde van het indienen van de aanvraag op 11 oktober 2019 de zogeheten kortingsperiode (als bedoeld in artikel 13 van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014)), die liep tot en met 11 juni 2019, was verstreken.

In geschil is of verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat deze te laat is ingediend en geen sprake is van overmacht.

6.1

De verzamelaanvraag, steunaanvraag of betalingsaanvraag wordt ingediend in de periode van 1 maart tot en met 15 mei van het aanvraagjaar. Dit volgt uit artikel 13 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014), gelezen in samenhang met artikel 13 van Verordening 640/2014 en artikel 4.2, derde lid, van de Uitvoeringsregeling.

6.2

Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden wordt bij de indiening van een aanvraag om uitbetaling na 15 mei van het aanvraagjaar een verlaging per werkdag toegepast op de bedragen waarop de begunstigde recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. Wordt de termijn met meer dan 25 kalenderdagen overschreden, dan wordt de aanvraag niet-ontvankelijk geacht en wordt aan de begunstigde geen steun verleend (artikel 13, eerste lid, van Verordening 640/2014).

6.3

Op grond van artikel 4 van Verordening 640/2014 kan met een beroep op overmacht recht op steun worden behouden, indien de begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen heeft kunnen voldoen. Artikel 4, tweede lid, van dezelfde Verordening bepaalt dat bij een overmachtssituatie deze overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, samen met de desbetreffende bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit gemeld worden binnen vijftien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de begunstigde of diens rechtsverkrijgende mogelijk is.

7.1

Gelet op de van toepassing zijnde regelgeving was verweerder gehouden de aanvraag af te wijzen, nu verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling zelfs pas na de kortingsperiode, namelijk op 11 oktober 2019 heeft ontvangen.

7.2

Voor zover appellant een beroep heeft gedaan op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, slaagt dit beroep niet, reeds omdat hij dit niet binnen de daartoe in artikel 4, tweede lid, van Verordening 640/2014 gestelde termijn van vijftien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor hem mogelijk was schriftelijk bij verweerder heeft gemeld. Verweerder heeft de e-mail van appellant van 15 mei 2019, waarin hij uitlegt waarom hij niet volgens de voorgeschreven wijze om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van de maatschap verzoekt, terecht en op goede gronden niet aangemerkt als een melding overmacht.

7.3

Daarnaast rechtvaardigt de situatie van appellant ook geen beroep op overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Daartoe overweegt het College als volgt. Als curator in het faillissement van een agrarisch bedrijf mag van appellant worden verwacht dat hij op de hoogte is van de uiterste datum voor het aanvragen van steun waarvoor hij in aanmerking wil komen en van de wijze waarop die aanvraag moet worden ingediend. Het lag daarom op de weg van appellant om tijdig de benodigde inloggegevens aan te vragen. Daarbij betrekt het College dat het vanaf 1 maart 2019 mogelijk was om de Gecombineerde opgave in te vullen. De stelling van appellant dat het hier gaat om een failliet verklaarde maatschap kan aan het vorenstaande niet afdoen. Ten aanzien van de gestelde onjuiste en onvolledig verstrekte informatie door verweerder overweegt het College dat dit, wat daarvan ook zij, niet kan afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant om de Gecombineerde opgave tijdig in te dienen. Ook mag van appellant – net als van iedere aanvrager van een steunaanvraag – worden verwacht om zelf na te gaan welk betrouwbaarheidsniveau van eHerkenning van toepassing is voor het inloggen op mijn.rvo.nl. Dat appellant de benodigde inloggegevens niet tijdig heeft verkregen komt, gelet op het voorgaande, voor zijn eigen rekening en risico.

8. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder de aanvraag om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 terecht heeft afgewezen.

9. Het beroep is gegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.