Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:357

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
19/474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Einduitspraak. Verweerder heeft terecht het jongveegetal toegepast en heeft in het nieuwe besluit voldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/474

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en haar maten [naam 2] en [naam 3] , gevestigd dan wel wonend te [plaats] , gemeente [gemeente] (hierna tezamen en in enkelvoud: appellante),

(gemachtigde: mr. B.D. Bos)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens)

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop


Bij tussenuitspraak van 17 november 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:835; de tussenuitspraak) heeft het College verweerder opgedragen om een gebrek in de besluitvorming te herstellen dan wel een ander besluit te nemen met inachtneming van de tussenuitspraak.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 26 januari 2021 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin hij de bezwaren, met een aanvullende motivering, opnieuw gedeeltelijk gegrond heeft verklaard. Verweerder laat de geldsommen als opgenomen in het besluit van 1 juli 2020 in stand.

Appellante heeft geen zienswijze gegeven.

Het College heeft de Staat der Nederlanden als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Daarop heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de voorgeschiedenis en achtergrond van het geschil verwijst het College naar de tussenuitspraak. Het College handhaaft hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen en overweegt voorts het volgende.

De tussenuitspraak

2. In de tussenuitspraak heeft het College, voor zover nu nog van belang, geoordeeld dat het jongveegetal niet is geactiveerd door de afvoer van het gevlagde rund dat op 11 juli 2017 is afgevoerd (rund 1). Op 12 juli 2017 is echter nog een ander, niet gevlagd, rund afgevoerd (rund 2). Het College heeft overwogen dat verweerder nader moet bezien wat de betekenis is van rund 2 en of in dit geval aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 13, derde lid van de Landbouwwet. Appellante heeft ter zitting namelijk naar voren gebracht dat rund 2 iets mankeerde en daarom is afgevoerd voor de slacht.

Het nieuwe besluit en de eerdere besluiten

3. Verweerder heeft in zijn nieuwe besluit van 26 januari 2021 gemotiveerd waarom het jongveegetal zijns inziens terecht is toegepast en waarom hij geen aanleiding ziet voor toepassing van de hardheidsclausule.

4. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van appellante van rechtswege ook betrekking op het nieuwe besluit van 26 januari 2021. Het College stelt vast dat de eerdere besluiten zijn vervangen door dit besluit. Gelet hierop en nu niet is gesteld of gebleken dat appellante nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen die besluiten heeft appellante geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 6 februari 2019 en 1 juli 2020. Het beroep tegen deze laatste besluiten zal dan ook wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het beroep zich nu alleen nog richt tegen het nieuwe besluit. Met betrekking tot dat besluit overweegt het College als volgt.
Jongveegetal en hardheidsclausule

5. Verweerder heeft appellante naar aanleiding van de tussenuitspraak gevraagd welke gebreken rund 2 had, of zij hieromtrent bewijsstukken heeft, waarom het dier niet eerder is afgevoerd en welke afspraken zijn gemaakt met de hobbyboer naar wie het dier is afgevoerd (en of deze afspraken zijn vastgelegd).

6. Appellante heeft verweerder geantwoord dat rund 2 achterbleef in de groei, slecht dronk en veel aandacht nodig zou hebben om verder op te groeien. Doordat de dierenarts geen medicijnen heeft voorgeschreven, is dit echter niet vermeld op de visitebrief. Conclusie was dat het dier niet geschikt was om melkkoe te worden en afvoer was daarom de enige optie. Appellante wijst er verder op dat zij gezien de toestand van rund 2 in de veronderstelling was dat dit rund op korte termijn zou worden geslacht. Dit was ook de afspraak, maar die is niet schriftelijk vastgelegd. Appellante stelt zich overigens op het standpunt dat ook een slacht in 2018 tijdig is, nu de intentie bij afvoer volgens de Regeling leidend is.

7. Voor zover appellante beoogt te betogen dat het jongveegetal niet is geactiveerd, omdat het volgens de Regeling niet uitmaakt wanneer rund 2 is geslacht, slaagt dit niet. Het is niet onredelijk dat verweerder als uitgangspunt hanteert dat de slacht in 2017 moet hebben plaatsgevonden (zie eerder bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:452). Nu het rund niet in 2017 is geslacht, heeft verweerder terecht het jongveegetal toegepast.

8. Verweerder heeft in het nieuwe besluit bovendien voldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat appellante niet met stukken heeft onderbouwd dat rund 2 iets mankeerde en dat afvoer noodzakelijk was. Dat rund 2 zou zijn afgevoerd met het oog op de slacht (op korte termijn) heeft appellante evenmin met stukken onderbouwd. Uit de afvoer naar een hobbyboer kan deze intentie niet zonder meer worden afgeleid. Daarbij komt, zoals verweerder terecht bij zijn beoordeling heeft betrokken, dat de geldsommen door toepassing van het jongveegetal niet zodanig veel hoger uitvallen dat sprake is van onevenredige financiële gevolgen.

9. Gelet hierop heeft verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek voldoende hersteld en is het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.

Redelijke termijn

10. Over het verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt het College als volgt. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van
€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

10. Verweerder heeft het vroegste bezwaarschrift ontvangen op
15 januari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim veertien maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellante toe te kennen bedrag € 1.500,-.

10. De toe te kennen immateriële schadevergoeding wordt toegerekend aan zowel verweerder (voor een derde deel) als het College (voor twee derde deel). Het College zal daarom op voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling aan appellante van € 500,- aan immateriële schade en de Staat tot betaling van € 1.000,-.

Proceskosten en griffierecht

13. Aangezien verweerder een nieuw besluit heeft genomen, zal het College bepalen dat verweerder de proceskosten voor beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,-) en het door appellante betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Over de in bezwaar gemaakte kosten, hoeft het College zich niet uit te laten omdat verweerder in het (oude en nieuwe) besluit op bezwaar heeft besloten deze te vergoeden.
Ook ziet het College aanleiding om verweerder en de Staat – nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen – te veroordelen in de kosten die appellante in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op
€ 267,00 (1 punt voor het indienen van een het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 0,5). Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen van het toe te kennen bedrag.
Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 6 februari 2019 en 1 juli 2020 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van 26 januari 2021 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 1.201,50;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 133,50;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 345,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van
mr. B. van Dokkum, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.