Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:348

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
19/1419
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet (Msw) artikel 23, derde en zesde lid.

Verweerder heeft zich in het kader van de toepassing van de knelgevallenregeling terecht op het standpunt gesteld dat de verbouwing van de stal wel, maar de gestelde problemen met de melkinstallatie niet als bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw zijn aan te merken. Dat de verbouwing van de stal geen invloed heeft gehad op de melkproductie, heeft appellante niet bestreden. Gelet hierop volgt het College appellante niet in haar standpunt dat in haar geval sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw, die heeft geleid tot een niet representatieve melkproductie in 2015. Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat het fosfaatrecht op grond van het aantal dieren in 2015 en de melkproductie in 2011 moet worden bepaald, los van een vergelijking met de situatie op een alternatieve peildatum, geldt dat daarvoor geen aanknopingspunt is te vinden in de regelgeving of de jurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1419

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. Melkveehouderij [naam 2] te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J. Prins-Steenbeek)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Herczog en mr. C. Zieleman)

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.489 kg.

Bij besluit op bezwaar van 27 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.563 kg.

Bij besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 27 mei 2019 ingetrokken, het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen, de melding bijzondere omstandigheden afgewezen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.563 kg.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor appellante is verder nog verschenen haar maat [naam 3] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw, stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2.

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt verweerder, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager is (5%-drempel) door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (knelgevallenregeling).

Feiten

2.1.

Appellante exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] . Zij heeft in 2012 haar bedrijf verplaatst ten behoeve van natuurontwikkeling. Zij heeft € 800.000,- geïnvesteerd in de bouw op de nieuwe locatie van een emissiearme ligboxenstal. De bouwwerkzaamheden zijn begin 2011 gestart. Appellante had op 1 januari 2011 84 melkkoeien en 97 stuks jongvee. De bouw van de stal is begin 2012 afgerond. Appellante is daar toen begonnen met melken.

2.2.

Appellante had op 2 juli 2015 129 melkkoeien en 107 stuks jongvee.

Besluit van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 6.563 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was en heeft geen korting toegepast. Verweerder heeft de op 29 maart 2018 ontvangen melding bijzondere omstandigheden (bouwwerkzaamheden) afgewezen op de grond dat, uitgaande van de alternatieve peildatum 1 januari 2011, de 5%-drempel niet wordt gehaald.

Beroepsgronden

4.1.

Appellante verwijst naar de gronden van bezwaar en stelt aanvullend dat verweerder haar fosfaatrecht te laag heeft vastgesteld. Door bouwwerkzaamheden was sprake van problemen in de melkgift in de periode van 2012 tot 2016. Pas in oktober 2016 is duidelijk geworden dat de melkinstallatie vanaf het begin niet goed heeft gewerkt. In 2015 was de melkproductie niet representatief voor de bedrijfsvoering. In 2011 was de melkproductie dat wel. Verweerder had bij de toepassing van de knelgevallenregeling (bouwwerkzaamheden waaronder de installatie van de melkmachine) haar fosfaatrecht moeten berekenen op grond van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op haar bedrijf waren en de melkproductie in 2011 (excretieforfait 40,6). Als zij haar bedrijf niet had verplaatst, zou het aantal dieren ook zijn uitgebreid, en zouden er op de oude locatie geen problemen met de melkgift zijn geweest. Zonder de bijzondere omstandigheid bouwwerkzaamheden zou haar fosfaatrecht 476,5 kg hoger zijn vastgesteld.

4.2.

Appellante stelt dat de bouwwerkzaamheden niet van invloed zijn geweest op de dieraantallen, maar wel op de melkproductie. Van een niet gerealiseerde uitbreiding is geen sprake. Wel van een niet representatieve melkproductie waarmee bij de knelgevallenregeling rekening moet worden gehouden. Zij verwijst naar de uitspraken van het College van 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:538 en van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248.

4.3.

Appellante verzoekt om vergoeding van haar proceskosten op grond van artikel 7:28 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) én om vergoeding van de rentekosten.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt dat hij de knelgevallenregeling juist heeft toegepast en dat de wijze waarop appellante die toegepast wil zien geen steun vindt in wet of jurisprudentie. Hij heeft het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum 1 januari 2011 (uitgaande van het aantal dieren op die datum, de melkproductie in 2011 en een excretiefactor voor de melkkoeien van, zoals blijkt uit het verweerschrift, 40,6) zonder korting berekend op 5116,5 kg en heeft het fosfaatrecht op de peildatum 2 juli 2015 (uitgaande van het aantal dieren op die datum, de melkproductie in 2015 en een excretiefactor voor de melkkoeien van 36,9) zonder korting berekend op 6.562,2 kg. Hiermee is niet voldaan aan de 5%-drempel. Appellante heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de verminderde melkproductie in 2015 is veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden in 2011.

Beoordeling

6.1.

De wetgever heeft zich met betrekking tot de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw een systeem gedacht waarin verweerder terugkijkt en een vergelijking maakt tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en de situatie die zonder de buitengewone omstandigheid in redelijkheid voor het bedrijf mocht worden verwacht. De uitkomst van de door verweerder in het bestreden besluit vermelde vergelijking van de situatie op het bedrijf van appellante op de alternatieve peildatum 1 januari 2011 en de wettelijke peildatum 2 juli 2015, als onder 5 meer uitgebreid weergegeven, is dat de 5% drempel niet wordt gehaald. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat de verbouwing van de stal wel, maar de gestelde problemen met de melkinstallatie niet als bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw zijn aan te merken. Dat de verbouwing van de stal geen invloed heeft gehad op de melkproductie, heeft appellante niet bestreden. Gelet hierop volgt het College appellante niet in haar standpunt dat in haar geval sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw die heeft geleid tot een niet representatieve melkproductie in 2015.
De uitspraken van het College ECLI:NL:CBB:2019:248, ECLI:NL:CBB:2019:538 en ECLI:NL:CBB:2019:280 kunnen appellante alleen al daarom niet baten, nog daargelaten dat deze uitspraken betrekking hebben op het hanteren van verschillende jaren voor dieraantallen en melkproductie voor het bepalen van de situatie op de alternatieve peildatum en niet voor het bepalen van de situatie op 2 juli 2015. Het College is van oordeel dat verweerder de knelgevallenregeling juist heeft toegepast, als hiervoor onder 5 vermeld.

6.2.

Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat het fosfaatrecht op grond van het aantal dieren in 2015 en de melkproductie in 2011 moet worden bepaald, los van een vergelijking met de situatie op een alternatieve peildatum, geldt dat daarvoor geen aanknopingspunt is te vinden in de regelgeving of de jurisprudentie.

6.3

Het College merkt tenslotte nog op dat het verzoek van appellante in het beroepschrift om de gronden van bezwaar als ingelast te beschouwen, te algemeen is voor een inhoudelijke beoordeling. Het College gaat daarom aan dit verzoek voorbij, evenals aan het verzoek om vergoeding van ‘de rentekosten’ omdat dat niet is geconcretiseerd.

6.4.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

M. van Duuren J.W.E. Pinckaers

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.