Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:336

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/1742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Fosfaatrecht. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgronden aangevuld. Nog daargelaten dat dit op gespannen voet staat met de goede procesorde, is de stellingname van appellante niet eenduidig. Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat sprake is van incidentele pacht en zij daarom op dezelfde wijze behandeld dient te worden als de appellanten in de door haar aangehaalde zaken (eventueel los van een beroep op artikel 1 van het EP), oordeelt het College als volgt. Appellante heeft op de zitting toegelicht dat zij jaarlijks bekijkt of een perceel verpacht wordt aan Oijevaar en dat dit niet elk jaar hetzelfde perceel(oppervlakte) is. Dat het gaat om een pacht die bij herhaling wordt uitgevoerd, maakt al dat van incidentele pacht zoals aan de orde in de door appellante aangehaalde uitspraken van het College (eenmalige en tijdelijk verpachting), geen sprake is. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Voor een nadere beoordeling van het standpunt van appellante op grond van artikel 38 of 38a van de Msw dan wel artikel 1 van het EP is geen aanleiding omdat onderbouwing van het verzoek tot ontheffing dan wel de individuele en buitensporige last ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 26 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Namens appellante zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. In 2015 heeft appellante in totaal 8,61 hectare grond met betalingsrechten in gebruik gegeven aan het bedrijf van de Gebroeders [naam 3] ( [naam 3] ). Op 2 juli 2015 hield appellante 94 melk- en kalfkoeien en 85 stuks jongvee op het bedrijf.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.226 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast (472,98 kg) omdat appellante niet als grondgebonden is aangemerkt. In het bestreden besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard omdat appellante niet de feitelijke beschikkingsmacht heeft over de 8,61 hectare grond zodat deze grond niet wordt meegenomen voor de vaststelling van de grondgebondenheid. Het verzoek om ontheffing op grond van artikel 38, dan wel 38a van de Msw wordt afgewezen. Verweerder maakt alleen gebruik van de ontheffingsbevoegdheid als sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft telefonisch expliciet aangegeven geen beroep op artikel 1 van het EP te doen en geen stukken ingediend ter onderbouwing van een individuele en buitensporige last.

Beroepsgronden

4. Appellante heeft haar beroepsgrond dat zij primair in 2015 de feitelijke beschikkingsmacht had over de verhuurde 8,61 hectare grond en dat subsidiair de oppervlakte landbouwgrond van het jaar 2016 moet worden gehanteerd, op de zitting ingetrokken. Zij heeft gesteld dat wat is aangevoerd in verband met de grond in het kader van het gelijkheidsbeginsel, dan wel artikel 1 van het EP beoordeeld dient te worden. Appellante meent dat zij, net als in twee uitspraken van College (van 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:341, en van 3 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:389) moet worden gecompenseerd omdat sprake is van een incidentele verpachting waardoor zij in 2015 niet grondgebonden was.

Standpunt van verweerder

5. Ten aanzien van de resterende en ter zitting voor het eerst opgebrachte beroepsgrond heeft verweerder opgemerkt dat de stellingname van appellante een beroep op artikel 1 van het EP impliceert. Hij heeft ter zake verwezen naar het oordeel in het bestreden besluit dat vanwege een gebrek aan onderbouwing van de individuele en buitensporige last, een beroep op artikel 1 van het EP niet kan slagen.

Beoordeling

6. Appellante heeft ter zitting haar beroepsgronden aangevuld. Nog daargelaten dat dit op gespannen voet staat met de goede procesorde, is de stellingname van appellante niet eenduidig. Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat sprake is van incidentele pacht en zij daarom op dezelfde wijze behandeld dient te worden als de appellanten in de door haar aangehaalde zaken (eventueel los van een beroep op artikel 1 van het EP), oordeelt het College als volgt. Appellante heeft op de zitting toegelicht dat zij jaarlijks bekijkt of een perceel verpacht wordt aan [naam 3] en dat dit niet elk jaar hetzelfde perceel(oppervlakte) is. Dat het gaat om een pacht die bij herhaling wordt uitgevoerd, maakt al dat van incidentele pacht zoals aan de orde in de door appellante aangehaalde uitspraken van het College (eenmalige en tijdelijk verpachting), geen sprake is. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Voor een nadere beoordeling van het standpunt van appellante op grond van artikel 38 of 38a van de Msw dan wel artikel 1 van het EP is geen aanleiding omdat onderbouwing van het verzoek tot ontheffing dan wel de individuele en buitensporige last ontbreekt.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.