Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:329

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/1646
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Gezien de oorzaak van het uitstel van de uitbreidingsplannen is het niet redelijk om de gevolgen van de investeringsbeslissingen die voortvloeien uit de Regeling volledig voor rekening van appellante te laten komen. Verweerder had daarom aanleiding moeten zien om met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet ontheffing te verlenen van de betaling van een deel van de opgelegde heffingen. Met het oog op het belang van finale geschilbeslechting zal het College bepalen dat het bedrag van de opgelegde heffingen over alle vijf de periodes met 50% zal worden verlaagd.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1646

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , hierna tezamen en in enkelvoud: appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. G.H.T. Heusschen).


Procesverloop


Bij besluit van 15 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 18.398,- voor periode 1, van € 810,- voor periode 2, van € 669,- voor periode 3, van € 5.981,- voor periode 4 en van € 5.515,- voor periode 5.

Bij besluit van 23 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Partijen hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Veehouders die te veel melkvee houden moeten de omvang van hun veestapel zoals die was op 1 oktober 2016 in vijf tweemaandelijkse stappen (de periodes) verminderen tot hun referentieaantal. Het referentieaantal is het aantal op 2 juli 2015 (de peildatum) geregistreerde runderen, verminderd met 4% – met uitzondering van grondgebonden bedrijven – en omgerekend naar grootvee-eenheden (GVE). Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal en kent verweerder een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op 8 oktober 2012 is aan appellante een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de rundveestal. Op 17 april 2013 heeft zij een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verkregen voor het houden van 216 melkkoeien en 159 stuks jongvee. Op 20 maart 2014 heeft zij een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van de nieuwe rundveestal voor een aanneemsom van € 865.000,-. De stal is eind augustus 2014 opgeleverd. Appellante heeft op 18 november 2013 en 8 oktober 2014 een financieringsovereenkomst met de bank afgesloten voor bedragen van respectievelijk € 1.605.000,- en € 235.000,-.
Op 29 augustus 2014 is [naam 1] , een van de maten van het bedrijf, ernstig verwond door een stier. Het revalidatieproces heeft ongeveer een jaar geduurd, waardoor het niet mogelijk was om direct na oplevering van de stal de veebezetting op te hogen door vaarzen aan te kopen.De veestapel op het bedrijf van appellante was op de peildatum 2 juli 2015 nog niet op het met de investeringen beoogde peil.

Besluitvorming

3. Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 163 melkkoeien, 57 kalveren en 80 pinken. Het bedrijf van appellante is niet grondgebonden. Het referentieaantal van appellante is 209,77 GVE. Verweerder heeft voor alle vijf de periodes heffingen aan appellante opgelegd, omdat zij meer runderen hield dan het referentieaantal. Bij de berekening van de heffingen heeft verweerder vanaf periode 4 het jongveegetal toegepast.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard onder aanvulling van de motivering voor wat betreft de toepassing van het jongveegetal. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Beroep

5. Appellante betoogt dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de afvoer van 17 runderen op 20 oktober 2017, die het jongveegetal hebben geactiveerd, geen sprake was van een omstandigheid als bedoeld in artikel 6, vierde lid van de Regeling. Volgens appellante heeft de minister niet duidelijk gemaakt waarom niet aan deze bepaling is voldaan.

5.1.

Ter zitting heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake was een vaste relatie met een opfokbedrijf waar appellante haar jongvee uitschaarde, dat bij afkalven weer terugkwam op haar bedrijf. Volgens appellante had verweerder daarom artikel 11, negende lid, van de Regeling moeten toepassen.

5.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft de gestelde uitscharingssituatie op geen enkele wijze onderbouwd en heeft ook geen verzoek gedaan als bedoeld in artikel 11 van de Regeling. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende duidelijk omschreven welke afgevoerde runderen in periode 4 tot activering van het jongveegetal hebben geleid. Dat daarbij sprake zou zijn geweest van afvoer voor slacht, export of in verband met sterfte, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Regeling, is niet gebleken. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder vanaf periode 4 terecht het jongveegetal heeft toegepast bij de berekening van de hoogte van de heffingen.

6. Appellante betoogt dat zij als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling een individuele en buitensporige last te dragen heeft. Zij is al in 2012 begonnen met het op duurzame wijze uitbreiden van haar bedrijf en heeft daarvoor privévermogen ingezet en een zware financiering afgesloten. Dit was volgens appellante noodzakelijk vanwege verouderde bedrijfsbebouwing, onvoldoende stalruimte, dierenwelzijnseisen, het toekomstbestendig maken van het bedrijf en verbeteren van de bedrijfsresultaten. Door de uitbreiding van het bedrijf kon een toekomstgericht en levensvatbaar bedrijf worden opgebouwd met een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering. Zij heeft daarvoor een MDVcertificaat aangevraagd en verkregen. Ook waren alle benodigde overheidstoestemmingen en vergunningen aanwezig, waardoor de uitbreiding volledig legaal heeft plaatsgevonden. Doordat een van de maten eind augustus 2014 – vlak na de oplevering van de nieuwe stal – door een stier is aangevallen en daarbij ernstig verwond is geraakt, was het niet mogelijk om direct na oplevering de veebezetting op te hogen door vaarzen aan te kopen. Pas in het voorjaar van 2015 zijn 24 pinken aangekocht. De veestapel was daardoor op 2 juli 2015 nog niet op het met de investeringen beoogde peil. Volgens appellante is verweerder ongemotiveerd aan de bijzondere omstandigheden op haar bedrijf, waaronder de duurzame uitbouw en het ongeval, voorbij gegaan en heeft hij de belangen van appellante in zijn geheel niet gewogen.

6.1.

Het College begrijpt het betoog van appellante aldus dat zij eveneens een beroep doet op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet. Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:834), bestaat voor de toepassing van de hardheidsclausule aanleiding indien het strikt volgen van de Regeling in het desbetreffende geval onevenredige gevolgen met zich brengt.

6.2.

Appellante heeft vanaf 2012 geïnvesteerd in de uitbreiding van haar bedrijf. Hoewel het, zoals verweerder ook stelt, op dat moment voorzienbaar was dat er productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen om de fosfaatproductie terug te dringen en appellante bij haar beslissing om uit te breiden een zekere voorzichtigheid had moeten betrachten, acht het College het strikt volgen van de Regeling in dit geval niet redelijk. Daartoe is van belang dat appellante al in 2012 en 2013, en dus ruim voor de peildatum, over de benodigde vergunningen voor de uitbreiding beschikte en de nieuwe stal reeds in augustus 2014 gereed was en in gebruik kon worden genomen. Zoals appellante ter zitting heeft toegelicht en door verweerder niet is bestreden, viel door het ongeval van [naam 1] (vader) kort na de oplevering van de nieuwe stal, een wezenlijk deel van de arbeidskracht op het bedrijf weg en was het feitelijk de zoon, [naam 3] , die het bedrijf draaiende moest houden. C.J.M. Huijbrechtsvan Aaken (moeder) verricht enkel administratieve taken. Het revalidatieproces van [naam 1] heeft ongeveer een jaar geduurd. Het was daardoor niet mogelijk om de extra stalcapaciteit direct na de oplevering te benutten. Pas in het voorjaar van 2015, toen er meer zicht kwam op herstel van [naam 1] , is een klein deel van de beoogde groei gerealiseerd door een aantal vaarzen aan te kopen. In de omstandigheid dat appellante, anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 3 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020,123), geen melkquotum heeft aangekocht, ziet het College, anders dan verweerder, geen aanwijzing dat appellante de uitbreiding pas na afschaffing van het melkquotum wilde realiseren door middel van opfok uit eigen aanwas. Uit de financieringsovereenkomst van 18 november 2013 kan weliswaar worden afgeleid dat een bedrag van € 81.815,- bestemd was voor aanfok van eigen vee, maar ook dat daarnaast een bedrag van € 135.000,- bestemd was voor de aankoop van melkquotum. De door appellante ter zitting gegeven toelichting dat na het ongeval ook van aankoop van melkquotum is afgezien, omdat de uitbreiding van de veestapel door het wegvallen van de arbeidskracht van [naam 1] niet mogelijk was, is naar het oordeel van het College begrijpelijk. Gezien de oorzaak van het uitstel van de uitbreidingsplannen is het niet redelijk om de gevolgen van de investeringsbeslissingen die voortvloeien uit de Regeling volledig voor rekening van appellante te laten komen. Verweerder had daarom aanleiding moeten zien om met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet ontheffing te verlenen van de betaling van een deel van de opgelegde heffingen. Met het oog op het belang van finale geschilbeslechting zal het College bepalen dat het bedrag van de opgelegde heffingen over alle vijf de periodes met 50% zal worden verlaagd.

6.3.

Naar het oordeel van het College wordt met de halvering van de aan appellante opgelegde heffingen recht gedaan aan de individuele omstandigheden van haar geval. Dat de resterende last die appellante door de tenuitvoerlegging van de Regeling te dragen heeft buitensporig is, zodat sprake is van strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is niet gebleken.

Slotsom

7. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit wegens strijd met artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet vernietigen, het primaire besluit herroepen en, zelf voorziend, bepalen dat appellante heffingen is verschuldigd van € 9.699,- voor periode 1, van € 405,- voor periode 2, van € 334,50 voor periode 3, van € 2.990,50 voor periode 4 en van € 2.757,50 voor periode 5.

8. Verder zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte kosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,-).

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    stelt de heffingen vast op € 9.699,- voor periode 1, € 405,- voor periode 2, € 334,50 voor periode 3, € 2.990,50 voor periode 4 en € 2.757,50 voor periode 5;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte kosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. van Altena, in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.