Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:328

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/1684
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan 2017. Bedrijf is terecht aangemerkt als niet-grondgebonden. De opgelegde heffingen zijn niet in strijd met artikel 1 EP. Geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.C.M. Damming),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. N.A. Kuipers).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017,
16 december 2017 en 27 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van
€ 4.325,00 voor periode 1, van € 3.232,00 voor periode 2, van € 2.800,00 voor periode 3, van € 2.896,00 voor periode 4 en van € 2.918,00 voor periode 5.

Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder de aan appellante opgelegde heffingen gewijzigd vastgesteld op € 2.843,00 voor periode 1, € 1.749,00 voor periode 2, € 1.317,00 voor periode 3, € 1.413,00 voor periode 4 en € 1.435,00 voor periode 5.

Bij besluit van 18 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen voormelde primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard en die besluiten herroepen. Verweerder heeft aan appellante heffingen opgelegd van € 2.816,80 voor periode 1, van € 1.723,68 voor periode 2, van
€ 1.288,00 voor periode 3, van € 1.387,68 voor periode 4 en van € 1.408,96 voor periode 5.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 26 oktober 2019 heeft verweerder de aan appellante opgelegde heffingen gewijzigd vastgesteld op € 2.817,00 voor periode 1, € 1.724,00 voor periode 2, € 1.291,00 voor periode 3, € 1.388,00 voor periode 4 en € 1.409,00 voor periode 5.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2020. Namens appellante hebben [naam 2] , [naam 3] en de gemachtigde van appellante via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook zij heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen
Inleiding

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum. Het aantal runderen wordt uitgedrukt in grootvee-eenheid.

  2. Appellante exploiteert sinds 2000 een melkveehouderij in de vorm van een maatschap. De maten zijn [naam 2] en [naam 3] . Het bedrijf omvatte ook een akkerbouwtak. De bedrijfsactiviteiten zijn in 2014 gesplitst in de melkveehouderij van appellante en het akkerbouwbedrijf [naam 4] dat een eenmanszaak van [naam 2] is. Het voer voor de dieren van appellante wordt verbouwd in het akkerbouwbedrijf en de mest wordt ook daar verwerkt. Appellante doet daarnaast aan landschapsbeheer op eigen grond en op gepachte grond.
    Appellante heeft op 24 maart 2017 bij verweerder melding gedaan van de bijzondere omstandigheid verbouwing. Zij heeft 6 oktober 2014 als alternatieve peildatum vermeld.

  3. Verweerder heeft aan appellante solidariteitsgeldsommen opgelegd voor de periodes 1 tot en met 5, omdat het gemiddeld aantal grootvee-eenheden op het bedrijf van appellante te hoog is. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling in artikel 12, tweede lid, van de Regeling door het referentieaantal te berekenen op basis van het aantal runderen op de alternatieve peildatum 6 oktober 2014.

  4. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat het referentieaantal op 6 oktober 2014 onjuist is vastgesteld, omdat een op die datum afgevoerd vrouwelijk kalf ten onrechte niet is meegeteld. Hij heeft het referentieaantal gewijzigd vastgesteld op 165,87 GVE. Verweerder heeft dit referentieaantal gekort met 4%, omdat de melkveehouderij van appellante niet voldoet aan de vereisten voor grondgebondenheid. De grond van [naam 4] is niet betrokken bij de beoordeling van de grondgebondenheid van het bedrijf van appellante, omdat het gaat om twee afzonderlijke bedrijven met elk een eigen relatienummer. Verder heeft verweerder geconcludeerd dat de toepassing van de Regeling in het geval van appellante niet leidt tot een individuele en buitensporige last.
    Omvang van het geding

  5. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het besluit van 18 september 2019 mede betrekking op het besluit van 26 oktober 2019. Nu het besluit van
    18 september 2019 is vervangen door het besluit van 26 oktober 2019 en niet gesteld of gebleken is dat appellante nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 18 september 2019, zal het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.
    Het beroep

  6. Appellante heeft haar beroepsgrond dat verweerder de dieraantallen op de alternatieve peildatum 6 oktober 2014 onjuist heeft vastgesteld, ingetrokken. Dit behoeft daarom geen bespreking meer.
    -grondgebondenheid

  7. Appellante betoogt dat verweerder haar melkveebedrijf ten onrechte heeft aangemerkt als niet-grondgebonden en daarom ten onrechte het referentieaantal heeft gekort met 4%. Zij voert aan dat verweerder de landbouwgronden van [naam 4] had moeten betrekken bij de beoordeling van de grondengebondenheid van haar bedrijf. De grond van [naam 4] behoorde voor 2014 tot het bedrijf van appellante. De afsplitsing van de akkerbouwtak met bijbehorende gronden was een administratieve aangelegenheid, ingegeven door de aangescherpte natuurdoelstellingsvereisten voor akkerbouw. Volgens appellante is ook van belang dat [naam 2] , een van de maten van appellante, de eenmanszaak [naam 4] exploiteert. Het bedrijf van appellante en [naam 4] hebben weliswaar twee verschillende BRS-nummers, maar in feite is er sprake van één bedrijf, aldus appellante.

7.1.

Artikel 1, eerste lid, van de Regeling luidt:
“In deze regeling wordt verstaan onder:
(…)
“d. referentieaantal: aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4% behoudens het bepaalde in artikel 7 en 9, zesde lid;
(…)
i. fosfaatruimte: fosfaatruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel ll, van de Meststoffenwet (…);
j. grondgebonden bedrijf: bedrijf waarbij de productie van dierlijke meststoffen door runderen in kilogrammen fosfaat in het kalenderjaar 2015 verminderd met de fosfaatruimte in dat jaar negatief of nul is, en de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond de hoeveelheid grond is zoals die blijkt uit de gegevens opgegeven krachtens de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 waarbij wordt uitgegaan:
1o. van een excretieforfait van 9,6 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar, 21,9 kilogram fosfaat voor een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd en 41,3 kilogram fosfaat voor een rund dat tenminste eenmaal heeft gekalfd, of
2o. van de excretieforfaits voor fosfaat opgenomen in bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij een vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar wordt aangemerkt als diernummer 101, een vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd als diernummer 102 en een rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd als diernummer 100;
(…).”
In artikel 7 van de Regeling is bepaald:
“Indien houder runderen hield op 2 juli 2015 op een grondgebonden bedrijf, is het referentieaantal voor de toepassing van de artikelen 4 en 6 niet verminderd met 4%.”
Artikel 3 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 luidde als volgt:
“1. Het formulier heeft betrekking op de periode van 1 april 2015 tot en met 15 mei 2015.
2. De periode, bedoeld in het eerste lid, is het tijdvak waarin een landbouwtelling als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Landbouwwet wordt gehouden.”
Artikel 4 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015 luidde als volgt:
“1 Een opgaveplichtige verstrekt:
a. informatie naar de toestand van de veestapel zoals die was op 1 april 2015,
b. informatie over de toestand van de beteelde percelen zoals die is of wordt verwacht op 15 mei 2015, en
c. de naam van het gewas waarmee een perceel zal worden beteeld, als dat niet is beteeld op 15 mei 2015.
2 Een opgaveplichtige verstrekt overige informatie naar de toestand op zijn onderneming op het moment van ondertekening van het formulier.”

7.2.

Uit artikel 1, aanhef en onder j, van de Regeling, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2015, volgt dat voor de vraag of een bedrijf grondgebonden is, gekeken wordt naar de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond op 15 mei 2015, zoals die door het bedrijf zelf is opgegeven in de gecombineerde opgave 2015. Niet in geschil is dat appellante in haar gecombineerde opgave 2015 66,4 ha landbouwgrond heeft opgegeven. Evenmin is in geschil dat [naam 4] in een eigen gecombineerde opgave 2015 22,89 ha landbouwgrond heeft opgegeven. Dit betekent dat de 22,89 ha grond van [naam 4] niet kan worden meegenomen bij de vaststelling van de omvang van de fosfaatruimte van appellante onder de Regeling. Appellante heeft erop gewezen dat in feite sprake is van één bedrijf, maar dat het bedrijf is gesplitst om beter te kunnen voldoen aan de eisen voor duurzaam gebruik van de grond. De Regeling gaat echter uit van de grond zoals die is opgegeven in de gecombineerde opgave 2015 en houdt geen rekening met personele of feitelijke banden tussen de bedrijven die die opgaven hebben gedaan. Appellante heeft 66,4 ha landbouwgrond opgegeven en hiervan moet worden uitgegaan.

7.3.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het melkveebedrijf van appellante terecht aangemerkt als niet-grondgebonden en heeft hij terecht het referentieaantal gekort met 4%. Het betoog slaagt niet.
-strijd met artikel 1 EP en hardheidsclausule

8. Appellante betoogt verder dat de opgelegde geldsommen in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Zij voert aan dat verweerder ten onrechte voorbijgegaan is aan de bijzondere bedrijfsspecifieke omstandigheden. Volgens appellante leidt de toepassing van de Regeling in haar geval tot een individuele en buitensporige last. Zij wijst ter onderbouwing van die last op een rapport van Countus van 1 juni 2018.
Appellante betoogt subsidiair dat verweerder in de aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten zien voor toepassing van de hardheidsclausule.

8.1.

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last.

8.2.

Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals in het geval van appellante, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (vergelijk de uitspraak van het College in het fosfaatrechtenstelsel van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

8.3.

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin is geïnvesteerd en de reden waarom is geïnvesteerd –navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren (zie de uitspraak van 23 juli 2019, onder 6.7.5.4). Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat de last buitensporig is en aldus geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.9).

8.4.

Op 1 april 2011 hield appellante 102 melk- en kalfkoeien en 83 stuks vrouwelijk jongvee. Appellante heeft het plan opgevat om haar melkveebedrijf uit te breiden naar 200 melk- en kalfkoeien en 115 stuks vrouwelijk jongvee. Zij heeft daarvoor op 15 december 2011 een melding Besluit landbouw milieubeheer gedaan. Verder is haar op 19 maart 2012 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor voormelde uitbreiding. Appellante is eind 2014 gestart met de realisatie van de uitbreiding door het aangaan van een lening bij een bank, inclusief een herfinanciering, van totaal € 2,3 miljoen. Ook heeft zij in 2015 een financiële lease-huurkoopovereenkomst gesloten met een bedrijf voor een voedersysteem van € 187.432,10. Nadat haar op 11 februari 2015 een omgevingsvergunning is verleend voor de uitbreiding van de ligboxenstal en de bouw van een werktuigenberging, zijn de bouwwerkzaamheden begonnen. De bouw was in augustus 2015 gereed waarna de aanvoer van nieuwe runderen is gestart. Op de alternatieve peildatum 6 oktober 2014 hield appellante 124 melk- en kalfkoeien, 53 vrouwelijke kalveren en 56 vrouwelijke pinken.

8.5.

Appellante had op voormelde peildatum nog geen volledige uitbreiding naar het aantal vergunde dieren gerealiseerd. Dit maakt echter niet dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft er in de periode van 2014 tot en met 2015 voor gekozen te investeren in een uitbreiding van haar melkveebedrijf. Zoals het College ook in de fosfaatrechtenzaak van appellante heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:50),
werd reeds vanaf januari 2013 duidelijk dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebegrenzende maatregelen. Deze voor melkveehouders onzekere tijd noopte daarmee tot een zekere mate van voorzichtigheid en bracht voor hen meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich waarvoor zij zelf verantwoordelijkheid dragen. Bij het aangaan van verplichtingen in de vorm van investeringen dienden zij zich daarvan bewust te zijn, zeker naarmate het einde van het melkquotum dichterbij kwam en het besef over de hardnekkigheid en indringendheid van het ontsporend mestoverschot verder doordrong (in ieder geval had moeten doordringen). Juist ten tijde van het realiseren van haar uitbreidingsplannen had appellante een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Verder is niet gebleken dat er voor appellante een bedrijfseconomische noodzaak bestond om tot een uitbreiding van het bedrijf over te gaan. Dat appellante haar bedrijf toekomstbestendig en levensvatbaar voor langere tijd wilde maken door een natuurinclusief bedrijf te vormen, is daarvoor onvoldoende.
Appellante heeft geen onderbouwing van haar beslissing tot uitbreiding gegeven. De (financiële) gevolgen van de keuze tot uitbreiding die appellante in die periode heeft gemaakt, dienen daarom voor haar risico te blijven. Dat appellante financieel wordt geraakt door de Regeling, is onvoldoende om een buitensporige last aan te nemen. Het door appellante overgelegde rapport van Countus van 1 juni 2018 is opgesteld in het kader van de fosfaatrechten en gaat niet in op de gevolgen van de Regeling voor het bedrijf van appellante. Uit de door appellante overgelegde stukken blijkt niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de toepassing van de Regeling een individuele en buitensporige last op haar legt.

8.6.

Gelet op het voorgaande zijn de opgelegde geldsommen niet in strijd met artikel 1 van het EP. Het betoog slaagt niet.

9. Zoals het College eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraken van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:453 en van 21 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:470), bestaat voor de toepassing van de hardheidsclausule aanleiding, indien het strikt volgen van de Regeling in het desbetreffende geval onevenredige gevolgen met zich brengt. Het College is van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Appellante heeft gekozen voor een natuurvriendelijke bedrijfsvoering en heeft in dat kader beslissingen genomen, zoals de afsplitsing van haar akkerbouwtak. Hoewel deze ondernemerskeuze van appellante op zichzelf valt te begrijpen, betekent dit niet dat verweerder de gevolgen van die keuze niet voor rekening en risico van appellante mocht laten. Het College acht niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van appellante zodanig afwijkt van die van andere veehouders dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. Daarbij betrekt het College ook de hoogte van de aan appellante oplegde geldsommen.

10. Appellante heeft verder ter zitting nog gewezen op het rapport Ongekend Onrecht dat de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag op 17 december 2020 heeft uitgebracht en stelt dat het College hier betere rechtsbescherming zou moeten bieden dan de rechtsbescherming die volgens het rapport in de kinderopvangtoeslagzaken is geboden. Het College overweegt hierover dat in fosfaatreductiezaken wettelijke mogelijkheden bestaan die kunnen worden gebruikt om onevenredig nadeel te voorkomen of te herstellen. Het College wijst op de in artikel 12 van de Regeling neergelegde knelgevallenregeling en de in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet neergelegde hardheidsclausule. Verder biedt artikel 1 van het EP bescherming als een melkveehouder een individuele en buitensporige last te dragen heeft.
-overschrijding redelijke termijn

11. Over het verzoek van appellante om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt.

11.1.

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op primaire besluiten die zijn bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

11.2.

Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 ontvangen op 12 januari 2018, het bezwaarschrift tegen het besluit van 27 januari 2018 op 26 februari 2018 en het bezwaarschrift tegen het besluit van 16 juni 2018 op 23 juli 2018. Verweerder heeft op 18 september 2019 beslist op de bezwaren. Het beroepschrift is ontvangen op 25 oktober 2019.
Uit de door partijen gemaakte afspraken over het indienen van nadere stukken ter onderbouwing van de gestelde individuele en buitensporige last valt af te leiden dat de periode tussen 22 maart 2019 en 11 september 2019 bij het berekenen van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing dient te worden gelaten.

11.3.

Dit betekent dat op het moment van doen van uitspraak de tweejaarstermijn met 9 maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, heeft appellante daarom recht op een vergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade.

11.4.

Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van € 1.000,00 aan appellante.
Slotsom

12. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5, is het beroep tegen het besluit van 18 september 2019 nietontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van
26 oktober 2019 is ongegrond.

12. Alleen al omdat verweerder het besluit van 18 september 2019 heeft ingetrokken en heeft vervangen door het besluit van 26 oktober 2019, ziet het College aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoedt alsmede verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. De proceskosten in beroep bedragen € 1.068,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

12. Appellante heeft recht op een vergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten wegens de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bedrag wordt vastgesteld op € 267,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van
€ 534,00 en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 september 2019 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2019 ongegrond;

- veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,00 te betalen;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 345,00 aan appellante dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van totaal € 1.335,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
23 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.