Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:289

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
19/1854
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

Fosfaatrechten. Tussen partijen is in geschil of zeven dieren moeten worden aangemerkt als melkvee (diercategorie 100) of als weide- en zoogkoeien (categorie 120). Het College is van oordeel dat verweerder de zeven dieren terecht niet heeft aangemerkt als melkvee in de zin van de Msw.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen

[naam] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

Feiten

2. Appellante exploiteert een vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijf.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 0 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte geen fosfaatrechten heeft toegekend. Appellante stelt dat er ten tijde van de peildatum van 2 juli 2015 sprake was van een afbouwend melkveebedrijf. Het bedrijf was in transitie om over te gaan naar een situatie waarin jongvee en droogstaande melkkoeien zouden worden gehouden voor andere melkveebedrijven. Appellante stelt dat de zeven dieren die nu zijn aangemerkt als zoogkoeien (diercategorie 120) moeten worden aangemerkt als melk- en kalfkoeien (diercategorie 100). De zeven dieren zijn door verweerder abusievelijk aangemerkt als zoogkoeien, omdat deze dieren op het bedrijf droog stonden en appellante in 2015 geen melk heeft geleverd. De zeven dieren zijn echter gehouden ten behoeve van een andere melkveehouderij. Appellante verzorgde de droogstaande dieren tijdelijk. Het economische eigendom van de dieren lag bij de hiervoor bedoelde melkveehouderij. Appellante stelt daarnaast dat de gemiddelde melkproductie op haar bedrijf 5.624 kg per jaar bedroeg. Op basis van de zeven melk- en kalfkoeien en de melkproductie had verweerder het fosfaatrecht op 226,8 kg moeten vaststellen.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de zeven op de peildatum aanwezige dieren weide- en zoogkoeien zijn en zodoende terecht in diercategorie 120 zijn geplaatst. Verweerder betwist dat in het geval van appellante sprake was van een afbouwend melkveebedrijf of een bedrijf dat in transitie was. Uit de door appellante ingediende gecombineerde opgaven blijkt dat appellante in ieder geval sinds 1 april 2011 geen melkvee meer op haar bedrijf hield. Ook uit de door appellante in 2015 en 2016 in de gecombineerde opgaven gebruikte standaard bedrijfsindeling codes (SBI-codes) blijkt dat ze geen melkvee hield. De gebruikte codes staan voor ‘financiële holdings’ en voor ‘fokken en houden van runderen (geen melkvee)’. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) blijkt dat appellante stond ingeschreven met de SBI-code voor ‘overig vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven – fokken en houden van rundvee (geen melkvee)’. Uit de door appellante overgelegde CRV rundveestaat blijkt bovendien dat appellante de zeven dieren – vanaf het moment van aanvoer – zelf ook onder diercategorie 120 in haar administratie had staan. Verweerder stelt dat uit de overgelegde stambomen in combinatie met het Identificatie & Registratiesysteem (I&R-systeem) volgt dat zes dieren op de peildatum en daarna geen melk meer hebben gegeven. Alle zeven dieren zijn geslacht. Hieruit blijkt volgens verweerder dat deze dieren terecht stonden ingedeeld in diercategorie 120.

5.2

Met betrekking tot het dier met levensnummer NL […] merkt verweerder op dat dit dier op 6 januari 2016 voor het laatst heeft gekalfd. Het dier is vervolgens geslacht. Uit het I&R-systeem blijkt dat dit kalf reeds op 20 januari 2016 is afgevoerd naar een zoogkoeienhouderij en op 16 maart 2016 naar een nieuwe verzamelplaats van waaruit het is geëxporteerd. Gelet op deze geschiedenis stelt verweerder dat het hier niet gaat om een dier dat is voortgebracht voor de melkveehouderij. Hierbij neemt verweerder nog in aanmerking dat het hier om een kalf met kleurslag blauwbont gaat, wat bij uitstek een vleesvee kleurslag is. Nu ook het kalf dat het dier met levensnummer NL […] op 6 januari 2016 heeft gekregen niet voor de melkveehouderij is voortgebracht, valt het dier met levensnummer NL […] ook zelf niet onder de definitie van een melk- en kalfkoe. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat dit dier op de peildatum ook terecht in diercategorie 120 stond geregistreerd.

Beoordeling

6.1

Tussen partijen is in geschil of zeven dieren moeten worden aangemerkt als melkvee (diercategorie 100) of als weide- en zoogkoeien (categorie 120). Het betreft hier een kwalificatiekwestie. Het onderscheid tussen een melk- en kalfkoe of een weide- en zoogkoe is niet altijd makkelijk te maken en hangt mede af van de omstandigheden op het bedrijf. De bestemming die een dier op de peildatum had, is bepalend voor de vraag of het dier moet worden aangemerkt als melkvee en bijgevolg moet worden betrokken bij het vaststellen van het fosfaatrecht. Of die bestemming na de peildatum wijzigt, is niet relevant. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:545, onder 6.1) volgt uit het systeem van de Msw dat de I&R-registratie in beginsel leidend is voor het vaststellen van het fosfaatrecht. Wel kan er aanleiding zijn om nader onderzoek te doen naar de juistheid van die registratie als die juistheid onderbouwd wordt betwist.

6.2

Het College is van oordeel dat verweerder de zeven dieren, die appellante op de peildatum hield, terecht niet heeft aangemerkt als melkvee in de zin van de Msw. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3

Op de peildatum waren er op het bedrijf van appellante zeven koeien aanwezig die in het I&R-systeem en de CRV Rundveestaat als zoogkoe (diercategorie 120) waren geregistreerd. Zes koeien hebben afgekalfd in 2013 en 2014 en één koe heeft afgekalfd in 2016. De zeven dieren zijn in 2015 en 2016 afgevoerd en geslacht. Appellante heeft in het beroepschrift gesteld en ter zitting bevestigd dat de zeven koeien ook in haar eigen administratie als categorie 120 waren geregistreerd. Het College is van oordeel dat verweerder ter bepaling van het aantal melk- en kalfkoeien op de peildatum terecht is uitgegaan van het I&R-systeem en (de koekaarten in) de CRV rundveestaat. De registratie in het I&R-systeem is in beginsel leidend. Daarnaast is de toelichting over de bedrijfsvoering van appellante van belang. Appellante stelt dat de dieren zijn gehouden ten behoeve van een andere melkveehouderij bij wie het economische eigendom berust. Dit heeft appellante echter niet met objectieve gegevens onderbouwd. Verweerder heeft aan de hand van de gecombineerde opgaven, KvK-inschrijving en de beschrijving van de bedrijfsvoering van appellante terecht de conclusie getrokken dat appellante geen melkveehouderij, maar een vleesveebedrijf en zoogkoeienhouderij exploiteert en dat de onderhavige koeien ook overeenkomstig die bedrijfsvoering werden gehouden. Het beroep van appellante dat verweerder is uitgegaan van de verkeerde dieraantallen slaagt daarom niet.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen