Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:287

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
19/1746
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet: artikel 23, derde lid

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP).

Geen inbreuk op artikel 1 EP aangenomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt.

Het College acht van belang dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de peildatum 2 juli 2015 over alle voor de uitbreiding noodzakelijke vergunningen beschikte. Zij heeft immers geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 overgelegd waaruit blijkt dat zij het beoogde aantal van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee mag houden. Volgens vaste jurisprudentie is er in zo’n geval in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Verder is van belang dat appellante vanaf november 2013 investeringen heeft gedaan in een forse uitbreiding van haar melkveehouderij door de bouw van een nieuwe stal, het aanschaffen van drie melkrobots en de aankoop van meerdere percelen grond. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen niet navolgbaar.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1746

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuiper).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 30 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij in [plaats] . Zij heeft geïnvesteerd in de uitbreiding van haar bedrijf.

2.2

Op 18 maart 2013 heeft appellante een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor het houden van (blijkens de bijlage bij de melding) 180 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee. Aan appellante is op 27 augustus 2013 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe stal.

2.3

Op 4 november 2013 heeft appellante voor het bedrag van € 434.160,- (exclusief btw) een aanneemovereenkomst gesloten met [naam 2] voor de nieuwbouw van een melkrundveestal. De bouw van de stal, inclusief stalinrichting en de aanschaf van een melkkoeltank en melkrobots, heeft appellante ruim € 900.000,- gekost. Verder heeft appellante in februari 2014 twee percelen cultuurgrond gekocht voor in totaal € 320.100,- Deze percelen zijn op 18 maart 2014 aan haar geleverd. Op 22 april 2015 heeft appellante nog een perceel landbouwgrond gekocht voor een bedrag van € 348.612,-. Dit perceel is op 27 mei 2015 aan haar geleverd.

2.4

Voor de financiering van onder andere de nieuw te bouwen stal heeft appellante op
28 oktober 2013 voor een bedrag van € 1.175.000,- een financieringsovereenkomst afgesloten bij de [Bank] . Van dit bedrag was € 965.400,- bestemd voor de financiering van een nieuwe stal. Voor de financiering van de percelen grond heeft appellante op 1 mei 2014 een financiering van € 248.000,- afgesloten en op 8 mei 2015 nog een financiering van € 200.000,-.

2.5

In oktober 2013 zijn de bouwwerkzaamheden voor de nieuwe stal gestart. In april 2014 heeft appellante de nieuwe stal in gebruik genomen.

2.6

Op 1 april 2012 hield appellante 115 melk- en kalfkoeien en 76 stuks jongvee op haar bedrijf. Op 2 juli 2015 waren dat 174 melk- en kalfkoeien en 155 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 9.487 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante ongewijzigd gelaten.

Beroepsgronden

4.1

Appellante heeft aangevoerd dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantast, omdat het de mogelijkheden om melkvee te houden ernstig beperkt. De facto is sprake van een onteigening. Het fosfaatrechtenstelsel dwingt melkveehouders afstand te doen van hun eigendom doordat melkvee moet worden afgevoerd. Daar komt bij dat melkveehouders maar een beperkt aantal dieren kunnen houden, waardoor de inkomsten worden beperkt. Het fosfaatrechtenstelsel dient daarom gekwalificeerd te worden als een ongeoorloofde inbreuk op artikel 1 EP. Verder is er in haar geval sprake van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft geïnvesteerd in het melkveebedrijf en kan deze investering in het geheel niet benutten.

4.2

Appellante voert verder nog aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de noodzaak en de (financiële) gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel. Uit niets blijkt dat verweerder andere mogelijkheden heeft onderzocht om aan de normen van de Nitraatrichtlijn te voldoen en het is nog altijd niet duidelijk of door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel de derogatie wordt behouden. Ook dit levert een schending van artikel 1 van het EP op. Daar komt bij dat het fosfaatrechtenstelsel, volgens appellante, de ‘fair balance’ toets niet kan doorstaan, omdat het niet voorzienbaar was. Dit volgt ook uit de brief van 3 maart 2016 van staatssecretaris van Dam en de wetsgeschiedenis van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom en wel noodzakelijk op grond van de Nitraatrichtlijn. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Het fosfaatrechtenstelsel was volgens verweerder voorzienbaar.

5.2

Verder betwist verweerder dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Verweerder meent dat appellante niet heeft aangetoond dat zij over alle voor de uitbreiding benodigde vergunningen beschikte. Appellante heeft immers geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) overgelegd. Appellante heeft evenmin (relevante) bijzondere omstandigheden aangevoerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voorzienbaar was en dat uitbreiding een ondernemerskeuze is, waarvan de gevolgen in beginsel voor rekening van appellante dienen te komen. Van een bedrijfseconomische noodzaak tot uitbreiding van het bedrijf is niet gebleken. Verweerder merkt bovendien op dat appellante de beoogde groei reeds deels heeft gerealiseerd en dat de waarde van de daarmee gepaard gaande fosfaatrechten een deel van het (mogelijke) verlies kan opvangen.

Beoordeling

6.1

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel, onder meer omdat het stelsel niet noodzakelijk is op grond van de Nitraatrichtlijn, op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd. Het College is van oordeel dat de vergelijking die appellante maakt met (de rechtspraak over) de voorzienbaarheid van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm-stelsel) niet opgaat, omdat geen sprake is van gelijke stelsels en/of situaties. Het fosfaatrechtenstelsel, zoals neergelegd in de Meststoffenwet, stuurt op mestproductie en heeft niet - zoals het Wvgm-stelsel – tot doel om groei mogelijk te maken. Het College verwijst in dit kader naar zijn uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1), 30 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:320) en 27 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:369).

6.2

Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.3.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.3.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.3.3

In deze uitspraak heeft het College ook overwogen (onder 6.8) dat voor alle melkveehouders geldt dat de gemiddelde melkgift vanwege verbeteringen in de efficiëntie van de melkveebedrijfsvoering in 2018 hoger zal zijn dan in 2015 en dat daarvoor (vanwege het hogere excretieforfait) meer fosfaatrecht nodig is. Het door die productiviteitsstijging benodigde extra fosfaatrecht mist een individueel karakter, want iedere melkveehouder ziet zich voor de overbrugging van dat extra fosfaatrecht gesteld. Verder geldt, met uitzondering van grondgebonden bedrijven, voor alle melkveehouders dat hun fosfaatrecht op grond van artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt verminderd. Dat deel van de last draagt iedere (niet-grondgebonden) melkveehouder (vergelijk de uitspraak van het College van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:624, onder 6.4.1). In zoverre is de last (ook) voor de melkveehouder niet individueel en bestaat - ongeacht de bedrijfseconomische gevolgen - in beginsel geen grond om een individuele en buitensporige last aan te nemen.

6.3.4

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden - wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd - navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.3.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 6.3.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor de in de melding Activiteitenbesluit genoemde 180 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee en de vastgestelde 9.487 kg fosfaatrecht, die is gebaseerd op het aantal dieren dat appellante op 2 juli 2015 op haar bedrijf hield (174 melk- en kalfkoeien en 155 stuks jongvee). Het College vraagt zich af of gelet op deze aantallen sprake is van een last die appellante ten gevolge van het fosfaatrechtenstelsel moet dragen, nu voor meer jongvee rechten zijn verkregen dan voornoemde 140. Voor het geval dat moet worden uitgegaan van de door appellante gestelde beoogde bedrijfsvoering van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee en de omstandigheid dat appellante mogelijk door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt, is dat alleen onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 6.3.4 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellante heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.3.6

In dat verband is van belang dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de peildatum 2 juli 2015 over alle voor de uitbreiding noodzakelijke vergunningen beschikte. Zij heeft immers geen Nbw-vergunning overgelegd waaruit blijkt dat zij het beoogde aantal van 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks jongvee mag houden. Volgens vaste jurisprudentie is er in zo’n geval in beginsel geen ruimte om aan te nemen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. Verder is van belang dat appellante vanaf november 2013 investeringen heeft gedaan in een forse uitbreiding van haar melkveehouderij door de bouw van een nieuwe stal, het aanschaffen van drie melkrobots en de aankoop van meerdere percelen grond. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar.

Dat appellante op de peildatum nog niet over het uiteindelijk beoogde aantal dieren beschikte, betekent niet dat reeds daarom sprake is van een individuele en buitensporige last als gevolg van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. De keuze om de stal te vullen door middel van eigen aanwas is een ondernemerskeuze, waarvan de gevolgen in beginsel voor rekening van appellante komen. Van omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom ten tijde van haar uitbreidingsplannen een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat de uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.

6.3.7

Met betrekking tot de omvang van de gestelde last constateert het College dat uit het bij het verweerschrift gevoegde overzicht geregistreerde fosfaatrechten blijkt dat appellante in 2018 in totaal 2.324,42 kg fosfaatrechten heeft bijgekocht. Het College leidt daaruit af dat er ondanks de gestelde last nog middelen waren voor de aankoop van fosfaatrechten. Dat betekent dat de last geringer van omvang is dan het hiervoor berekende verschil.

6.3.8

Het College komt dan ook tot de conclusie dat de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

6.4

Voor een ontheffing op grond van artikel 38 van de Msw heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.