Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:239

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/865
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet

artikel 72b, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

artikel 103a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

artikel 103b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Fosfaatrechten. Partijen hebben afgezien van een behandeling ter zitting. Appellante heeft in een reactie op het verweerschrift verzocht om conform het verweerschrift het aantal fosfaatrechten vast te stellen op 4.716 kg. Hieruit leidt het College af dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld. Partijen zijn het daarnaast eens over de berekening van de fosfaatruimte en de daarmee samenhangende verhoging van het fosfaatrecht tot 4.716 kg. Nu vast staat dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld, is het beroep alleen al hierom gegrond.

Verweerder heeft erkend dat sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is naar het oordeel van het College aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. E. Kort-Schenk),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 27 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht verhoogd.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Op grond van artikel 72b, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (het Uitvoeringsbesluit) wordt de generieke korting niet toegepast als, kort gezegd, de mestproductie door melkvee in 2015 minder was dan de fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Artikel 72b, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sluit aan bij het bestaande systeem voor het bepalen van de fosfaattoestand van de grond. Appellante moet het bewijs aanleveren dat haar melkvee in 2015 minder mest produceerde dan haar fosfaatruimte in dat kalenderjaar. Als zij dat bewijs niet levert, dan vloeit uit het systeem van de wet voort dat voor het bepalen van de fosfaatruimte wordt uitgegaan van een hoge fosfaattoestand van de grond.

1.3

De fosfaattoestand van de grond wordt, ingevolge artikel 103a in samenhang gelezen met artikel 103b van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, vastgesteld aan de hand van grondmonsters.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Volgens de gecombineerde opgave van 2015 had appellante op 15 mei 2015 de beschikking over 60,37 hectare (ha) grond verdeeld over 33 percelen.

Besluiten van verweerder

3.1

Het fosfaatrecht van appellante is bij het primaire besluit vastgesteld op 4.476 kg. Bij het berekenen van de fosfaatruimte op de peildatum van 15 mei 2015 is verweerder uitgegaan van 47,33 ha grasland met een hoge fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van 80 kg, 11,27 ha bouwland met een hoge fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van

50 kg en 1,79 ha natuurterrein (grasland) met een fosfaatgebruiksnorm van 70 kg. De totale fosfaatruimte in 2015 is vastgesteld op 4.475,2 kg. Verweerder heeft berekend dat de fosfaatproductie in 2015 de vastgestelde fosfaatruimte overstijgt en om die reden het op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw berekende fosfaatrecht van 4.768,8 kg met 293,6 kg gekort.

3.2

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante (gedeeltelijk) gegrond verklaard en is het primaire besluit herroepen. Het is verweerder gebleken dat hij de melkproductie en fosfaatruimte in 2015 onjuist heeft vastgesteld. Aanpassing daarvan leidt tot een verhoging van het bij het primaire besluit vastgestelde fosfaatrecht naar 4.593 kg. Bij het berekenen van de fosfaatruimte is verweerder uitgegaan van 5,43 ha grasland met een lage fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van 100 kg, 2,97 ha grasland met een neutrale fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van 90 kg, 38,67 ha grasland met een hoge fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van 80 kg en 11,27 ha bouwland met een hoge fosfaattoestand en een fosfaatgebruiksnorm van 50 kg. De totale fosfaatruimte in 2015 is vastgesteld op 4.592,7 kg. Verweerder heeft berekend dat de fosfaatproductie in 2015 de vastgestelde fosfaatruimte overstijgt en om die reden het op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw berekende fosfaatrecht van 4.887,8 kg met 295,1 kg gekort.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder het fosfaatrecht onjuist heeft vastgesteld, aangezien verweerder ten aanzien van zeven percelen is uitgegaan van het onjuiste PAL-getal en zodoende de fosfaatruimte onjuist heeft berekend. Appellante weerspreekt dat de percelen niet volledig zijn bemonsterd.

4.2

Appellante voert verder aan dat verweerder ten onrechte de proceskosten in bezwaar niet heeft vergoed. Verweerder heeft het bezwaar van appellante immers deels gegrond verklaard en daarbij het primaire besluit herroepen. Volgens appellante is de in bezwaar toegepaste aanpassing van de melkproductie te wijten aan onrechtmatigheid van het bestuursorgaan. Nu de regeling toestaat om een correctie op de geproduceerde melk aan te brengen, had verweerder vooraf moeten navragen hoeveel melk er niet aan de fabriek was geleverd. Het had voor verweerder immers vooraf duidelijk kunnen en moeten zijn dat niet alle geproduceerde melk aan de melkfabriek wordt geleverd, vanwege ziekte van dieren, biestmelk en privégebruik.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder erkent dat hij in het bestreden besluit ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zes van de zeven in geschil zijnde percelen onvolledig bemonsterd waren. Ten opzichte van het bestreden besluit moet een ophoging van de fosfaatruimte plaatsvinden van 4.592,7 kg naar 4.715,8 kg. Het bedrijf van appellante is ook op basis van de opnieuw vastgestelde fosfaatruimte niet grondgebonden, omdat de fosfaatproductie in 2015 groter is dan de fosfaatruimte in 2015. Omdat het verschil tussen de fosfaatrechten (4.887,8 kg) en de fosfaatruimte (4.715,8 kg) kleiner is dan de generieke korting, dient appellante gekort te worden met het verschil: 172 kg. Gelet hierop moet het aantal fosfaatrechten voor appellante worden verhoogd naar 4.716 kg.

5.2

Verweerder erkent dat nu een herroeping van het primaire besluit heeft plaatsgevonden, ten onrechte de kosten van de bezwaarprocedure niet zijn vergoed.

Beoordeling

6.1

Partijen hebben afgezien van een behandeling ter zitting. Appellante heeft in een reactie op het verweerschrift verzocht om conform het verweerschrift het aantal fosfaatrechten vast te stellen op 4.716 kg. Hieruit leidt het College af dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld. Partijen zijn het daarnaast eens over de berekening van de fosfaatruimte en de daarmee samenhangende verhoging van het fosfaatrecht tot 4.716 kg. Nu vast staat dat het fosfaatrecht in het bestreden besluit te laag is vastgesteld, is het beroep alleen al hierom gegrond.

6.2

Verweerder heeft erkend dat sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Daarmee is naar het oordeel van het College aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Slotsom

8.1

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 23 Msw en artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het College het primaire besluit herroept en het fosfaatrecht van appellante overeenkomstig de berekening uit 5.1 vaststelt op 4.716 kg. Tevens dient verweerder de kosten van appellante in bezwaar te vergoeden. Die kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 534,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

8.2

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt het College dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt en veroordeelt het College verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 4.716 kg;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan appellante de kosten in bezwaar vergoedt ter hoogte van € 534,- en veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van in totaal € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen