Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:234

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/1183 en 19/1184
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

GLB. Randvoorwaardenkorting. Vervolg op ECLI:NL:CBB:2019:218. Overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1183 en 19/1184

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaken tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.L. Baar),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen),

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

19/1183

Bij besluit van 13 april 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 45% op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen.


Bij besluit van 9 augustus 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

19/1184

Bij besluit van 7 december 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 55% op de aan appellante voor het jaar 2017 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 2 maart 2018 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

19/1183 en 19/1184

Bij uitspraak van 28 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:218) heeft het College de beroepen van appellante gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Bij (afzonderlijke) besluiten van 24 juni 2019 (de bestreden besluiten 1a en 2a) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1 onderscheidenlijk het primaire besluit 2 opnieuw ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1a en 2a beroep ingesteld. In dit beroepschrift heeft appellante een beroep gedaan op de redelijke termijn. Naar aanleiding hiervan heeft het College de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen [naam 2] , werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen

19/1138 en 19/1184

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van het College van 28 mei 2019. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij brief van 2 maart 2017 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat uit de controle van de inspecteurs van de NVWA blijkt dat niet aan alle randvoorwaarden is voldaan en dat verweerder het voornemen heeft om een korting van 45% toe te passen op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in het jaar 2016. Verweerder heeft hieraan, voor zover van belang, de op 7 maart 2016, 25 maart 2016 en 6 april 2016 geconstateerde overtredingen ten grondslag gelegd van de volgende randvoorwaarden op het gebied van ‘Dierenwelzijn’:

  • -

    de verplichting kalveren een goede verzorging te geven, waarvoor de korting 9% is, omdat de overtreding op 25 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 7 maart 2016;

  • -

    de verplichting een ziek of gewond dier zo nodig af te zonderen in een passende huisvesting met droog strooisel, waarvoor de korting 15% is, omdat de overtreding op 25 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 17 maart 2015 en 14 april 2015; nu het maximum van 15% korting uit herhaling is bereikt, wordt als deze voorwaarde nogmaals wordt overtreden, aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting dieren die niet in een gebouw worden gehouden te beschermen tegen weeromstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s, waarvoor de korting 30% is, omdat de overtreding op 6 april 2016 een herhaling is van de overtreding op 23 januari 2014, 14 april 2015, 4 juni 2015 en 25 maart 2016, het maximum van 15% uit herhaling is bereikt en wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting een dier voldoende, gezond en geschikt voer te geven, waarvoor de korting 30% is, omdat de overtreding op 25 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015 en 7 maart 2016, het maximum van 15% uit herhaling is bereikt en wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting dat de ligruimte van een stal comfortabel en niet schadelijk is, zindelijk is, beschikt over een behoorlijke afvoer en niet schadelijk is voor kalveren, waarvoor de korting 20% is, omdat de overtreding op 7 maart 2016 een herhaling betreft van de overtreding op 17 maart 2015, 14 april 2015 en 4 juni 2015, het maximum van 15% uit herhaling is bereikt en wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting kalveren te voorzien van voldoende vers water van passende kwaliteit, waarvoor de korting 3% is;

  • -

    de verplichting dat er in de huisvesting van dieren geen scherpe randen of uitsteeksels zijn waaraan dieren zich kunnen verwonden, waarvoor de korting 20% is, omdat de overtreding op 7 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 23 januari 2014, 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015 en 4 juni 2015, het maximum van 15% uit herhaling is bereikt en wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting dat dieren toegang hebben tot een voldoende hoeveelheid schoon water of toegang hebben tot een andere manier om aan de behoefte van water te voldoen, waarvoor de korting 9% is, omdat de overtreding op 7 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 17 maart 2015 en

  • -

    de verplichting dat een ziek of gewond dier op een passende manier wordt verzorgd of een dierenarts wordt geraadpleegd, waarvoor de korting 15% is, omdat de overtreding op 25 maart 2016 een herhaling is van de overtreding op 7 maart 2016, 17 maart 2015 en 14 april 2015; nu het maximum van 15% korting uit herhaling is bereikt, wordt als deze voorwaarde nogmaals wordt overtreden, aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld.

1.3

Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder een korting van 45% toegepast op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in het jaar 2016. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellante de hierboven genoemde negen randvoorwaarden op het terrein van dierenwelzijn heeft overtreden.

1.4

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de vastgestelde randvoorwaardenkorting van 45% gehandhaafd. Volgens verweerder is de constatering van de NVWA dat appellante niet heeft voldaan aan de diverse randvoorwaarden, juist. Verweerder heeft aan appellante daarom terecht een korting van 45% opgelegd op de door appellante in het jaar 2016 aangevraagde GLB-steun.

1.5

Bij brief van 9 november 2017 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat uit de controle blijkt dat niet aan alle randvoorwaarden is voldaan en dat verweerder het voornemen heeft een korting van 55% toe te passen op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in het jaar 2017. Verweerder heeft hieraan, voor zover van belang, de op 23 januari 2017 en 27 maart 2017 geconstateerde overtredingen ten grondslag gelegd van de volgende randvoorwaarden op het gebied van ‘Dierenwelzijn’:

  • -

    de verplichting een ziek of gewond dier zo nodig af te zonderen in een passende huisvesting met droog strooisel, waarvoor de korting 30% is, omdat de overtreding op 27 maart 2017 een herhaling is van de overtreding op 17 maart 2015, 14 april 2015, 25 maart 2016 en 23 januari 2017; er is sprake van opzet omdat deze overtreding meerdere malen heeft plaatsgevonden;

  • -

    de verplichting dat de behuizing waarin dieren verblijven en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zodanig zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij het dier geen letsel of pijn wordt veroorzaakt, waarvoor de korting 40% is, omdat de overtreding op 27 maart 2017 een herhaling is van de overtreding op 14 maart 2012, 23 januari 2014, 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015, 4 juni 2015, 7 maart 2016 en 23 januari 2017; er is sprake van opzet omdat deze overtreding meerdere malen heeft plaatsgevonden;

  • -

    de verplichting dat dieren toegang hebben tot een voldoende hoeveelheid schoon water of toegang hebben tot een andere manier om aan de behoefte van water te voldoen, waarvoor de korting 15% is, omdat de overtreding op 27 maart 2017 een herhaling is van de overtreding op 17 maart 2015, 7 maart 2016 en 23 januari 2017; nu het maximum van 15% korting uit herhaling is bereikt, wordt als deze voorwaarde nogmaals wordt overtreden, aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting dat een ziek of gewond dier op een passende manier wordt verzorgd of een dierenarts wordt geraadpleegd, waarvoor de korting 20% is, omdat de overtreding op 23 januari 2017 een herhaling is van de overtreding op 17 maart 2015, 14 april 2015, 7 maart 2016 en 25 maart 2016, het maximum van 15% uit herhaling is bereikt en wordt aangenomen dat appellante met opzet heeft gehandeld;

  • -

    de verplichting dat een dier voldoende, gezond en geschikt voer krijgt, waarvoor de korting 40% is, omdat de overtreding op 23 januari 2017 een herhaling is van 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015, 7 maart 2016 en 25 maart 2016; er is sprake van opzet omdat deze overtreding meerdere malen heeft plaatsgevonden;

  • -

    de verplichting kalveren te voorzien van voldoende vers water van passende kwaliteit, waarvoor de korting 9% is, omdat de overtreding op 27 maart 2017 een herhaling is van de overtreding op 7 maart 2016 en

  • -

    de verplichting dieren die niet in een gebouw worden gehouden te beschermen tegen weeromstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s, waarvoor de korting 40% is, omdat de overtreding op 27 maart 2017 een herhaling is van de overtreding op 26 maart 2014, 14 april 2015, 4 juni 2015, 25 maart 2016 en 6 april 2016; er is sprake van opzet omdat deze overtreding meerdere malen heeft plaatsgevonden.

1.6

Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder een korting van 55% toegepast op alle GLB-subsidies die appellante heeft aangevraagd in het jaar 2017. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat appellante de hierboven genoemde zeven randvoorwaarden op het terrein dierenwelzijn heeft overtreden.

1.7

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat een randvoorwaardenkorting van 40% komt te vervallen – omdat de constateringen in het toezichtsrapport onvoldoende zijn voor de conclusie dat de runderen van appellante niet over een toereikende hoeveelheid gezond voer konden beschikken –, maar dat de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2017 onverminderd 55% blijft.

2. Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft het College de beroepen van appellante gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.1

Ter uitvoering van de uitspraak van het College heeft verweerder op 24 juni 2019 twee nieuwe besluiten op bezwaar genomen. Bij het bestreden besluit 1a over de randvoorwaardenkorting over het jaar 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit 1 gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat een randvoorwaardenkorting van 15% voor een onderdeel (de verplichting een ziek of gewond dier zo nodig af te zonderen in een passende huisvesting met droog strooisel) komt te vervallen, maar dat de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2016 onverminderd 45% blijft.

3.2

Bij het bestreden besluit 2a over de randvoorwaardenkorting over het jaar 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 gehandhaafd. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat een randvoorwaardenkorting van 40% (geschikt voer) komt te vervallen en dat de randvoorwaardenkorting voor twee onderdelen (afzondering zieke of gewonde dieren en verzorging ziek of gewond dier) is verlaagd naar 15%, maar dat de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2017 onverminderd 55% blijft.

Horen na nemen nieuwe besluiten op bezwaar

4. Met betrekking tot het betoog van appellante dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, overweegt het College dat uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen algemene verplichting valt af te leiden tot het opnieuw horen van belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van een rechterlijke instantie, waarbij het eerdere besluit op het bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar te horen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1707)). In dit geval heeft het College in de uitspraak van 28 mei 2019 de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd, omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake was van herhalingen en van opzet. Gelet op de door verweerder overgelegde stukken die ten grondslag liggen aan de herhaalde niet-nalevingen en het belang van (de gemachtigde van) appellante om hierop te kunnen reageren, had het op de weg van verweerder gelegen om appellante te horen alvorens de nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. Door dit na te laten heeft verweerder de bestreden besluiten 1a en 2a niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en zijn deze besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen. Het College ziet anders dan door appellante is betoogd, aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellante door het niet horen in haar belangen is geschaad, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder dan tot andere besluiten zou zijn gekomen. Bovendien heeft (de gemachtigde van) appellante in beroep wel de beschikking gehad over de overlegde stukken en bij het College gronden naar voren kunnen brengen over de inhoud daarvan.

Proceskosten in bezwaar

5. Appellante betoogt voorts in beroep dat verweerder de kosten die zij in bezwaar heeft gemaakt ten onrechte niet in de bestreden besluiten 1a en 2a heeft vergoed. Zij stelt dat de hoogte van de opgelegde randvoorwaardenkorting in de bestreden besluiten 1a en 2a weliswaar niet is gewijzigd, maar dat deze besluiten ten opzichte van de eerdere besluitvorming ingrijpend zijn veranderd. De motivering van deze besluiten is niet alleen verbeterd, maar er zijn volgens appellante ook een aantal kortingen (per onderdeel) komen te vervallen of percentages daarvan gewijzigd. Dit betoog slaagt niet. Voor het vergoeden van de kosten in bezwaar is geen ruimte, nu de primaire besluiten 1 en 2 niet zijn herroepen.

Wettelijk kader

6. Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. De beheerseisen die appellante volgens verweerder niet heeft nageleefd, behoren tot het in die bijlage opgenomen terrein 'Dierenwelzijn'. Het College stelt voorop dat op grond van de hiervoor weergegeven bepalingen de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk is gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

19/1183 (randvoorwaardenkorting over het jaar 2016)

Staat van huisvesting

7.1

Wat betreft de ‘staat van huisvesting’ bepaalt artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit houders van dieren (Besluit) dat behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en dat deze geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden.

7.2

Het College heeft in de uitspraak van 28 mei 2019 vastgesteld dat appellante de op 7 maart 2016 door verweerder geconstateerde niet-nalevingen niet heeft betwist. Met verweerder is het College van oordeel dat appellante deze randvoorwaarde op 7 maart 2016 niet heeft nageleefd.

7.3

In het bestreden besluit 1a heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat de op 7 maart 2016 geconstateerde niet-naleving van deze randvoorwaarde (ook) op 14 maart 2012, 23 januari 2014, 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015 en 4 juni 2015 bij appellante is geconstateerd. In het besluit heeft verweerder verder uiteengezet dat bij besluit van
8 januari 2015 over het subsidiejaar 2014 een korting van 15% is opgelegd. Deze korting is verhoogd tot 20% vanwege de opzettelijke niet-naleving in het jaar 2015. Verweerder heeft de hoogte van de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2016 met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Beleidsregel) vanwege de volgende herhaling (op 7 maart 2016) verhoogd tot 30%.

7.4

Appellante heeft zich in beroep niet gericht tegen de randvoorwaardenkorting voor de (herhaalde) niet-naleving van deze randvoorwaarde (staat van huisvesting). Het College gaat daarom uit van de juistheid van de constatering van verweerder van de niet-nalevingen en eveneens van de door verweerder opgelegde korting van 30% daarvoor.

Geschikt voer

8.1

Artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Besluit bepaalt dat degene die een dier houdt, ervoor zorgt dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier.

8.2

In de uitspraak van 28 mei 2019 heeft het College geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante deze randvoorwaarde op 7 maart 2016 en op 25 maart 2016 niet heeft nageleefd.

8.3

In het bestreden besluit 1a heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat op 26 maart 2014, 17 maart 2015 en 14 april 2015 eenzelfde niet-naleving is geconstateerd. Appellante betwist in beroep uitsluitend de (herhaalde) niet-naleving van deze randvoorwaarde op 17 maart 2015 en 14 april 2015. Appellante wijst er in dit verband op dat zij ten aanzien van deze overtredingen is vrijgesproken. Deze vrijspraak volgt uit het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 november 2017 (niet-gepubliceerd).

8.4

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de verplichting om dieren voldoende, gezond en geschikt voer te geven op 26 maart 2014 niet heeft nageleefd. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet, zoals nader toegelicht ter zitting, dat (ook) indien rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat appellante bij het arrest van Gerechtshof Den Haag is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde overtreding op 17 maart 2015 en 14 april 2015, sprake is van een herhaalde niet-naleving, hetgeen in ieder geval een korting van 15% rechtvaardigt. Appellante heeft ter zitting aangegeven dat de vaststelling van de hoogte van deze korting juist is.

9. Zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 juni 2018, Nooren, C-667/16 (ECLI:EU:C:2018:394) worden, als meerdere gevallen van nietnaleving zijn geconstateerd die tot eenzelfde terrein behoren, de verlaging voor nietnaleving door nalatigheid en de verlaging voor opzettelijke niet-naleving bij elkaar opgeteld (zie de uitspraak van het College van 5 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:91)). Dit betekent dat in dit geval, waarin de beide niet-nalevingen behoren tot het terrein van dierenwelzijn, de korting van 30% moet worden opgeteld bij de korting van 15%. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet het College gelet op het hiervoor overwogene geen reden om dit onrechtmatig of onevenredig te oordelen.

10. Nu deze korting naar aanleiding van de niet-nalevingen van de verplichting behuizingen en inrichtingen voor de beschutting van een dier zo te ontwerpen, maken en onderhouden dat het dier zich niet kan verwonden en van de verplichting een dier voldoende, gezond en geschikt voer te geven al overeenkomt met de door verweerder vastgestelde randvoorwaardenkorting van 45%, behoeft hetgeen appellante heeft aangevoerd tegen de door verweerder geconstateerde niet-nalevingen van de andere onder 1.2 genoemde randvoorwaarden geen bespreking meer. Voor zover verweerder in het bestreden besluit 1a een standpunt heeft ingenomen over het (herhaaldelijk) overtreden van die andere randvoorwaarden en dat standpunt aan nieuwe besluitvorming ten grondslag legt, kan appellante daartegen alsdan een rechtsmiddel aanwenden (zie de uitspraak van het College van 29 juni 2017, ECLI:NL:CBB:2017:276).

11. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gericht tegen de randvoorwaardenkorting van 45% voor het jaar 2016 ongegrond is.

19/1184 (randvoorwaardenkorting over het jaar 2017)

Staat van huisvesting

12.1

Het College heeft in eerdergenoemde uitspraak van 28 mei 2019 (ook) ten aanzien van de op 23 januari 2017 en 27 maart 2017 door verweerder geconstateerde niet-nalevingen (dat dieren zich konden verwonden aan scherpe en uitstekende delen) vastgesteld dat appellante deze niet heeft betwist. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante deze randvoorwaarde op 23 januari 2017 en 27 maart 2017 niet heeft nageleefd.

12.2

Bij het bestreden besluit 2a heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat de op 27 maart 2017 geconstateerde niet-naleving van de in artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit neergelegde verplichting een herhaling is van de eerdere niet-naleving op 14 maart 2012, 23 januari 2014, 26 maart 2014, 17 maart 2015, 14 april 2015, 4 juni 2015, 7 maart 2016 en 23 januari 2017. Gelet op artikel 3, vijfde lid, van de Beleidsregel heeft verweerder de voor het jaar 2016 opgelegde korting van 30% (zie 7.3) verhoogd tot 40%.

12.3

Appellante heeft zich in beroep niet gericht tegen de randvoorwaardenkorting voor de (herhaalde) niet-naleving van deze randvoorwaarde (staat van huisvesting). Het College gaat daarom uit van de juistheid van de constatering van verweerder van de niet-nalevingen en eveneens van de door verweerder opgelegde korting van 40% daarvoor.

Verzorging ziek of gewond dier
13.1 Artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, en artikel 2.4, vijfde lid, van het Besluit, in samenhang gelezen, zien op de verplichting dat degene die een dier houdt, ervoor zorg draagt dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd en dat wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts dient te worden geraadpleegd.

13.2

Het College heeft in de uitspraak van 28 mei 2019 vastgesteld dat appellante de door verweerder geconstateerde niet-naleving op 23 januari 2017 niet heeft betwist. Het College is met verweerder van oordeel dat appellante deze randvoorwaarde op 23 januari 2017 niet heeft nageleefd.

13.3

Verweerder heeft in het bestreden besluit 2a gemotiveerd uiteengezet dat tijdens eerdere controles op het bedrijf van appellante op 17 maart 2015 en 7 maart 2016 is geconstateerd dat appellante de verplichting ervoor te zorgen dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op een passende wijze wordt verzorgd (ook) niet heeft nageleefd. Verweerder handhaaft evenwel niet langer dat sprake is een niet-naleving van deze randvoorwaarde op 14 april 2015 en 25 maart 2016. Om die reden heeft verweerder in dit besluit het kortingspercentage van 20% naar 15% verlaagd.

13.4

Appellante heeft zich in beroep evenmin gericht tegen de randvoorwaardenkorting voor de (herhaalde) niet-naleving van deze randvoorwaarde. Het College gaat daarom uit van de juistheid van de constatering van verweerder van de niet-nalevingen en eveneens van de door verweerder opgelegde korting van 15% daarvoor.

13.5

Uit het voorgaande volgt dat het beroep over de randvoorwaardenkorting van 55% voor het jaar 2017 ongegrond is. Voor zover verweerder in het bestreden besluit 2a een standpunt heeft ingenomen over het (herhaaldelijk) overtreden van de daarin genoemde (overige) randvoorwaarden en dat standpunt aan nieuwe besluitvorming ten grondslag legt, kan appellante daartegen alsdan een rechtsmiddel aanwenden.

19/1183 en 19/1184

14. De slotsom is dat de beroepen van appellante ongegrond zijn.

15. Appellante heeft in beide zaken een beroep gedaan op de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het College overweegt hierover als volgt.

15.1

Als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. De bezwaarschriften van appellante zijn door verweerder ontvangen op 23 mei 2017 (zaak 19/1183) en 5 januari 2018 (zaak 19/1184). Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 2 maart 2021 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar in beide zaken is overschreden, respectievelijk met eenentwintig maanden en veertien maanden. Van factoren die aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake.

15.2

Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, betekent dit dat appellante recht op een schadevergoeding van respectievelijk € 2.000,- (zaak 19/1183) en € 1.500,- (zaak 19/1184) derhalve in totaal € 3.500,-.

15.3

In beide zaken is na een eerdere uitspraak van het College van 28 mei 2019 een herziene beslissing op bezwaar aan de bestuursrechter voorgelegd. Mede als gevolg hiervan is de redelijke termijn overschreden. In zodanige zaken wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit zou slechts anders zijn wanneer het College de redelijke termijn voor de behandelingsduur voor de beroepen heeft overschreden. Dit is het geval, nu verweerder binnen een maand na de uitspraak van het College opnieuw op de bezwaren van appellante heeft beslist, terwijl de behandeling van de beroepen meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is derhalve volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van in totaal € 3.500,- aan appellante.

16. Het College ziet aanleiding verweerder op te dragen het door appellante betaalde griffierecht van € 345,- aan haar te vergoeden.

17. Tot slot zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding voor immateriële schade van € 3.500,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. T. Pavićević en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.