Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:227

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet artikel 23; Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 8:72

Het betoog dat Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het beroep zal wel gegrond worden verklaard, vanwege de ene koe die verweerder ten onrechte niet heeft meegenomen. Het College vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het fosfaatrecht van appellante vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

VOF [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burcht).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 2 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante deels gegrond verklaard, het fosfaatrecht verhoogd vastgesteld en de verbeurde dwangsom vanwege niet-tijdig beslissen op bezwaar vastgesteld op € 1.260,--.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2020. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepaling

1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] , waar zij op de peildatum 2 juli 2015 105 melkkoeien en 84 stuks jongvee hield.

Besluiten van verweerder

3.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.023 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

3.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard (met betrekking tot de in aanmerking genomen melkproductie) en voor het overige (met betrekking tot de gestelde individuele en buitensporige last) ongegrond verklaard en het fosfaatrecht hoger vastgesteld op 5.168 kg.

Beroepsgronden

4. Appellante voert in beroep, samengevat, aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder wijst op de jurisprudentie van het College waarbij de door appellante aangevoerde beroepsgronden in andere zaken zijn verworpen. Wel constateert verweerder ambtshalve dat er één melkkoe te weinig is meegenomen op de peildatum. Verweerder verzoekt het College om het fosfaatrecht van appellante, als berekend in de bijlage bij het verweerschrift, vast te stellen op 5.206 kg (met generieke korting).

Beoordeling

6.1.

Het betoog dat Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615). De beroepsgronden slagen niet.

6.2.

Het beroep zal wel gegrond worden verklaard, vanwege de ene koe, als hiervoor onder 5 vermeld. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het fosfaatrecht van appellante vast te stellen op 5.206 kg.

7. Aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, en 1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, behalve voor zover dat betrekking heeft op de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van appellante

- herroept het primaire besluit, stelt het fosfaatrecht van appellante vast op 5.206 kg en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.