Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:225

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/1611
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GLB; methode van constatering van de oppervlakte van de percelen; GPS-systeem en Rijksdriehoekstelsel; bomenrij; gele kaart

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Appellant is zonder bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Appellant heeft bij de Gecombineerde opgave 2018 om uitbetaling gevraagd. Daartoe heeft hij negentien percelen opgegeven met een oppervlakte van in totaal 37,46 hectare (ha). Bij het primaire besluit heeft verweerder een lagere oppervlakte geconstateerd, namelijk in totaal 36,06 ha. Vanwege het verschil tussen de opgegeven en de geconstateerde totale oppervlakte van 3,882% heeft verweerder op de uitbetaling een korting toegepast.

2. Appellant richt zich in beroep tegen de methode waarmee verweerder de oppervlakte van percelen vaststelt. Appellant heeft dit in eerdere beroepsprocedures over besluiten op grond van de Uitvoeringsregeling al aan de orde gesteld en het College heeft het betoog van appellant steeds ongegrond verklaard, namelijk bij de uitspraak van 20 november 2018 over de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling voor het jaar 2015 (ECLI:NL:CBB:2018:624), bij de uitspraak van 13 augustus 2019 over de uitbetaling voor het jaar 2016 (ECLI:NL:CBB:2019:347), en bij de uitspraak van 6 mei 2020 over de uitbetaling voor het jaar 2017 (ECLI:NL:CBB:2020:332). Het College ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. In de grote hoeveelheid gegevens die appellant heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog dat de intekening in de Gecombineerde opgave op basis van een GPS-systeem (met graden noorderbreedte en oosterlengte) zich niet verhoudt met het systeem van referentiepercelen op basis van het Rijksdriehoekstelsel (met kilometers oostwest en zuid-noord), ziet het College onvoldoende geconcretiseerd dat daadwerkelijk sprake is van een onjuiste omrekening van GPS-meetgegevens naar het Rijksdriehoekstelsel. Evenmin is concreet onderbouwd dat appellant daardoor wordt benadeeld. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

3. Appellant betoogt dat verweerder de oppervlakte van de percelen had moeten onderzoeken, en wijst er in dat verband op dat het verschil tussen opgegeven en geconstateerde oppervlakte groter is dan 2%. Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op de oppervlakte van de opgegeven percelen. Verweerder heeft dus, anders dan met deze beroepsgrond wordt gesuggereerd, geen toepassing gegeven aan de mogelijkheid om binnen een marge van 2% uit te gaan van de juistheid van de oppervlakte van het referentieperceel (op grond van artikel 5, derde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014)). De beroepsgrond mist dan ook feitelijke grondslag en kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

4. Appellant heeft ook gesteld dat verweerder bij bomenrijen de perceelsgrens niet onderzoekt, maar simpelweg ergens de grens trekt. Verweerder heeft dit betwist: verweerder legt de grens bij bomenrijen op 50 cm van het hart van de stam, maar als onder de bomen een sloot ligt of een afrastering staat wordt de perceelsgrens gelegd op de insteek van de sloot dan wel op de afrastering. Het College is niet gebleken dat verweerder ten aanzien van de percelen van appellant hiervan is afgeweken. Uitzondering hierop is perceel 30: verweerder heeft ten aanzien van dit perceel erkend dat de perceelsgrens onjuist is gelegd en dat het perceel enkele honderden van een hectare groter moet worden geconstateerd dan in het primaire besluit is gebeurd. In zoverre is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Appellant heeft zich in beroep ook gericht tegen de passage in het bestreden besluit dat verweerder niet toekomt aan de bezwaargrond ten aanzien van de opgelegde gele kaart in het jaar 2016, omdat het subsidiejaar 2016 geen deel uitmaakt van de huidige procedure.

6. De zogeheten 'gele kaart' is opgenomen in artikel 19 bis, tweede lid, van Verordening 640/2014. In het eerste lid van dit artikel is, kort gezegd en voor zover hier van belang, bepaald dat indien het areaal dat wordt aangegeven groter is dan het areaal dat wordt geconstateerd, de steun wordt berekend op basis van het geconstateerde areaal, verminderd met 1,5 keer het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3% van het geconstateerde areaal of meer dan twee hectare bedraagt. In het tweede lid is, kort gezegd en voor zover hier van belang, bepaald dat als nog geen administratieve sanctie wegens een te hoge areaalaangifte is opgelegd, de administratieve sanctie met 50 % wordt verminderd indien het verschil tussen het aangegeven areaal en het geconstateerde areaal niet groter is dan 10 % van het geconstateerde areaal.

7. In dit geval bedraagt het verschil tussen het opgegeven en het geconstateerde areaal, ook als zou worden uitgegaan van een oppervlakte van perceel 30 zoals opgegeven, meer dan 3%. Dit betekent dat verweerder ook dan de korting van artikel 19 bis, tweede lid, van Verordening 640/2014 zou moeten opleggen. De halvering van die korting bij de toepassing van de 'gele kaart' van het tweede lid, is alleen aan de orde als eerder geen korting is opgelegd wegens een te hoge aangifte. In dit geval is aan appellant over de jaren 2016 en 2017 een korting opgelegd, wat het College in de eerder genoemde uitspraken van 13 augustus 2019 en 6 mei 2020 in stand heeft gelaten. Gelet hierop is de toepassing van een 'gele kaart' niet mogelijk. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College stelt hiervoor een termijn van acht weken.

9. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan appellant te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen