Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:221

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
19/1421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Artikel 23, derde en zesde lid, van de Meststoffenwet

Verweerder heeft het reguliere fosfaatrecht vergeleken met het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover appellante op de door haar opgegeven alternatieve peildatum, 2 augustus 2014, zonder de dierziekte zou hebben beschikt. In 2014 was de gemiddelde melkproductie weliswaar hoger dan in 2015, maar appellante beschikte op de alternatieve peildatum over minder melkvee dan op de peildatum. Dit heeft tot gevolg dat appellante op de peildatum over meer fosfaatrecht beschikt dan waarover zij op de alternatieve peildatum zou hebben beschikt en dat niet aan de 5%-drempel is voldaan. Appellante heeft verzocht om bij de vergelijking het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum vast te stellen op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 en de gemiddelde melkproductie in 2014. Voor zover appellante daarmee heeft bedoeld te betogen dat het dieraantal op 2 juli 2015 niet is beïnvloed door de dierziekte en daarom kan worden gehanteerd bij de vaststelling van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum, volgt het College appellante niet in dat standpunt. Appellante was genoodzaakt om de met Neospora besmette dieren te verkopen. Het aantal dieren dat appellante op de peildatum hield, is dan ook door de dierziekte beïnvloed ondanks dat appellante de gevolgen van de dierziekte heeft kunnen beperken door het vervangen van de zieke dieren. Verweerder is daarom bij de vaststelling van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum in het bestreden besluit terecht uitgegaan van de dieraantallen op 2 augustus 2014.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1421

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. G.H. Blom),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het besluit van 3 januari 2018) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 19 januari 2018 heeft verweerder een door appellante gedane melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij het besluit van 19 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , een vennoot van appellante, en door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveebedrijf. Op de peildatum, 2 juli 2015, hield zij op het bedrijf 63 melk- en kalfkoeien en 39 stuks jongvee.

2.2

GD Diergezondheid heeft samen met de dierenarts van appellante tijdens een bedrijfsbezoek op 17 september 2014 vastgesteld dat waarschijnlijk in juli 2014 een besmetting met de dierziekte Neospora op het bedrijf is opgetreden. In augustus 2014 was er een abortusstorm op het bedrijf.

Besluiten van verweerder

3.1

Verweerder heeft bij het besluit van 3 januari 2018 het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 2.933 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

3.2

Bij het primaire besluit, dat verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd, heeft verweerder het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling afgewezen, omdat niet aan de 5%-drempel is voldaan. Verweerder heeft een vergelijking gemaakt tussen het reguliere fosfaatrecht op de peildatum (3.197,7 kg zonder korting) en het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover appellante op de opgegeven alternatieve peildatum,

2 augustus 2014, zonder de dierziekte zou hebben beschikt (3.100,9 kg zonder korting).

Beroepsgronden

4. Appellante voert aan dat het verzoek om toepassing van de knelgevallenregeling ten onrechte is afgewezen, omdat de gemiddelde melkproductie in 2015 minimaal 5% lager is dan de gemiddelde melkproductie in 2014. Op het bedrijf is de ziekte Neospora uitgebroken. Appellante heeft de met Neospora besmette dieren moeten afvoeren en dieren van een lager genetisch niveau moeten aankopen omdat dieren met een gelijksoortig niveau niet in de markt beschikbaar waren. De nieuw aangekochte dieren produceren daarom fors minder melk. Het gaat appellante niet om de dieraantallen, maar om de melkproductie in 2015 die is gebruikt bij het vaststellen van het aantal fosfaatrechten. Volgens appellante is de melkproductie in 2014 representatief voor het bedrijf en moet worden uitgegaan van de gemiddelde melkproductie per koe in 2014 en de dieraantallen op de peildatum. Als appellante voor de peildatum geen nieuwe dieren had aangeschaft, was op basis van de melkproductie en het dieraantal wel aan de 5%-drempel voldaan.

Standpunt van verweerder

5. Volgens verweerder moet bij de toepassing van de knelgevallenregeling een vergelijking worden gemaakt tussen het fosfaatrecht aan de hand van de situatie op het bedrijf voordat de bijzondere omstandigheid zich voordeed en het fosfaatrecht aan de hand van de situatie op de peildatum. Appellante voldoet dan niet aan de 5%-drempel. Verweerder heeft daarom terecht het fosfaatrecht aan de hand van de gegevens op de alternatieve peildatum vergeleken met het fosfaatrecht aan de hand van de gegevens op de peildatum.

Beoordeling

6.1

De wetgever heeft bewust gekozen voor een beperkte knelgevallenvoorziening, die alleen ziet op buitengewone omstandigheden die niet in lijn zijn met de reguliere bedrijfsvoering en heeft zich een systeem gedacht waarin verweerder “terugkijkt” en een vergelijking maakt tussen de feitelijke situatie op 2 juli 2015 en die welke zonder de buitengewone omstandigheid in redelijkheid voor het bedrijf mocht worden verwacht (zie ook de uitspraak van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2). De uiteindelijke beoordeling moet worden gemaakt op basis van een volledig beeld van de specifieke situatie op het bedrijf. Verweerder heeft het reguliere fosfaatrecht vergeleken met het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover appellante op de door haar opgegeven alternatieve peildatum, 2 augustus 2014, zonder de dierziekte zou hebben beschikt. Daarbij zijn gegevens over zowel de gemiddelde melkproductie als het aantal dieren relevant. In 2014 (9.211 kg) was de gemiddelde melkproductie weliswaar hoger dan in 2015 (8.320 kg), maar appellante beschikte op de alternatieve peildatum (53 melk- en kalfkoeien en 48 stuks jongvee) over minder melkvee dan op de peildatum (63 melk- en kalfkoeien en 39 stuks jongvee). Dit heeft tot gevolg dat appellante op de peildatum (3.197,7 kg) over meer fosfaatrecht beschikt dan waarover zij op de alternatieve peildatum (3.100,9 kg) zou hebben beschikt. Daardoor is niet aan de 5%-drempel voldaan.

6.2

Appellante heeft verzocht om bij de vergelijking het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum vast te stellen op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 en de gemiddelde melkproductie in 2014. In dat geval wordt aan de 5%-drempel voldaan. Voor zover appellante daarmee heeft bedoeld te betogen dat de dieraantallen op 2 juli 2015 niet zijn beïnvloed door de dierziekte en daarom kan worden gehanteerd bij de vaststelling van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum, volgt het College appellante niet in dat standpunt. Het College heeft eerder geoordeeld dat artikel 23, zesde lid, van de Msw zich er niet tegen verzet dat bij de vergelijking met een alternatieve peildatum wordt gerekend met de melkproductie en dieraantallen uit verschillende jaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:538, onder 6). Naar het oordeel van het College is er hier echter geen reden om bij de vaststelling van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum uit te gaan van de melkproductie in 2014 en de dieraantallen op 2 juli 2015. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat de uitbraak van de ziekte Neospora heeft geleid tot een abortusstorm en dat de dieren niet kunnen genezen van deze ziekte. Appellante was dan ook genoodzaakt om de met Neospora besmette dieren te verkopen. Het aantal dieren dat appellante op de peildatum hield, is dan ook door de dierziekte beïnvloed ondanks dat appellante de gevolgen van de dierziekte heeft kunnen beperken door het vervangen van de zieke dieren. Dat was anders in de zaken waarop de hiervoor aangehaalde uitspraak van 29 oktober 2019, onder 6, en

1 december 2020, (ECLI:NL:CBB:2020:882, onder 6.3.2), betrekking hadden,. Aangezien de dieraantallen door de dierziekte zijn beïnvloed, is verweerder bij de vaststelling van het fosfaatrecht op de alternatieve peildatum in het bestreden besluit terecht uitgegaan van de dieraantallen op 2 augustus 2014.

6.3

Ten overvloede merkt het College nog op dat als appellante geen nieuwe dieren zou hebben aangeschaft voor de peildatum en om die reden wel aan de 5%-drempel zou hebben voldaan, het fosfaatrecht van appellante aan de hand van het melkvee dat op 2 augustus 2014 op het bedrijf van appellante aanwezig was, op 3.100,9 kg zou zijn vastgesteld. Dat is minder dan de 3.197,7 kg fosfaatrecht waarover zij nu op grond van het bestreden besluit beschikt. Appellante zou dus, anders dan zij blijkbaar meent, slechter af zijn geweest, indien zij het met Neospora besmette melkvee niet had vervangen.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van

mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.