Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:217

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
20/308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landbouw, herzieningsverzoek. Het verzoek om het besluit van 2 februari 2019 te herzien, gelet op de uitspraak van het College van 19 februari 2019 en de daarop volgende herziene besluiten van 7 mei 2019 en 22 juli 2019 heeft verweerder terecht afgewezen. Daartoe acht het College van belang dat appellant de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen het besluit van 2 februari 2019 indien hij het niet eens was met de vaststelling van de percelen 46 en 103. Dit heeft hij nagelaten. Daarbij betrekt het College dat bij bekendmaking van de uitspraak van het College, de bezwaartermijn nog niet was verlopen.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: AWB 20/308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

Landbouwbedrijf [naam 1] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, verweerder

(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellant om herziening van het besluit van 2 februari 2019, afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Namens appellant is verschenen haar gemachtigde en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 2 februari 2019 heeft verweerder aan appellant een bedrag van €47.930,09 als basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 toegekend. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.1

Bij besluit van 7 mei 2019 heeft verweerder het besluit van 17 december 2016, waarbij hij heeft beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van zijn basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016, opnieuw beoordeeld. Aanleiding hiervoor was de uitspraak van het College van 19 februari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:73) waarin het College heeft geoordeeld dat verweerder bij het vaststellen van de subsidiabele oppervlakte van perceel 39 ten onrechte niet kenbaar rekening heeft gehouden met het inspectierapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het grootste deel van perceel 39 niet subsidiabel heeft geacht. In het herziene besluit van 7 mei 2019 heeft verweerder geconcludeerd dat de westzijde van perceel 39 wel kan worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond.

1.2

Bij besluit van 22 juli 2019 heeft verweerder het besluit van 29 juni 2018, waarbij hij heeft beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de basis - en vergroeningsbetaling voor het jaar 2017, opnieuw beoordeeld. Aanleiding hiervoor was het beroep dat appellant had ingesteld bij het College tegen de beslissing op bezwaar van 14 november 2018. Verweerder heeft, voor zover thans van belang, in het besluit van 22 juli 2019 geconcludeerd dat de percelen 64 en 103 ten onrechte niet als subsidiabele landbouwgrond zijn aangemerkt.

2. Op 27 september 2019 heeft appellant verweerder verzocht het besluit van 2 februari 2019 te herzien, gelet op de uitspraak van het College van 19 februari 2019 en de daarop volgende herziene besluiten van 7 mei 2019 en 22 juli 2019. Uit laatstgenoemde besluiten blijkt dat de percelen 46 en 103 ten onrechte kleiner zijn vastgesteld, zoals dat ook het geval is in het besluit van 2 februari 2019. De besluiten van 7 mei 2019 en 22 juli 2019 zijn genomen nadat de termijn om in bezwaar te gaan tegen het besluit van 2 februari 2019 was verstreken, waardoor appellant dit niet eerder naar voren had kunnen brengen. Gelet op het voorgaande is volgens appellant sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het herzieningsverzoek van appellant afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Nieuwe jurisprudentie is volgens vaste rechtspraak niet aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Ook de herziene besluiten kunnen volgens verweerder niet tot een andere uitkomst leiden. Zo is het herziene besluit van 7 mei 2019 het gevolg van de uitspraak van het College van 19 februari 2019. Het herziene besluit van 22 juli 2019 is het gevolg van het bezwaar dat appellant tijdig had ingediend. Hierdoor had verweerder, ten tijde van zijn beslissing op bezwaar, rekening kunnen houden met de uitspraak van het College van 19 februari 2019. Appellant had, toen dit nog mogelijk was, in bezwaar kunnen gaan tegen het besluit van 2 februari 2019. Ten tijde van de uitspraak van het College van 19 februari 2019 was de bezwaartermijn immers nog niet verstreken.

4.1

Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Daartoe voert hij aan dat de herziene besluiten van 7 mei 2019 en 22 juli 2019 en de uitspraak van het College van 19 februari 2019, dienen te worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Als gevolg van de uitspraak van 19 februari 2019 zijn de percelen 46 en 103 voor de jaren 2016 en 2017 als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. Appellant stelt dat hij ervan mocht uitgaan dat dit ook zou gelden voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2018. Dat hier sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid blijkt reeds uit het feit dat zowel de uitspraak van het College als de herziene besluiten dateren van na het besluit van 2 februari 2019. De door verweerder aangehaalde uitspraak van het College van 4 augustus 2011 is hier niet van toepassing, omdat het hier gaat om een uitspraak die is gewezen in een zaak van appellant zelf.

Ter zitting heeft appellant nog naar voren gebracht dat het verstrijken van de bezwaartermijn hem niet kan worden tegengeworpen, nu duidelijk is dat de situatie wezenlijk anders is dan waarvan verweerder in het besluit van 2 februari 2019 is uitgegaan. Coulance halve had verweerder in het geval van appellant aanleiding moeten zien het besluit te herzien.

4.2

Verweerder handhaaft het standpunt dat nieuwe jurisprudentie volgens vaste rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 4 augustus 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BR5409) niet is aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. In dat verband merkt verweerder op dat het besluit waarop het herzieningsverzoek ziet dateert van 2 februari 2019, terwijl de door appellant aangehaalde uitspraak van het College dateert van 19 februari 2019. Bij bekendmaking van de uitspraak van het College was de bezwaartermijn dus niet verlopen Appellant had bezwaar kunnen maken tegen het besluit van 2 februari 2019. Nu appellant dat niet heeft gedaan, is het besluit van 2 februari 2019 in rechte vast komen te staan. Dat de uitspraak van 19 februari 2019 is gewezen in een zaak van appellant zelf, doet daar niet aan af.

5. Het College overweegt als volgt.

5.1

Artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb bepaalt dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

5.2

Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel dragen. Dat is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit naar het oordeel van de bestuursrechter evident onredelijk is.

5.3

Het College stelt vast dat verweerder in overeenstemming met zijn bestuurspraktijk in deze zaak toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Aan de orde is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en daarmee terecht heeft afgezien van het herzien van het besluit van 2 februari 2019.

5.4

Verweerder heeft zich, naar het oordeel van het College, terecht op het standpunt gesteld dat wat appellant aanvoert over de herziene besluiten van 7 mei 2019 en 22 juli 2019 en de uitspraak van het College van 19 februari 2019 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden betreffen. Daartoe acht het College van belang dat appellant de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen het besluit van 2 februari 2019 indien hij het niet eens was met de vaststelling van de percelen 46 en 103. Dit heeft hij nagelaten. Daarbij betrekt het College dat bij bekendmaking van de uitspraak van het College, de bezwaartermijn niet was verlopen.

5.5

Uit vaste jurisprudentie volgt dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 14 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:27). Dat de uitspraak van 19 februari 2019 is gewezen in een zaak van appellant zelf, doet daar niet aan af. Dat betekent dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verwijzing van appellant naar de uitspraak van het College van 19 februari 2019, hem in deze procedure niet kan baten.

5.6

Het voorgaande betekent dat het standpunt van verweerder dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan, gelet op het onder 5.1 en 5.2 weergegeven toetsingskader, de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 2 februari 2019 in beginsel dragen. Dat is slechts anders indien het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is.

5.7

Het College stelt vast dat de vaste uitvoeringspraktijk van verweerder niet evident onredelijk is. De stelling van appellant dat verweerder uit redelijkheid had moeten besluiten het besluit van 2 februari 2019 naar aanleiding van de uitspraak van het College van 19 februari 2019, te herzien, kan het College niet volgen. Zoals hierboven overwogen acht het College van belang dat appellant de mogelijkheid heeft gehad om tegen het besluit van 2 februari 2019 rechtsmiddelen in te stellen. Appellant heeft dat niet gedaan.

5.8

De stelling van appellant dat hij ervan mocht uitgaan dat wanneer een herziene beslissing op bezwaar over 2016 en 2017 leidt tot aanpassing van de uitbetaling, dit ook voor het jaar 2018 zou gelden, kan het College evenmin volgen. Van appellant als professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving. Hij had kunnen weten dat een besluit in rechte onaantastbaar wordt wanneer daartegen geen rechtsmiddelen worden ingesteld.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević en mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is buiten staat De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen deze uitspraak te ondertekenen