Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:215

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
20/224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landbouw. Appellante stond op de peildatum, in dit geval 15 mei 2019, niet op de juiste wijze ingeschreven bij de KvK en heeft evenmin met een accountantsverklaring aangetoond dat zij een actieve landbouwer is. Appellante voldoet aldus niet aan het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: AWB 20/224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

Stichting [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: M.C. Klein Swormink)

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

(gemachtigden: mr. M.N.J. Hunting en mr. L. Anvelink).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 6 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Appellante is een stichting die in 2019 is opgericht door zes landbouwers. Zij heeft een pachtovereenkomst met het Flevo-landschap gesloten. Appellante heeft op 14 mei 2019 een Gecombineerde opgave bij verweerder ingediend, waarin zij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 heeft verzocht.

2. Verweerder heeft de aanvraag van appellante afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde van actieve landbouwer. Appellante stond op uiterlijk 15 mei 2019 niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: de KvK) ingeschreven. Evenmin heeft appellante met een accountantsverklaring aangetoond dat haar landbouwactiviteiten een belangrijk deel zijn van haar totale economische activiteit.

3. Appellante voert aan dat haar niet kan worden verweten dat zij in eerste instantie op 15 mei 2019 niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Daartoe stelt zij dat de KvK bij haar registratie op 4 maart 2019 de Standaard Bedrijfsindeling codes (hierna: SBI-codes) 01193 en 0111 abusievelijk achterwege heeft gelaten. Op 10 mei 2019 heeft appellante daarom een wijziging van haar inschrijving doorgegeven aan de KvK. De KvK gaf telefonisch aan deze wijziging vóór 15 mei 2019 te zullen verwerken. De ontbrekende SBI-codes zijn echter pas op 20 juni 2019 met terugwerkende kracht per 4 maart 2019 toegevoegd. Uit de ingebrachte brief van de KvK van 20 juni 2019 blijkt dat de KvK heeft erkend dat zij een fout heeft gemaakt bij de verwerking van de inschrijving. Tot slot kan appellante geen accountantsverklaring overleggen, omdat de stichting op 4 maart 2019 is opgericht en dus nog geen historie heeft.

3.1

Verweerder handhaaft zijn standpunt dat appellante voor de uitbetaling in 2019 niet kan worden aangemerkt als actieve landbouwer. Uit navraag bij de KvK is gebleken dat zij op 10 mei 2019 een verzoek van appellante had gekregen om de SBI-codes 01193 en 0111 toe te voegen. Volgens de KvK is dit op 10 mei 2019 verwerkt en ook per brief bevestigd aan appellante. In deze brief is de volgorde van de opgegeven activiteiten met de SBI-codes genoemd. Appellante had uit de brief kunnen opmaken dat zij niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit stond ingeschreven. Volgens de KvK heeft appellante op 20 juni 2019 wederom contact opgenomen met het verzoek de SBI-code 01193 met terugwerkende kracht per 4 maart 2019 als hoofdactiviteit te registreren. Deze wijziging maakt echter niet dat appellante daadwerkelijk op 15 mei 2019 stond ingeschreven met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van het College van 4 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:464), waaruit volgt dat aanpassing met terugwerkende kracht nog steeds niet tot gevolg kan hebben dat het bedrijf daadwerkelijk op de peildatum stond ingeschreven met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit. Daarbij komt dat het op de weg van appellante lag in de periode tussen 10 mei 2019 en 15 mei 2019 bij de KvK na te gaan of de door haar doorgegeven wijziging van haar inschrijving (op juiste wijze) was verwerkt, dan wel na de waarschuwing in de Gecombineerde opgave 2019 van 14 mei 2019 nogmaals in contact te treden met de KvK om haar inschrijving alsnog te wijzigen.

3.2

In geschil is of verweerder appellante terecht niet heeft aangemerkt als actieve landbouwer en daarom haar verzoek om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 heeft mogen afwijzen.

3.3

Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: Verordening 1307/2013) kan steun slechts beschikbaar worden gesteld aan actieve landbouwers.

3.3.1

Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder de vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit en de daarbij behorende SBI-code beginnend met de cijfers 011, 012, 013, 014, 015 of 016, zo is bepaald in artikel 2.3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Het tweede lid komt erop neer dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan een landbouwer indien uit de inschrijving in het handelsregister volgt dat de landbouwactiviteit geen hoofdactiviteit is. Het tweede lid is niet van toepassing indien de landbouwer aantoont door middel van een accountantsverklaring dat de landbouwactiviteit niet een onaanzienlijk deel uitmaakt van de totale economische activiteiten, zo volgt uit het derde lid.

3.4

Het College is van oordeel dat het betoog van appellante niet kan slagen. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie de eerder aangehaalde uitspraak van 4 september 2018), dient een landbouwer om aan het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling te voldoen, op de peildatum, in dit geval 15 mei 2019, op de juiste wijze ingeschreven te staan bij de KvK, dan wel met een accountantsverklaring aan te tonen dat hij een actieve landbouwer is. Aan deze eis heeft appellante niet voldaan. Immers, op 15 mei 2019 stond appellante met de SBI-code 91042 (Natuurbehoud) als hoofdactiviteit ingeschreven. Niet in geschil is dat deze activiteit niet kan worden aangemerkt als een landbouwactiviteit.

3.5

Dat de inschrijving van appellante in het handelsregister met ingang van 20 juni 2019 is gewijzigd, leidt niet tot een ander oordeel. Bepalend voor de uitbetaling in het jaar 2019 is immers de inschrijving van appellante op de peildatum van 15 mei 2019.

3.6

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat de KvK heeft verzuimd de door haar op 10 mei 2019 doorgegeven wijziging tijdig door te voeren in zijn registratie, kan dit er niet toe leiden dat van de Uitvoeringsregeling wordt afgeweken. Voorop staat dat de ondernemer zelf verantwoordelijk is voor de correcte inschrijving van zijn landbouwactiviteiten in het handelsregister. Daarom had appellante zich ervan dienen te vergewissen of de bij de KvK doorgegeven wijziging ook daadwerkelijk was doorgevoerd. Daarbij acht het College van belang dat de landbouwer eenvoudig kan controleren of hij op een juiste wijze in het handelsregister staat ingeschreven en voldoet aan de vereisten van artikel 2.3, derde en vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Indien dit niet het geval blijkt te zijn, is het eenvoudig om de registratie aan te (laten) passen. Naast het feit dat deze eis is gesteld in ook voor appellante kenbare regelgeving, is appellante er op 14 mei 2019 in de Gecombineerde opgave 2019 op gewezen dat zij volgens de KvK-gegevens niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit stond ingeschreven. Van een professionele marktdeelnemer zoals appellante mag worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat zij tijdig op de juiste wijze in het handelsregister geregistreerd staat (zie ook de uitspraak van het College van 14 januari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:26).

3.7

Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij geen accountantsverklaring kan overleggen, omdat zij pas op 4 maart 2019 is opgericht en dus nog geen historie heeft, overweegt het College als volgt. Niet in geschil is dat appellante een dergelijke verklaring niet heeft overgelegd, zodat appellante niet heeft voldaan aan artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, zij geen accountantsverklaring kon overleggen omdat haar bedrijf pas sinds 4 maart 2019 actief is, kan niet eraan afdoen dat zij niet aan genoemde eis voldeed. In dit verband acht het College van belang dat appellante op 14 mei 2019 in de Gecombineerde opgave 2019 al erop is gewezen dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van het zijn van een actieve landbouwer. Zij is op dat moment in staat gesteld om alsnog aan te tonen dat zij een actieve landbouwer was, eventueel door een accountantsverklaring te overleggen. Onder die omstandigheden mocht van appellante als professionele marktdeelnemer worden gevergd dat zij, als zij meende dat zij niet in staat zou zijn een dergelijke accountantsverklaring in te dienen, contact had opgenomen met verweerder om te onderzoeken of er andere mogelijkheden bestonden om aan te tonen dat zij een actieve landbouwer was (zie ook de uitspraak van het College van 8 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:13). Dit heeft appellante echter niet gedaan.

3.8

Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat deze beroepsgrond niet slaagt.

4. Verder voert appellante aan dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met de historische context van de percelen en de nadelige gevolgen van het besluit voor de activiteiten van appellante. Zo worden de percelen meer dan 20 jaar verpacht en is de regeling niet nieuw voor deze percelen waarvoor appellante uitbetaling vraagt. Er is dus geen sprake van een nieuwe aanvraag van de SBI-codes voor de percelen, er is enkel sprake van een nieuwe pachter. Daarnaast kan appellante, door de afwijzing van onderhavige aanvraag, haar maatschappelijke doelstelling (het natuurbehoud en ontwikkeling in samenwerking met agrarische activiteiten voor deze percelen) niet realiseren. Appellante merkt daarbij op dat zij en de stichting Flevo-Landschap geen winstoogmerk hebben.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvrager een actieve landbouwer moet zijn. Dat de regeling reeds eerder op deze percelen is toegepast, is dus niet relevant. Ten aanzien van de gestelde doelstelling, stelt verweerder dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor uitbetaling. Dat appellante geen winstoogmerk heeft maakt niet dat verweerder aan deze voorwaarden voorbij kan gaan.

4.2

Het College is, met verweerder, van oordeel dat de aanvrager een actieve landbouwer moet zijn en het niet relevant is of de regeling al dan niet nieuw is voor de percelen. Voor zover appellante met haar betoog dat zij door afwijzing van de aangevraagde uitbetaling van betalingsrechten onevenredig zwaar wordt getroffen, een beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft willen doen, kan dit niet slagen. De voorwaarden voor de uitbetaling van betalingsrechten vloeien rechtstreeks voort uit artikel 24 van Verordening 1307/2013, gelezen in samenhang met artikel 9 van die verordening en artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling. Nu appellante niet aan die voorwaarden voldoet, was verweerder gehouden de aanvraag om uitbetaling af te wijzen. Hierbij is aan verweerder geen ruimte gelaten voor een belangenafweging. Deze beroepsgrond kan daarom niet slagen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.