Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:1079

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2021
Datum publicatie
14-12-2021
Zaaknummer
19/874
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3588, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd wegens het vervoeren van een niet transportwaardig dier. Het College is van oordeel dat in het rapport van bevindingen voldoende gemotiveerd is beschreven waarom sprake was van een zeug die niet geschikt was voor transport. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. Hetgeen door appellante gesteld is niet voldoende om het deskundigheidsoordeel van de toezichthoudend dierenarts in twijfel te trekken. De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat titel 5.2 van de Awb geen verplichting bevat om de betrokkene in de gelegenheid te stellen tot het ter plekke doen uitvoeren van een contra-expertise (zie onder meer de uitspraak van het College van 23 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:218). Ook het College is van oordeel dat appellante voldoende mogelijkheden heeft gehad om zich te verdedigen. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn die gesteld wordt in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt als een termijn van orde. Het College ziet in deze termijnoverschrijding net als de rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Wel ziet het College aanleiding om de boete te matigen omdat verweerder ten onrechte de recidivebepaling van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren heeft toegepast.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/874

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 december 2021 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.C.M. Jochemsen-Vernooij),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2019, kenmerk ROT 17/5287, in het geding tussen

appellante


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (verweerder)

(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 8 mei 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:3588).

Verweerder heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Bij brief van 26 oktober 2021 heeft appellante met het oog op het onderzoek ter zitting een usb-stick met daarop videobeelden toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2021. Namens appellante zijn verschenen [naam 2] , haar gemachtigde en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Aan appellante is bij besluit van 31 maart 2017 (het primaire besluit) een boete opgelegd van € 5.500,-, omdat zij op 26 juli 2016 in strijd met de toepasselijke regelgeving in de Wet dieren, de Regeling houders van dieren en Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Transportverordening) een dier heeft laten vervoeren dat daarvoor niet geschikt was.

1.3

Bij zijn besluit van 20 juli 2017 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft verweerder het bezwaar tegen de opgelegde boete ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

In het rapport van bevindingen van 22 augustus 2016 is volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd beschreven waarom sprake was van een dier dat niet geschikt was voor transport. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om aan de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. De omstandigheid dat appellante niet in de gelegenheid is gesteld ter plekke een contra-expertise te laten uitvoeren levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het zorgvuldigheidsbeginsel, aangezien titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen verplichting bevat tot het laten uitvoeren van een contra-expertise. Appellante is voldoende in de gelegenheid geweest haar visie te geven op het in het dossier aanwezige feitenmateriaal. Overschrijding van de in artikel 5:51 van de Awb weergegeven termijn voor het nemen van een besluit na het opmaken van een rapport maakt ook niet dat er geen boete opgelegd had mogen worden. Deze termijn betreft volgens de rechtbank een termijn van orde. Overschrijding daarvan leidt niet tot het vervallen van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Van een motiveringsgebrek in het besluit van 20 juli 2017 is volgens de rechtbank evenmin sprake. De onduidelijkheid over het al dan niet aanwezig zijn van filmmateriaal is in dat besluit hersteld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat, aangezien appellante als houder van het dier was aan te merken, zij een eigen verantwoordelijkheid had om ervoor te zorgen dat een voor vervoer ongeschikt dier niet verder zou worden vervoerd. De rechtbank heeft tot slot geen aanleiding gezien om de aan appellante opgelegde boete te matigen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in het rapport van bevindingen voldoende gemotiveerd is dat sprake was van een dier dat niet geschikt is voor transport. Het betreffende dier (een zeug) is door medewerkers van appellante als transportwaardig aangemerkt en ook uit camerabeelden volgt dat uit de wijze waarop de zeug zich voortbewoog bleek dat deze in staat was op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen. Ten onrechte is groot gewicht toegekend aan de verklaring van de toezichthoudend dierenarts. Appellante heeft in dat verband een verklaring van de heer [naam 4] , docent klinische pathofysiologie en buitengewoon hoogleraar Varkensgezondheidszorg, van 18 juni 2019 – welke is gegeven voor een andere beroepsprocedure – overgelegd waaruit blijkt dat een zwelling slechts enkele uren is te antedateren. Dat sprake was van een zeer ernstige en pijnlijke ontsteking bij de zeug is nog altijd niet gemotiveerd. De bevindingen van de toezichthouder rechtvaardigen die conclusie niet en ook uit de verklaring van [naam 4] volgt dat resultaten van lichamelijk onderzoek ontbreken om een antedatering van de gewrichtsontsteking te kunnen geven. De overtreding kan dus niet, dan wel niet volledig aan appellante worden verweten. De rechtbank heeft volgens appellante ook ten onrechte geoordeeld dat het rapport van de toezichthouder voldoende was gemotiveerd.

3.2

Appellante voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het betoog dat het niet bieden van de mogelijkheid tot het uitvoeren van een contra-expertise in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht op eerlijke procesvoering, onder verwijzing naar een annotatie bij de uitspraak van het College van 23 juni 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:218). Daar komt bij dat de toezichthouder had aangegeven dat zeer waarschijnlijk geen boete zou worden opgelegd en dat het met een ‘sisser’ zou aflopen. Appellante heeft om die reden de camerabeelden rondom het transport niet bewaard en die zijn inmiddels overschreven door andere, nieuwere camerabeelden. Door de lange termijn tussen de constatering en het voornemen tot het opleggen van een boete, hetgeen een schending van artikel 5:51 van de Awb oplevert, is appellante de kans ontnomen zich deugdelijk te verdedigen. Appellante verwijst naar de Memorie van Toelichting bij dit artikel (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 150), waarin is toegelicht dat een overschrijding van de beslistermijn kan worden verdisconteerd in de hoogte van de bestuurlijke boete. De rechtbank heeft in deze omstandigheden ook onterecht geen aanleiding gezien de boete te matigen. Ook is de rechtbank niet ingegaan op het standpunt van appellante over de kenbaarheid van eerdere boetes. Appellante is veelvuldig de mogelijkheid ontnomen zich te verweren, hetgeen ertoe heeft geleid dat eerdere boetes niet zijn aangevochten, met een stapeling van boetes tot gevolg. De rechtbank heeft het boetebesluit dan ook ten onrechte niet vol getoetst.

4.1

Het College stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake was van een zeug op het bedrijf van appellante met een verdikking en ontsteking van de linkerachterpoot, dat het dier deze achterpoot niet belastte en dat een kleine wond is aangetroffen op de buitenkant van de klauw van de rechterachterpoot. Appellante betwist echter wel dat de zeug niet meer op eigen kracht pijnloos kon bewegen of zonder hulp kon lopen, zodat zijns inziens geen sprake was van een overtreding.

4.2

Het College is van oordeel dat in het rapport van bevindingen voldoende gemotiveerd is beschreven waarom sprake was van een zeug die niet geschikt was voor transport. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. Appellante heeft op de zitting nog gewezen op het feit dat de zeug wel de steile helling van de laadwagen is opgelopen om de vrachtwagen in te komen, voordat de zeug werd teruggehaald door de toezichthouder, en dat haar medewerkers in het algemeen goed kijken of de varkens geschikt zijn voor transport. Echter, het College stelt vast dat de varkens niet individueel werden beoordeeld voordat ze geladen werden, waardoor deze controle door de medewerkers niet voldoende was om het deskundigheidsoordeel van de toezichthoudend dierenarts in twijfel te trekken. Ook de verklaring van [naam 4] is hiervoor niet voldoende. Deze verklaring ziet namelijk op een andere zaak en bevat algemene opmerkingen die niet zien op de betreffende zeug, zodat ook dit geen twijfel oproept aan het rapport van bevindingen. Dit geldt ook voor de door appellante opgeworpen discussie over pijnbeleving bij dieren.

4.3

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat titel 5.2 van de Awb geen verplichting bevat om de betrokkene in de gelegenheid te stellen tot het ter plekke doen uitvoeren van een contra-expertise (zie onder meer de uitspraak van het College van 23 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:218). Appellante voert hiertegen aan dat de rechtbank niet is ingegaan op haar betoog dat, onder verwijzing naar een annotatie bij de hiervoor genoemde uitspraak van het College, het niet bieden van die mogelijkheid een schending oplevert van het zorgvuldigheidsbeginsel en het recht op eerlijke procesvoering. Alhoewel de rechtbank beide beginselen niet expliciet noemt, gaat zij hier in overweging 2.2 volgens het College voldoende op in en oordeelt zij dat appellante voldoende mogelijkheden had om het feitenmateriaal te toetsen en tegen te spreken. Van een motiveringsgebrek is daarom geen sprake. Ook het College is van oordeel dat appellante voldoende mogelijkheden heeft gehad om zich te verdedigen. Op het moment van de constatering van de overtreding was een medewerker van appellante aanwezig, zodat het mogelijk was ter plekke een contra-expertise te laten uitvoeren door een dierenarts in te schakelen. De stelling van appellante dat de toezichthouder had verklaard dat deze kwestie met een ‘sisser’ zou aflopen is niet onderbouwd en ook door verweerder betwist. Het lag dan ook op de weg van appellante om de camerabeelden bewaard te houden.

4.4

Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn die gesteld wordt in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, moet worden aangemerkt als een termijn van orde. Het College ziet in deze termijnoverschrijding net als de rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Ter zitting is naar aanleiding van het door appellante gestelde ook aan de orde gekomen de toepassing door verweerder van de recidivebepaling van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Uit dit artikel volgt dat, indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, de boete wordt verhoogd met de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete. Verweerder heeft de boete hier verhoogd met een bedrag van € 4.000,-, omdat appellante op 2 december 2016 al was beboet voor een soortgelijke overtreding. Op het moment van de overtreding, 26 juli 2016, was de boete van 2 december 2016 echter nog niet opgelegd, laat staan onherroepelijk. De boete had dan ook niet verhoogd mogen worden en had zonder verhoging wegens recidive moeten worden vastgesteld op € 1.500,-. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot verdere matiging van de boete als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Het College acht een boete van € 1.500,-, ook in het licht van de door appellante aangevoerde omstandigheden, passend en geboden. Het College zal de boete daarom vaststellen op dit bedrag.

Slotsom

5.1

Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht een boete heeft opgelegd aan appellante vanwege de vastgestelde overtreding, maar dat het boetebedrag ten onrechte is verhoogd vanwege recidive. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het College zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor wat betreft het bedrag van de opgelegde boete, het primaire besluit in zoverre herroepen en de boete vaststellen op € 1.500,-.

5.2

Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 1). Het College zal verweerder ook opdragen het door appellante in beroep (€ 333,-) en hoger beroep (€ 519,-) betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit voor wat betreft het bedrag van de opgelegde boete;

- herroept het primaire besluit in zoverre en stelt de boete vast op € 1.500,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 852,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. W.A.J. van Lierop en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.A.A. Traousis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2021.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.