Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:1043

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-12-2021
Datum publicatie
07-12-2021
Zaaknummer
20/938
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft tegen een door de accountantskamer met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wtra gedane uitspraak (voorzittersbeslissing) hoger beroep bij het College ingesteld, in plaats van – zoals het derde lid van artikel 39 van de Wtra voorschrijft – verzet gedaan bij de accountantskamer. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Hoewel de Wtra geen bepaling bevat die ziet op het doorzenden van een bij een onbevoegde instantie ingediend verzet- of (hoger)beroepschrift, is het College van oordeel dat het beginsel van een behoorlijke (tucht)procesorde meebrengt dat het hogerberoepschrift van appellante, met de daarbij behorende stukken, voor verdere behandeling aan de accountantskamer wordt doorgestuurd.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/938

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 december 2021 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ),


tegen de uitspraak van de voorzitter van de accountantskamer van 14 september 2020, gegeven op een klacht, door appellante ingediend tegen [betrokkene] (betrokkene)

(gemachtigden van betrokkene: mr. H.E. van Berckel-Dekker en mr. A.W. Russon).


Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzitter van de accountantskamer van 14 september 2020, met nummer 20/865 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2020:55).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Partijen hebben aanvullende stukken ingediend.

Bij brief van 2 september 2021 is partijen bericht dat het College heeft geconstateerd dat de uitspraak van de accountantskamer van 14 september 2020 is gedaan met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). Appellante is verzocht aan te geven waarom tegen voornoemde uitspraak van de accountantskamer geen verzet is gedaan, maar hoger beroep bij het College is ingesteld. In dezelfde brief is aan partijen meegedeeld dat bij de mondelinge behandeling van de zaak (op de zitting van

13 september 2021) in beginsel slechts de vraag kan voorliggen of op het College de verplichting rust om het ingediende hogerberoepschrift door te zenden aan de (bevoegde) accountantskamer. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunt hierover vooruitlopend op de zitting van 13 september 2021 (schriftelijk) kenbaar te maken.

Betrokkene heeft bij brief van 7 september 2021 op de brief van het College gereageerd en appellante bij bericht van 8 september 2021.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2021. Voor appellante zijn verschenen haar gemachtigden. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H.E. van Berckel-Dekker.

Overwegingen

1. Vast staat dat de voorzitter van de accountantskamer (bij uitspraak van

14 september 2020) met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wtra heeft beslist op de door appellante op 28 april 2020 bij de accountantskamer ingediende klacht (de voorzittersbeslissing).

2. Op 25 oktober 2020 heeft het College een door appellante ingediend hogerberoepschrift gericht tegen deze voorzittersbeslissing ontvangen.

3. Appellante erkent dat – naar haar later is gebleken – het derde lid van artikel 39 van de Wtra voorschrijft dat het doen van verzet hier de aangewezen weg was. Gezien echter de omstandigheden van het geval verzoekt zij het College het ingediende hogerberoepschrift door te zenden aan de (bevoegde) accountantskamer, dan wel het alsnog zelf in behandeling te nemen. Wat betreft de omstandigheden van het geval beroept appellante er zich onder meer op dat zij – als gevolg van het (op 27 september 2020) overlijden van [naam 4] – ten tijde van de ontvangst van de voorzittersbeslissing met een emotionele en hectische periode te maken had. Hierdoor heeft appellante in een onachtzaam moment eenvoudigweg over het hoofd gezien dat de accountantskamer uitspraak had gedaan met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wtra.

Verder voert appellante aan dat zij conform artikel 26 van het Procesreglement van de accountantskamer, versie maart 2020, heeft gehandeld. In dat artikel staat dat binnen een termijn van zes weken na verzending van de einduitspraak van de accountantskamer beroep openstaat bij het College. Over het doen van verzet (tegen een voorzittersbeslissing) wordt in dat artikel, noch elders in het Procesreglement, gesproken.

4. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat het voor appellante duidelijk was, of in ieder geval had moeten zijn, dat het doen van verzet bij de accountantskamer de voorgeschreven handelwijze was indien zij het met de uitspraak niet eens was, nu in de voorzittersbeslissing ondubbelzinnig is opgenomen dat deze is gedaan met toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Wtra. Omdat de in artikel 39, derde lid, van de Wtra voor het doen van verzet genoemde termijn van zes weken ongebruikt is verstreken, is de procedure nu geëindigd. Er rust volgens betrokkene op het College geen verplichting om het door appellante ingediende hogerberoepschrift door te zenden aan de accountantskamer. Dit betekent dat appellante, aldus betrokkene, niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

5. Op grond van het eerste lid van artikel 39 van de Wtra kan de voorzitter de zaak zonder zitting afdoen, indien deze naar het oordeel van de voorzitter van de accountantskamer kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is. Op grond van het derde lid van dat artikel kan de betrokkene of de klager binnen zes weken na verzending van een op grond van het eerste lid gedane uitspraak verzet doen bij de accountantskamer. Het eerste lid van artikel 43 van de Wtra sluit het instellen van hoger beroep bij het College uit in de situatie dat verzet kan of kon worden gedaan. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard (artikel 43h van de Wtra).

6. Het College stelt vast dat in de voorzittersbeslissing geen verwijzing naar een openstaand rechtsmiddel is opgenomen. Ook in de aan appellante bij de bekendmaking van de beslissing verzonden, begeleidende brief van 14 september 2020 ontbreekt een rechtsmiddelverwijzing. Raadpleging van andere, willekeurig gekozen, op de website tuchtrecht.overheid.nl door de accountantskamer gepubliceerde voorzittersbeslissingen, laat wat betreft het vermelden van een openstaand rechtsmiddel een wisselend beeld zien. Een aantal van de geraadpleegde voorzittersbeslissingen vermeldt onderaan de uitspraak de volgende verwijzing: “ Ingevolge artikel 39, derde lid, Wtra kan tegen deze uitspraak binnen

6 weken na verzending daarvan verzet worden gedaan. Het verzet kan worden gericht tot de Accountantskamer (adres: Postbus 10067, 8000 GB Zwolle).”, bij andere ontbreekt daarentegen een dergelijke verwijzing.

7. Hoewel de Wtra geen bepaling bevat die ziet op het doorzenden van een bij een onbevoegde instantie ingediend verzet- of (hoger)beroepschrift en hetzelfde geldt voor het in

een uitspraak melding (moeten) maken van een bestaande mogelijkheid tot het doen van verzet of instellen van (hoger) beroep, is het College van oordeel dat het beginsel van een behoorlijke (tucht)procesorde meebrengt dat het hogerberoepschrift van appellante, met de daarbij behorende stukken, voor verdere behandeling aan de accountantskamer wordt doorgestuurd. Dit zal dan ook aan de griffier van het College worden opgedragen. De datum waarop het hogerberoepschrift bij het College is ontvangen, 25 oktober 2020, heeft daarbij te gelden als datum van binnenkomst van het verzetschrift (vergelijk de uitspraak van het College van 2 maart 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX0101, onder rechtsoverweging 2).

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.S.J. Albers en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 december 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.