Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2021:1031

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-11-2021
Datum publicatie
30-11-2021
Zaaknummer
18/2974
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9158, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep. Boete. Verontreinigd varkenskarkas. Artikel 3, lid 1 en bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 9 van Verordening (EG) nr. 853/2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2022/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/2974

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2021 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [woonplaats] , appellante

(gemachtigde: mr. K.J. Defares),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2018, kenmerk ROT 17/3421, in het geding tussen

appellante


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman)

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 november 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:9158).

De minister heeft een reactie ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor appellante is tevens verschenen [naam 2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor de minister is tevens verschenen drs. [naam 3] .

Het College heeft de zaak aangehouden in verband met de heropening van een andere zaak.

Bij brief van 19 oktober 2021 heeft appellante er desgevraagd mee ingestemd dat in deze zaak het lid van de behandelend kamer van het College mr. J.A.M. van den Berk wordt vervangen door mr. R.L.W. Koopmans en dat de zaak na de vervanging niet opnieuw ter zitting wordt behandeld. Ook verweerder heeft desgevraagd hiermee ingestemd.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 28 augustus 2015 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle verricht in het slachthuis van appellante. Het daarvan opgemaakte rapport van bevindingen (rapport van bevindingen) vermeldt:

“(…) Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op een bordes (na het keurbordes) net voor de stempelautomaat. Ik zag daar dat zich op het varkenskarkas, wat op mijn controlelijst als nummer 23 stond weergegeven, haar bevond.


Het haar bevond zich op een stukje huid aan de rechterkant van de nek buikwaarts ter hoogte van de snee aangebracht door de koppensnijder. Het stukje huid had een doorsnee van ongeveer 2-3cm, de haren waren lang en wit en plukbaar, geen stoppels en het waren er duidelijk meer dan 5 (…).”

1.3

Bij besluit van 4 december 2015 (het primaire besluit) heeft de minister aan appellante een boete opgelegd van € 5000,- omdat appellante geen of onvoldoende zorg droeg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Volgens de minister heeft appellante daarmee artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 852/2004

van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening nr. 852/2004) overtreden.

1.4

Bij besluit van 25 april 2017 waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de minister de grondslag en de hoogte van de boete gewijzigd in die zin dat sprake is van overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten en artikel 3, eerste lid, in verbinding met bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 9, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening nr. 853/2004) en de hoogte van de boete nader vastgesteld op € 2.500,-.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de boete, het primaire besluit in zoverre herroepen en het boetebedrag vastgesteld op € 2.250,-. De reden hiervoor is dat op het moment waarop de rechtbank uitspraak deed de redelijke termijn met bijna een jaar was overschreden. De rechtbank zag hierin aanleiding om de boete te matigen met 10 % tot genoemd bedrag. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiser en verweerder respectievelijk appellante en de minister moet worden gelezen.

“3.1. In het bestreden besluit is op basis van hetzelfde rapport van bevindingen en dezelfde feitelijke constateringen als bij het primaire besluit, de wettelijke grondslag voor de overtreding gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet in strijd met artikel 5:9 of 5:48 van de Awb, noch met artikel 6 van het EVRM. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in de uitspraak van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:327) brengen de systematiek en de uitgangspunten van de Awb terzake van het beslissen op een bezwaarschrift mee dat een primair besluit in volle omvang wordt heroverwogen en dat deze heroverweging de gelegenheid biedt fouten te herstellen, waarbij de eis geldt dat het nieuwe besluit moet zijn te beschouwen als het resultaat van die heroverweging. In die zaak was eveneens sprake van een wijziging van de grondslag van de overtreding in de beslissing op bezwaar en volgens het CBb is dit te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit, waarbij het CBb van belang acht dat de beslissing op bezwaar op hetzelfde feitencomplex berustte als het primaire besluit (namelijk de in het boeterapport omschreven feitelijke gedragingen van de overtreder) en dat het bestuursorgaan bevoegd was om op grond van beide wettelijke grondslagen handhavend op te treden. Ook volgens de Afdeling (in onder meer de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:177) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan handhaving van een besluit op grond van een andere wettelijke bepaling dan die waarop het in het bezwaar bestreden primaire besluit berust. In de uitspraak van de Afdeling waarnaar eiseres heeft verwezen was sprake van een wijziging van de grondslag in de beslissing op bezwaar op basis van constateringen die na het primaire besluit zijn gedaan; daarvan is hier geen sprake. Nu het bestreden besluit is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex en hetzelfde rapport van bevindingen als het primaire besluit en verweerder bovendien bevoegd is om grond van beide wettelijke grondslagen handhavend op te treden, dient de gewijzigde grondslag in het bestreden besluit te worden beschouwd als het resultaat van de volledige heroverweging van het primaire besluit, zoals neergelegd in artikel 7:11 van de Awb. Zoals eveneens volgt uit voornoemde uitspraken van het CBb en de Afdeling (ECLI:NL:CBB:2017:327 en ECLI:NL:RVS:2015:177) heeft verweerder bovendien in die heroverweging en wijziging van de grondslag terecht geen reden gezien om het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren.


4. Eiseres voert aan dat verweerder artikel 5:43 van de Awb heeft geschonden. Verweerder heeft in bezwaar, bij brief van 23 februari 2017, aan eiseres medegedeeld dat geen boete wordt opgelegd wegens overtreding van artikel 5 van Verordening 852/2004. Dit is een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb. Daarmee was de bevoegdheid van verweerder vervallen om naar aanleiding van de betreffende constateringen door de toezichthouder een boete op te leggen. Artikel 5:43 van de Awb staat eraan in de weg dat nogmaals een boete wordt opgelegd ten aanzien van hetzelfde feit, dezelfde overtreding of dezelfde gedraging, aldus eiseres.

4.1.

Op grond van artikel 5:43 van de Awb legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt. Uit voornoemd onderdeel van artikel 5:50 volgt dat zo’n kennisgeving inhoudt dat het bestuursorgaan, nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet in strijd gehandeld met artikel 5:43 van de Awb. Verweerder heeft in bezwaar, bij brief van 23 februari 2017, aan eiseres bericht dat de wettelijke grondslag van de overtreding wordt gewijzigd en eiseres gelegenheid gegeven daarop te reageren. Deze brief kan niet als een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb worden beschouwd, reeds nu deze brief niet volgt op een voornemen tot boeteoplegging, maar het primaire besluit tot boeteoplegging al was genomen. Overigens is van een bericht dat van oplegging van een bestuurlijke boete wordt afgezien ook geen sprake, aangezien verweerder in de brief van 23 februari 2017 alleen de wettelijke grondslag wijzigt en de oplegging van een boete handhaaft. Gelet op de handhaving van de boete kan, voor zover eiseres dit stelt, van strijd met het ne bis in idem-beginsel evenmin sprake zijn.

(…)

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen van 10 september 2015 voldoende duidelijk omschreven welke constateringen op 28 augustus 2015 zijn gedaan. Zo beschrijft de toezichthouder onder meer dat hij een stukje huid met haar aantrof op een varkenskarkas, waar dit stukje zich op het karkas bevond, hoe groot het stukje huid was en welk nummer het varkenskarkas had. Ook beschrijft hij dat het meer dan vijf haren waren, die lang, wit en plukbaar waren en dat het geen stoppels waren. De inhoud van het rapport van bevindingen vormt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de constateringen door de toezichthouder. Evenmin heeft eiseres gemotiveerd de bevindingen in het rapport betwist. Door eiseres is niet gemotiveerd waarom niet van de juistheid van de in het rapport beschreven bevindingen kan worden uitgegaan. De enkele stelling van eiseres dat niet vaststaat dat haar op een karkas is aangetroffen of dat het om het karkas met nummer 23 ging, vormt geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen. Voorts is geenszins aannemelijk dat het hier om mensenharen zou gaan, nu het haren betreft die zich op een stukje huid op het karkas bevonden. Bovendien verschaft het rapport voldoende duidelijkheid over de hoeveelheid haar die is aangetroffen. Nu naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van het rapport voldoende duidelijkheid geeft over de bevindingen van de toezichthouder en eiseres niet heeft gemotiveerd waarom desondanks aan de juistheid van de bevindingen moet worden getwijfeld, is een nadere onderbouwing met foto’s evenmin nodig. Uit de door eiseres aangehaalde uitspraken van het CBb evenals uit andere jurisprudentie van het CBb kan niet worden afgeleid dat een rapport van een toezichthouder moet zijn vergezeld van foto’s om van de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder uit te kunnen gaan. Eerst indien een rapport onduidelijkheden bevat of er twijfel rijst over de beschreven constateringen, kan het voor een goede beoordeling noodzakelijk zijn dat foto’s bij het rapport worden gevoegd. Die noodzaak is hier niet aanwezig.

(…)

6.2.

Niet in geschil is dat sprake is van de situatie dat de varkens niet werden gevild zodat punt 9 van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is de norm van punt 9 ten aanzien van haren voldoende duidelijk: haren moeten onmiddellijk worden verwijderd. Dat de norm niet meer zou inhouden dan dat de slachterij de processtap van het verwijderen van haren moet nemen en dat slechts sprake is van een inspanningsverplichting, kan uit de tekst van punt 9 niet worden afgeleid. Uit het voorschrift dat haren onmiddellijk moeten worden verwijderd volgt dat dit voorschrift is overtreden als aan het einde van het slachtproces nog haren op het (niet gevilde) varkenskarkas aanwezig zijn. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom, ondanks de duidelijke bewoordingen van punt 9, slechts sprake zou zijn van een inspanningsverplichting die de aanwezigheid van enkele haren na afloop van het slachtproces toestaat. (…)

6.3.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat niet is bewezen dat haar een verontreiniging is en dus de aanwezigheid of introductie van een gevaar meebrengt, overweegt de rechtbank dat het voorschrift van punt 9 specifiek spreekt van het onmiddellijk verwijderen van ‘haar’, zodat voor de vaststelling van een overtreding van dit voorschrift niet relevant is of haar ook onder het begrip verontreiniging valt. Voor zover eiseres stelt dat ook zonder gebruik van het begrip verontreiniging verweerder dient vast te stellen of overtreding van het voorschrift leid tot een gevaar voor de volksgezondheid, is hiervoor geen aanwijzing te vinden in Verordening 853/2004 of anderszins. Gelet op het voorgaande is evenmin relevant of het betreffende karkas is afgekeurd voor menselijke consumptie.

6.4.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de norm die aan de boete ten grondslag is gelegd voldoende duidelijk. Er kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de uitleg van deze bepaling. Door eiseres is ook op geen enkele wijze gesteld dat in de situatie in andere landen of uit andere taalversies van deze bepaling een aanwijzing kan worden gevonden voor haar stelling dat punt 9 uitsluitend een inspanningsverplichting zou bevatten. Anders dan in de door eiseres aangehaalde verwijzingsuitspraak van deze rechtbank van 8 juni 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4362) over verontreinigde pluimveekarkassen, ziet de rechtbank in de onderhavige zaak dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

6.5.

Nu punt 9 van bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV van Verordening 853/2004 voorschrijft dat haren onmiddellijk verwijderd moeten worden en uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder na afloop van het slachtproces constateerde dat zich op het karkas nog haren bevonden, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres punt 9 heeft overtreden. Bovendien is verweerder gelet op het eigen Handhavingsprotocol terecht tot handhaving overgegaan, nu uit het rapport van bevindingen ook blijkt dat het lange haren en geen stoppels betrof en dat het er meer dan 5 waren. Het voorgaande betekent dat verweerder dus bevoegd was aan eiseres een boete op te leggen.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep


3. Appellante voert de volgende zes hogerberoepsgronden aan.

3.1

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellante de juistheid van de bevindingen in het rapport van bevindingen niet gemotiveerd heeft betwist (hogerberoepsgrond I). Volgens appellante is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het betoog van appellante dat het rapport niet duidelijk, niet nauwkeurig en oncontroleerbaar is en dat de wijze waarop is geverbaliseerd op essentiële punten onvolledig is. Er zijn geen foto’s bijgevoegd bij het rapport. Niet bewezen is dat de verontreiniging is aangetroffen op een varkenskarkas met nummer 23. Onduidelijk is of de aangetroffen haar van een mens of een dier afkomstig is en hoeveel haren er precies zijn aangetroffen en hoe lang ze waren. De rechtbank heeft ten onrechte niet de stelling van appellante onderzocht dat de NVWA overeenkomstige de toepasselijke Unierechtelijke regelgeving microbiologisch onderzoek had moeten doen aan de haren om vast te kunnen stellen of daadwerkelijk sprake is van een verontreiniging in de zin van die regelgeving. Appellante stelt verder dat geen boete kan worden opgelegd uitsluitend op basis van de waarnemingen van één (anoniem gebleven) toezichthouder. Of het boeterapport op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt wordt aan de rechterlijke toetsing onttrokken en kan niet door appellante worden geverifieerd. Deze handelswijze doorkruist de hoge eisen die op grond van de constante jurisprudentie aan bewijs worden gesteld ingeval van het opleggen van een punitieve sanctie en is onverenigbaar met de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geformuleerde waarborgen en de rechten van de verdediging. Volgens appellante heeft de bewijsstandaard van de ‘dubbele bevestiging’ te gelden, die inhoudt dat het bewijs niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

3.2

De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan het betoog van appellante dat de minister niet heeft bewezen dat haar op een karkas of op vleesdelen een risico voor de volksgezondheid vormt (hogerberoepsgrond II). Dit is in strijd met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheids-aangelegenheden (Verordening nr. 178/2002). De minister heeft niet de vereiste risicobeoordeling op basis van wetenschappelijke gegevens op onafhankelijke, objectie en doorzichtige wijze laten uitvoeren. Uit het door appellante overgelegde rapport van prof. dr. G. Klein, verbonden aan de Stiftung Tierärzliche Hochschule Hannover, te Hannover, van 17 mei 2015 blijkt dat haar op een varkenskarkas geen risico voor de volksgezondheid vormt. Voorts is beheersing van incidentele contaminatie van varkenskarkassen met haren onderdeel van het HACCP-systeem van appellante.

3.3

De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan het betoog van appellante dat het Unierechtelijk voorzorgsbeginsel begin van bewijs verlangt dat haar op een karkas of op vleesdelen een risico vormt voor de volksgezondheid (hoger beroepsgrond III). Hiertoe wijst appellante op artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (Verordening 178/2002). De minister heeft niet aangetoond dat hij op basis van een risicobeoordeling over voldoende wetenschappelijke aanwijzingen beschikt, die objectief wetenschappelijk de conclusie rechtvaardigen dat er in dit geval een risico op de volksgezondheid bestaat. De minister kan de in geding zijnde boete daarom niet rechtvaardigen met een beroep op het voorzorgsbeginsel

3.4

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat artikel 3, eerste lid, in verbinding met bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 9 (hierna: punt 9), van Verordening nr. 853/2004 is overtreden als aan het einde van het slachtproces nog haren op het karkas aanwezig zijn (hogerberoepsgrond IV). Het verrichten van opknaphandelingen aan een karkas na de stempelaar, maar voor de koeling, is verenigbaar met een juiste uitleg en toepassing van Verordening nr. 853/2004 en daarom toegestaan. Indien op een karkas sporen van haren worden geconstateerd, wordt het karkas “uitgeraild” (naar een andere slachtlijn). Onder toezicht van de officiële dierenarts worden vervolgens de vereiste opknaphandelingen verricht. Daarbij gaat het om het grondig afspoelen van karkassen met drinkwater en het verwijderen van haar, zoals Verordening nr. 853/2004 dwingend voorschrijft. Na deze handeling in het slachtproces wordt het gezondheidskenmerk aangebracht door de stempelaar. Het betrokken karkas is onmiddellijk na de constatering van het aanwezige haar opgeknapt overeenkomstig de in het HACCP-handboek neergelegde procedurevoorschriften. De officiële dierenarts heeft het karkas, c.q. de vleesdelen ook niet voor menselijke consumptie afgekeurd.

Steun voor dit standpunt ontleent appellante aan de overwegingen 57 tot en met 59 in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 12 september 2019, zaak C-347/17, ECLI:EU:C:2019:720 met betrekking tot de uitleg van bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, punten 5 en 8, van Verordening nr, 853/2004 ten aanzien van de verontreiniging van pluimveekarkassen.

3.5

De rechtbank is ten onrechte buiten de grondslag van het primaire besluit, waaronder het rapport van bevindingen, getreden door te overwegen dat de overtreden norm die aan de boete ten grondslag is gelegd voldoende duidelijk is (hogerberoepsgrond V). Uit het rapport van bevindingen kan niet worden afgeleid dat punt 9 van Verordening nr. 853/2004 is overtreden. In het kader van de wijziging van de wettelijke grondslag voor de boete in het bestreden besluit is geen (nader) boeterapport opgemaakt. Volgens appellante heeft de minister gehandeld in strijd met de rechten van de verdediging als bedoeld in het Handvest en het EVRM, en heeft hij artikel 5:9, 5:48, eerste en tweede lid in samenhang met artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.

3.6

Tot slot voert appellante aan dat de rechtbank heeft nagelaten het beroep in materiële zin gegrond te verklaren in verband met de wijziging van de grondslag voor de boete in bezwaar (hogerberoepsgrond VI).

4. Voor de beoordeling van deze zaak gaat het College uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

5. Het College ziet aanleiding de hogerberoepsgronden V en VI eerst en gezamenlijk te bespreken. Het College overweegt daarover het volgende.

5.1

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:327) op goede gronden terecht geoordeeld dat het bestreden besluit, waarin op basis van dezelfde feitelijke grondslag zoals neergelegd in het rapport van bevindingen, de wettelijke grondslag voor de overtreding is gewijzigd, dient te worden beschouwd als het resultaat van de volledige heroverweging van het primaire besluit, zoals neergelegd in artikel 7:11 van de Awb. Aanvullend wijst het College er hierbij nog op dat in het bestreden besluit de hoogte van de boete niet is gewijzigd.

5.2

Appellante betoogt tevergeefs dat de minister heeft gehandeld in strijd met de artikelen 5:9, 5:48, eerste lid, in verbinding met artikel 5:53 van de Awb. Het rapport van bevindingen, en het primaire besluit waarin naar dit rapport is verwezen en waarover appellante toen reeds de beschikking had, vermelden zowel een weergave van de feiten als de overtreden norm. Uit deze bepalingen volgt niet dat een bestuursorgaan de grondslag van een opgelegde boete in een later stadium niet mag wijzigen.

5.3

Het College stelt voorts vast dat de minister appellante bij brief van 23 februari 2017 heeft geïnformeerd over de voorgenomen wijziging van de wettelijk grondslag van de overtreding en haar in de gelegenheid heeft gesteld hierop te reageren. Appellante heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 15 maart 2017. Voordat de minister het bestreden besluit nam was appellante dus duidelijk welk verwijt de minister haar zou gaan maken, heeft zij zich daartegen kunnen verweren en ook daadwerkelijk verweerd. Het College ziet dan ook niet in dat appellante in die fase van de procedure in haar verdediging is geschaad.

5.4

Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in verband met de wijziging van de wettelijke grondslag van de boete bij het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Hogerberoepsgronden V en VI falen.

6. Met hogerberoepsgrond I voert appellante in de kern aan dat de minister met het rapport van bevindingen niet het bewijs heeft geleverd dat zij punt 9 van Verordening nr. 853/2004 heeft overtreden. Deze hoger beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt het College als volgt.

6.1

In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat appellante punt 9 van Verordening nr. 853/2004 heeft overtreden en daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat appellante deze overtreding heeft begaan, steunt de minister op de in het rapport van bevindingen beschreven constateringen van de toezichthouder dat hij heeft gezien dat zich op het varkenskarkas met nummer 23 meer dan vijf plukharen bevonden. Appellante heeft deze constateringen uit het rapport van bevindingen betwist.

6.2

Het College stelt vast dat het rapport van bevindingen blijkens de ondertekening is opgemaakt op ambtseed. Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een door een toezichthouder op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het boeterapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Het College is van oordeel dat het in artikel 48 van het Handvest en artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet tot een andere conclusie noopt. Anders dan appellante betoogt eisen deze artikelen niet dat er altijd tenminste twee bewijsmiddelen aanwezig moeten zijn.

6.3

Het College is het eens met de rechtbank dat de omstandigheid dat in het rapport van bevindingen geen personalia van de toezichthouder zijn opgenomen geen aanleiding vormt om niet van de juistheid van het rapport of de bevoegdheid van de toezichthouder uit te gaan en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt. Het College voegt hieraan toe dat appellante ook in hoger beroep geen enkele reden naar voren heeft gebracht waarom aan de bevoegdheid van de toezichthouder zou moeten worden getwijfeld.

6.4

Appellante heeft de constateringen uit het rapport van bevindingen weliswaar betwist maar zij heeft deze betwisting onvoldoende concreet onderbouwd en zij heeft geen stukken in het geding gebracht die aanleiding geven om aan de juistheid van de constateringen uit het rapport van bevindingen te twijfelen. De enkele stelling dat het rapport van bevindingen op essentiële punten onvolledig is en het gegeven dat geen foto’s zijn bijgevoegd zijn onvoldoende om aan de juistheid van de constateringen met betrekking tot de karkassen te twijfelen. Hoewel het opnemen van foto’s kan bijdragen aan de bewijskracht van een rapport van bevindingen, ziet het College in het ontbreken hiervan geen reden voor zodanige twijfel aan de in het rapport opgenomen bevindingen dat het niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kan worden gelegd. Pas indien een rapport onduidelijkheden bevat of er twijfel rijst over de beschreven constateringen, kan het voor een goede beoordeling noodzakelijk zijn dat foto’s bij het rapport worden gevoegd. Met de rechtbank is het College van oordeel dat die noodzaak in dit geval niet aanwezig is. De constateringen met betrekking tot de aangetroffen haren zijn ook wat betreft de plek op het karkas en de omvang door de toezichthouder voldoende duidelijk en gedetailleerd beschreven.

7. Het College zal de hogerberoepsgronden II, III en IV nu gezamenlijk te bespreken. Met hoger beroepsgronden II en III betoogt appellante dat de minister in strijd met de artikelen 6 en 7, eerste lid, van Verordening nr. 178/2002, niet het (begin van) bewijs heeft geleverd dat haar op een karkas een risico vormt voor de volksgezondheid en dat er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een dergelijk risico. Hogerberoepsgrond VI houdt in dat de controle volgens appellante te vroeg heeft plaatsgevonden, omdat het verrichten van opknaphandelingen aan een karkas na de stempelaar, maar voor de koeling, verenigbaar is met een juiste uitleg en toepassing van Verordening nr. 853/2004 en daarom is toegestaan.

7.1

Punt 9 luidt als volgt:

“Wanneer varkens niet worden gevild, moeten de haren onmiddellijk worden verwijderd. Het risico van verontreiniging van het vlees met broeiwater moet zo klein mogelijk zijn. Hierbij mogen alleen erkende additieven worden gebruikt. Nadien moeten de varkens grondig met drinkwater worden afgespoeld.”

7.2

Ook in hoger beroep is niet in geschil dat sprake is van een situatie dat de varkens niet worden gevild, zodat punt 9 van toepassing is.

7.3

Met de rechtbank is het College van oordeel dat de norm van punt 9 dat de haren onmiddellijk moeten worden verwijderd voldoende duidelijk is. Verordening nr. 853/2004, Hoofdstuk IV van bijlage III, sectie I, genaamd ‘Hygiëne bij het slachten’, beschrijft het slachtproces voor als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren in chronologische volgorde. De punten 1 tot en met 6 van hoofdstuk IV hebben betrekking op de antemortemfase en de punten 7 tot en met 15 op de uitslachtfase. De punten 16 en 17 hebben betrekking op de fase na de postmortemkeuring. Gelet op deze chronologische beschrijving van de slachtfase ziet punt 9 van hoofdstuk IV naar het oordeel van het College op de uitslachtfase. Dit betekent dat vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan het bepaalde in punt 9 van hoofdstuk IV moet zijn voldaan (zie de uitspraak van het College van 19 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:426). Van overtreding van punt 9 is dan ook sprake als zich nog haren op een varkenskarkas bevinden na die fase.

7.4

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder i, van Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (Verordening nr. 854/2004) is een gezondheidsmerk een merk dat aangeeft dat, voordat het werd aangebracht, er overeenkomstig deze verordening officiële controles zijn uitgevoerd.

Gelet op punt 2, aanhef en onder a. van bijlage I, sectie I, hoofdstuk III van Verordening nr. 854/2004 moet de officiële dierenarts ervoor zorgen dat het gezondheidsmerk alleen wordt aangebracht als het dier een antemortem- en een postmortemkeuring ondergaan heeft overeenkomstig deze verordening en er geen reden is om het vlees ongeschikt te verklaren voor menselijke consumptie.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef, van Verordening nr. 854/2004 en bijlage I, sectie II, hoofdstuk V, punt 1 onder s, moet vlees ongeschikt worden verklaard voor menselijke consumptie als het sporen van vervuiling, fecaliën of andere verontreiniging vertoont.
Uit deze voorschriften in onderlinge samenhang bezien en gelet op de duidelijke norm van punt 9 volgt dat geen haren meer op een varkenskarkas aanwezig mogen zijn op het moment dat de dierenarts heeft beslist over de geschiktheid van het vlees voor menselijke consumptie en het gezondheidsmerk is aangebracht ten bewijze van die geschiktheid. Het is dus niet toegestaan dat daarna nog haren aanwezig mogen zijn op een varkenskarkas en, anders dan appellante meent, is er in zoverre wel sprake van een verbod op de aanwezigheid van haren op een varkenskarkas.

7.5

In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002 is het voorzorgsbeginsel neergelegd. Dit houdt in dat in specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement kunnen worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat de minister in verband met het voorzorgsbeginsel de door appellante bedoelde risicobeoordeling had moeten uitvoeren. Het bestreden besluit berust op overtreding van punt 9 van Verordening nr. 853/2004. Zoals blijkt uit punt 9 van de considerans van Verordening nr. 853/ 2004 heeft deze ten doel om met betrekking tot voedselveiligheid, een hoog niveau van bescherming van de consument te garanderen. Naar het oordeel van het College blijkt uit de duidelijke norm van punt 9 dat de Uniewetgever daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat de aanwezigheid van haren op een varkenskarkas na de uitslachtfase een onaanvaardbaar risico vormt met het oog op de voedselveiligheid en de bescherming van de consument. Daarmee heeft de Uniewetgever reeds de afweging gemaakt dat de aanwezigheid van haren na genoemde fase gelet op vorengenoemd doel onaanvaardbaar is. Niet valt in te zien dat daarin nog plaats kan zijn voor een risicobeoordeling om vast te stellen dat sprake is van een verontreiniging, zoals appellante betoogt. Reeds hierom kan geen betekenis worden toegekend aan het door appellante overgelegde rapport van prof. dr. G. Klein. Overigens heeft dit rapport geen betrekking op “visible hairs”, zoals aangetroffen op het onderhavige karkas, maar op haarstoppels (“hair stubs”) en stelt prof. dr. Klein alleen dat geen risico valt te verwachten van haarstoppels.

7.6

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het College redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de uitleg van punt 9 van Verordening nr. 853/2004. De door appellante genoemde overwegingen uit het arrest van het HvJ van 12 september 2019 hebben betrekking op het in punt 8 van bijlage III, sectie II, hoofdstuk IV, van Verordening nr. 853/2004 neergelegde voorschrift dat specifiek geldt voor het schoonmaken van pluimveekarkassen. Een soortgelijk voorschrift ontbreekt in de ten aanzien van vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren in sectie I van bijlage III van die verordening neergelegde hygiënevoorschriften. Appellante kan aan genoemde overwegingen reeds daarom niet de door haar gewenste betekenis ontlenen. Het College ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ.

7.7

Aangezien de haren op het karkas door de NVWA zijn geconstateerd na de postmortemkeuring (keurbordes) en vlak voor de karkassen worden voorzien van een gezondheidsmerk – hetgeen door appellante niet wordt betwist – en ook niet is gesteld of gebleken dat er nog opknappunten zijn tussen de locatie waar de controle heeft plaatsgevonden en het stempelen, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat appellante artikel 3, eerste lid, en punt 9 van Verordening nr. 853/2004 heeft overtreden en met juistheid geoordeeld dat de minister bevoegd was aan appellante een boete op te leggen vanwege deze overtreding.

7.8

Gelet op het vorenstaande slagen de hogerberoepsgronden II, III en IV niet.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. R.L.W. Koopmans en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. E. van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2021.

S.C. Stuldreher E. van Kampen

Bijlage

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie:

“Artikel 48 Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging

1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM):

“Artikel 6. Recht op een eerlijk proces.

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.”

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden:

“Artikel 6
Risicoanalyse

1. Om de algemene doelstelling van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en het leven van de mens te verwezenlijken, wordt de levensmiddelenwetgeving gebaseerd op risicoanalyse, tenzij dit wegens de omstandigheden of de aard van de maatregel niet toepasselijk is.

2. Risicobeoordeling is gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en wordt op onafhankelijke, objectieve en doorzichtige wijze uitgevoerd.

3. Bij risicomanagement wordt rekening gehouden met de resultaten van de risicobeoordeling, in het bijzonder de adviezen van de krachtens artikel 22 opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, met andere ter zake dienende factoren en met het voorzorgsbeginsel indien aan de in artikel 7, lid 1, bedoelde voorwaarden is voldaan, zulks met het oog op het bereiken van de in artikel 5 omschreven algemene doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving.

4.Met risicocommunicatie worden de doelstellingen verwezenlijkt en de algemene beginselen in artikel 8 bis en 8 ter geëerbiedigd.

Artikel 7
Voorzorgsbeginsel

1. In specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, kunnen, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen.

2. Krachtens lid 1 vastgestelde maatregelen zijn evenredig en beperken de handel niet meer dan nodig is om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, rekening houdend met de technische en economische haalbaarheid en andere ter zake dienende factoren. De maatregelen dienen binnen een redelijke termijn opnieuw te worden bezien, afhankelijk van de aard van het geconstateerde risico voor het leven of de gezondheid en het soort wetenschappelijke informatie dat nodig is om de wetenschappelijke onzekerheid weg te nemen en een vollediger risicobeoordeling uit te voeren.”

Verordening (EG) Nr. 852/2004 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne.

“Artikel 5
Risicoanalyse en kritische controlepunten

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen.

2. De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen:

a. a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;

b) het identificeren van de kritische controlepunten in het stadium of de stadia waarin controle essentieel is om een gevaar te voorkomen of te elimineren dan wel tot een aanvaardbaar niveau te reduceren;

c) het vaststellen van kritische grenswaarden voor de kritische controlepunten teneinde te kunnen bepalen wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is op het vlak van preventie, eliminatie of reductie van een onderkend gevaar;

d) het vaststellen en toepassen van efficiënte bewakingsprocedures op de kritische controlepunten;

e) het vaststellen van corrigerende maatregelen wanneer uit de bewaking zou blijken dat een kritisch controlepunt niet volledig onder controle is;

f) het vaststellen van procedures om na te gaan of de onder a) tot en met e) bedoelde maatregelen naar behoren functioneren, waarbij regelmatig verificatieprocedures worden uitgevoerd,
en

g) het opstellen van aan de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf aangepaste documenten en registers, teneinde aan te tonen dat de onder a) tot en met f) omschreven maatregelen daadwerkelijk worden toegepast.

Ingeval het product, de verwerking of een stadium daarvan enige wijziging ondergaat, dient de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de procedure te herzien en waar nodig aan te passen.

3. Lid 1 is alleen van toepassing op exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de in bijlage I bedoelde, daarmee verband houdende handelingen.

4. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven:

a. a) dienen tegenover de bevoegde autoriteit aan te tonen dat zij de bepaling van lid 1 op een zodanige wijze naleven als de bevoegde autoriteit verlangt, rekening houdend met de aard en de omvang van het levensmiddelenbedrijf;

b) zorgen ervoor dat alle documenten met de beschrijving van de overeenkomstig dit artikel ontwikkelde procedures altijd geactualiseerd zijn;

c) bewaren alle overige documenten en verslagen gedurende een passende periode.
(…)”

Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

“Overwegende hetgeen volgt:

(1) In Verordening (EG) nr. 852/2004 hebben het Europees Parlement en de Raad de algemene hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld.

(2) Bepaalde levensmiddelen kunnen specifieke gevaren inhouden voor de volksgezondheid, zodat specifieke hygiënevoorschriften moeten worden vastgesteld. Dat geldt met name voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong waarbij herhaaldelijk microbiologische en chemische gevaren zijn gemeld.

(3) In het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is een groot aantal richtlijnen vastgesteld die specifieke gezondheidsvoorschriften bevatten voor de productie en het op de markt brengen van de producten van bijlage I van het Verdrag. Deze gezondheidsvoorschriften hebben de handelsbelemmeringen voor de betrokken producten verminderd en bijgedragen aan het totstandkomen van de interne markt waarbij tevens een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid is gewaarborgd.

(4) Wat de volksgezondheid betreft, bevatten deze voorschriften gemeenschappelijke beginselen. Zo stellen zij met name soortgelijke regels vast met betrekking tot de verantwoordelijkheden van fabrikanten en bevoegde autoriteiten, de structurele, operationele en hygiënevoorschriften waaraan inrichtingen moeten voldoen, de procedures voor de erkenning van inrichtingen, en de voorwaarden voor opslag en vervoer, en keurmerken.

(5) Deze beginselen vormen een gemeenschappelijke basis voor de hygiënische productie van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, die het mogelijk maakt de bestaande richtlijnen te vereenvoudigen.

(6) Het is wenselijk de regelgeving verder te vereenvoudigen door waar mogelijk op alle producten van dierlijke oorsprong dezelfde regels toe te passen. 1 Bladzijde … van dit PB.

(7) Ook de eis van Verordening (EG) nr. 852/2004 dat exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die zich bezighouden met een op de primaire productie volgende fase van de productie, de verwerking en de distributie van levensmiddelen en de daarmee verband houdende handelingen, dienen te zorgen voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van procedures die gebaseerd zijn op risicoanalyse en de HACCP-beginselen, maakt vereenvoudiging mogelijk.

(8) Al deze elementen tezamen rechtvaardigen een herziening van de specifieke hygiënevoorschriften van de bestaande richtlijnen.

(9) De herziening heeft hoofdzakelijk ten doel om, met betrekking tot voedselveiligheid, een hoog niveau van bescherming van de consument te garanderen, met name door alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de gehele Gemeenschap aan dezelfde regels te onderwerpen, en de goede werking van de interne markt met betrekking tot producten van dierlijke oorsprong te waarborgen, en aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
(…)

Artikel 3 Algemene verplichtingen

1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dienen te voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de bijlagen II en III.

(…)


Bijlage III

Specifieke voorschriften

Sectie I

Vlees van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren

(…)

Hoofdstuk IV: hygiëne bij het slachten

(…)

9. Wanneer varkens niet worden gevild, moeten de haren onmiddellijk worden verwijderd. Het risico van verontreiniging van het vlees met broeiwater moet zo klein mogelijk zijn. Hierbij mogen alleen erkende additieven worden gebruikt. Nadien moeten de varkens grondig met drinkwater worden afgespoeld”

Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong:

“Artikel 2 Definities

1. Voor de doeleinden van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

(…)

i. "gezondheidsmerk": een merk dat aangeeft dat, voordat het werd aangebracht, er overeenkomstig deze verordening officiële controles zijn uitgevoerd.

(…)

Artikel 5 Vers vlees

De lidstaten zorgen ervoor dat de officiële controles van vers vlees overeenkomstig bijlage I worden uitgevoerd.

(…)

2. Het aanbrengen van het gezondheidsmerk op karkassen van als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, andere gekweekte wilde zoogdieren dan lagomorfen, en groot wild, op halve karkassen, in vieren gedeelde karkassen en stukken die het resultaat zijn van het snijden van halve karkassen tot drie voor de groothandel bestemde stukken geschiedt in slachthuizen en wildverwerkingsinrichtingen overeenkomstig bijlage I, sectie I, hoofdstuk III. Gezondheidsmerken worden door of onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts aangebracht, wanneer bij officiële controles geen gebreken aan het licht zijn gekomen die het vlees ongeschikt voor menselijke consumptie maken;

3. Na de in de punten 1) en 2) bedoelde controles neemt de officiële dierenarts passende maatregelen als bedoeld in bijlage I, sectie II, met name wat betreft:

a. a) de mededeling van de keuringsresultaten;

b) de beslissingen met betrekking tot de informatie over de voedselketen;

c) de beslissingen met betrekking tot levende dieren;

d) de beslissingen met betrekking tot het dierenwelzijn; en

e) de beslissingen met betrekking tot het vlees;

(…)

Bijlage I
VERS VLEES

SECTIE I: TAKEN VAN DE OFFICIËLE DIERENARTS

(…)

Hoofdstuk III: gezondheidsmerken

1. De officiële dierenarts moet toezicht houden op de gezondheidsmerken en het gebruik van de merken.

2. De officiële dierenarts moet er met name voor zorgen dat

a. a) het gezondheidsmerk alleen wordt aangebracht als het dier (als landbouwhuisdier gehouden hoefdieren, andere gekweekte wilde zoogdieren dan lagomorfen, en groot wild) een antemortem- en een postmortemkeuring ondergaan heeft overeenkomstig deze verordening en er geen reden is om het vlees ongeschikt te verklaren voor menselijke consumptie. Het gezondheidsmerk mag echter wel worden aangebracht voordat de resultaten van het onderzoek naar trichinose beschikbaar zijn, als de officiële dierenarts ervan overtuigd is dat het vlees van het betrokken dier alleen in de handel zal worden gebracht indien de resultaten bevredigend zijn; en

b) het gezondheidsmerk aan de buitenkant van het karkas wordt aangebracht, met behulp van een stempel of een brandmerk, en zodanig dat, indien volledige karkassen in tweeën of in vieren of halve karkassen in drieën worden gesneden, elk deel een gezondheidsmerk draagt.

(…)

SECTIE II: MAATREGELEN NAAR AANLEIDING VAN CONTROLES

(…)

HOOFDSTUK V: BESLISSINGEN MET BETREKKING TOT HET VLEES

1. Vlees moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard als het:
(…)

s) sporen van vervuiling, faecaliën of andere verontreiniging vertoont;

(…)”

Algemene wet bestuursrecht:

“Artikel 5:9
De beschikking tot oplegging van een bestuurlijke sanctie vermeldt:
a. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;
b. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.

(…)

Artikel 5:48
1. Het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
2. Het rapport is gedagtekend en vermeldt:
a. de naam van de overtreder;
b. de overtreding alsmede het overtreden voorschrift;

c. zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is geconstateerd.
(…)

Artikel 5:53
1. Dit artikel is van toepassing indien voor de overtreding een bestuurlijke boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
2. In afwijking van artikel 5:48 wordt van de overtreding steeds een rapport of proces-verbaal opgemaakt.
3. In afwijking van afdeling 4.1.2. wordt de overtreder steeds in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

(…)

Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op de grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.”

Wet dieren:

“Artikel 6.2 Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.”

Regeling dierlijke producten:

“Artikel 2.4 Verbodsbepalingen EU-verordeningen

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:

(…)
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;

d. de artikelen 3 en 4, eerste tot en met vierde lid, 5 en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 853/2004;”