Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:99

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
18/2534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Appellante kan geen succesvol beroep doen op artikel 23, zesde lid, van de Meststoffenwet (de knelgevallenregeling). Daargelaten dat appellante niet vóór 1 april 2018 bij verweerder heeft gemeld dat zij vanwege een stalbrand een beroep wil doen op de knelgevallenregeling, voldoet appellante niet aan de voorwaarde dat op 2 juli 2015 het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager was als gevolg van de ziekte van één van de maten of de stalbrand. Het College is van oordeel dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante erkend dat de brand niet leidt tot een vermindering van 5% van het fosfaatrecht en dat die omstandigheid meer moet worden gezien in het kader van de disproportionele last, die het fosfaatrechtenstelsel op appellante legt. Verweerder kon daarom in het kader van de knelgevallenregeling volstaan met een beoordeling van de bijzondere omstandigheid ziekte. Het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2534

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: J.A. Rietveld),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. Y. Groen en C. Zieleman LLB).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 12 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2020. Voor appellante is verschenen [naam 2] ( [naam 2] ), bijgestaan door [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor

1 april 2018 meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij op twee locaties.

2.2

Op 13 februari 2013 is aan appellante voor de locatie [adres] te [plaats] een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) verleend voor het houden van maximaal 130 melkkoeien en 50 stuks vrouwelijk jongvee. Op 22 juli 2015 heeft appellante een melding als bedoeld in artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof ingediend voor het houden van 150 melkkoeien en 68 stuks vrouwelijk jongvee op die locatie. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante van 3 september 2015 om een
Nbw-vergunning voor de uitbreiding van het bedrijf op deze locatie, heeft Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland meegedeeld dat daarvoor geen vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw is vereist.

2.3

In juni 2014 is [naam 2] aangevallen door een stier. Hij heeft als gevolg daarvan botbreuken opgelopen, enige dagen in het ziekenhuis moeten liggen en in juli 2015 heeft nog een laatste operatie plaatsgevonden.

2.4

Op 2 juli 2015 waren op het bedrijf van appellante 123 melk- en kalfkoeien en 94 stuks jongvee aanwezig.

2.5

Op 30 maart 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden gedaan. Hierbij heeft zij vermeld dat de bijzondere omstandigheid op haar bedrijf ziekte is en heeft zij als aanvangsdatum daarvan 17 juni 2014 aangegeven.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.870 kg. Wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op
2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% als bedoeld in artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Wat betreft het beroep van appellante op de knelgevallenregeling heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat het aantal fosfaatrechten op de peildatum minimaal 5% lager moet zijn dan wanneer rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheid. Hiertoe heeft verweerder de gegevens op de peildatum van 2 juli 2015 vergeleken met de gegevens op 17 juni 2014. Het aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 zou, zonder generieke korting, zijn vastgesteld op 6.400,5 kg, terwijl op basis van de gegevens op 17 juni 2014 (met 109 melk- en kalfkoeien en 92 stuks jongvee) het fosfaatrecht, zonder generieke korting, zou zijn vastgesteld op 5.431,7 kg.

4.1

Appellante heeft aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet ingaat op de brand waar zij in juli 2013 door is getroffen. Deze bijzondere omstandigheid heeft appellante tijdens de hoorzitting op 17 juli 2018 naar voren gebracht. Het afbranden van de Hollandse stal ligt ten grondslag aan het uitstellen van de geplande uitbreiding. Na die brand kreeg de herbouw van die stal prioriteit boven de geplande uitbreiding. Toen appellante de bedrijfsvoering en de financiële zaken weer op orde had, heeft zij besloten de uitbreidingsplannen uit te voeren. In de tussentijd werd [naam 2] door een stier aangevallen wat voor verdere vertraging van die plannen zorgde. Pas na 2 juli 2015 kon appellante meer melkvee gaan houden om daarmee de gerealiseerde stalcapaciteit te benutten. Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd.

4.2

Appellante verzoekt om verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

4.3

Ter zitting heeft appellante verzocht om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.4

Appellante heeft ter zitting haar beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ingetrokken.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat appellante over het afbranden van de stal in juli 2013 geen melding bijzondere omstandigheden heeft ingediend en dat zij ook anderszins daarover vóór 1 april 2018 niets heeft aangegeven. Voor de volledigheid heeft verweerder de brand als een bijzondere omstandigheid beoordeeld en de gegevens van appellante op de peildatum van 2 juli 2015 vergeleken met de gegevens op 1 juli 2013. Het aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 zou, zonder generieke korting, zijn vastgesteld op 6.400,5 kg, terwijl op basis van de gegevens op 1 juli 2013 (met 105 melk- en kalfkoeien en 86 stuks jongvee) het fosfaatrecht, zonder generieke korting, zou zijn vastgesteld op 5.460 kg. Ook in zoverre heeft appellante niet minimaal 5% minder fosfaatrecht op de peildatum en voldoet zij niet aan de knelgevallenregeling.

6.1

Het College is met verweerder van oordeel dat appellante geen succesvol beroep kan doen op de knelgevallenregeling. Daargelaten dat appellante niet vóór 1 april 2018 bij verweerder heeft gemeld dat zij vanwege de brand van de stal een beroep wil doen op de knelgevallenregeling, moet worden geoordeeld dat verweerder zowel voor deze omstandigheid als voor de omstandigheid van de ziekte van [naam 2] heeft uiteengezet dat en waarom appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat op 2 juli 2015 het reguliere fosfaatrecht minimaal 5% lager was als gevolg van deze bijzondere omstandigheden. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in zijn uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij een beoordeling van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum van 2 juli 2015. Anders dan appellante is het College van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van het beroep op de knelgevallenregeling niet deugdelijk is gemotiveerd. Blijkens het verslag van de hoorzitting heeft appellante erkend dat de brand niet leidt tot een vermindering van 5% van het fosfaatrecht en dat die omstandigheid meer moet worden gezien in het kader van de disproportionele last die het fosfaatrechtenstelsel op haar legt, zodat verweerder in het bestreden besluit in het kader van de knelgevallenregeling ermee kon volstaan alleen de bijzondere omstandigheid ziekte te beoordelen.

6.2

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7.1

Over het verzoek van appellante om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, overweegt het College als volgt.

7.2

Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het bezwaarschrift dateert van 13 februari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met vijf dagen overschreden. Appellante heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep minder dan anderhalf jaar heeft geduurd is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.

8. Het College ziet in hetgeen is overwogen onder 7.2 tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 0,5). Het College vindt aanleiding om een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak - als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht - te hanteren van 0,5 (licht). Voor een vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 500,- aan appellante wegens geleden immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
    € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2020.

w.g. A. Venekamp w.g. C.M.J. Rouwers