Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:975

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/2994
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Geen individuele buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/2994

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Veldkamp)


en


de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling
fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd voor de periodes 1, 2 en 4 en voor periode 3 en 5 een bonusgeldsom toegekend.

Bij besluit van 16 juni 2018 heeft verweerder voor periode 1 en 3 bonusgeldsommen toegekend en voor de andere periodes geldsommen opgelegd. De hoogte van de sommen wijkt af van die in het primaire besluit.

Bij besluit van 12 november 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante deels gegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij voor alle periodes een bonusgeldsom toegekend. In de combinatiebeschikking van 15 december 2018 worden de bedragen als genoemd in het bestreden besluit herhaald, zij het dat bij sommige periodes sprake is van afronding.

Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op
2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

Beroepsgronden

  1. Verweerder heeft appellante over de periodes 1 tot en met 5 bonusgeldsommen toegekend.
    Appellante is het daar niet mee eens en betoogt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het melkveebedrijf was oorspronkelijk van een broer en zus. De zus heeft in 2017 – nadat in 2013 al met de eerste besprekingen hierover was gestart – het aandeel in het ondernemingsvermogen van haar broer overgenomen. Vanwege bedrijfseconomische redenen en als direct gevolg van de beëindiging van de samenwerking tussen broer en zus, was appellante genoodzaakt het bedrijf geleidelijk en op verantwoorde wijze uit te breiden. Voor een geleidelijke groei is ook gekozen om ziekte-insleep te voorkomen. Zij betoogt dat zij niet kon voorzien dat de door haar gewenste groei onmogelijk zou worden gemaakt. Zij heeft al in 2007 de benodigde investeringen gedaan en deze investeringen kan zij nu niet terugverdienen doordat de spelregels tussentijds zijn gewijzigd. De continuïteit van haar bedrijf wordt hierdoor ernstig bedreigd, aldus appellante. Zij verwijst in dit verband naar een rapport van Accon Avm accountants van 20 juli 2018. Appellante stelt zich op het standpunt dat het buitenproportioneel is dat de Regeling bijna drie jaar terug in de tijd gaat. Tot slot betoogt zij dat sprake is van strijd met (met name) het zorgvuldigheidsbeginsel.
    In haar nader stuk verzoekt appellante om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
    Bespreking beroepsgronden
    Individuele buitensporige last

  2. Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden.

  3. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (vergelijk de uitspraak van het College in het fosfaatrechtenstelsel van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

  4. Appellante heeft het in haar beroepsgronden over investeringen die al in 2007 zouden zijn gedaan, maar het College begrijpt uit diezelfde gronden dat zij voor (geleidelijke) groei heeft gekozen omstreeks het moment dat de samenwerking met haar broer was beëindigd. De besprekingen hierover begonnen in 2013 en hebben in 2017 geresulteerd in een overname. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het op dat moment voor appellante voorzienbaar was dat productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen. Gezien dit moment waarop zij wilde starten met groeien en nu zij niet met stukken heeft onderbouwd dat die groei noodzakelijk was, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat niet navolgbaar is waarom zij haar uitbreidingsplannen heeft doorgezet. Verder stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat zij weliswaar een rapport van Accon Avm heeft overgelegd, maar onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden. Uit hetgeen zij heeft ingebracht blijkt niet zonder meer dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt. Gelet hierop heeft appellante met de door haar in de onderhavige procedure overgelegde stukken wat betreft de fosfaatreductie niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele buitensporige last.

  5. Deze beroepsgrond slaagt niet.
    Het verweerschrift en de zorgvuldigheid

  6. In zijn verweerschrift heeft verweerder geconstateerd dat de rundaantallen en daarmee de geldsommen voor alle periodes moeten worden herzien. Hij heeft de hoogte van de bonusgeldsommen opnieuw berekend, waarbij wordt uitgekomen op € 223,20 voor periode 1, € 80,40 voor periode 2, € 312,00 voor periode 3, € 327,00 voor periode 4 en € 45,00 voor periode 5. Hij verzoekt het College de geldsommen overeenkomstig deze berekeningen vast te stellen.

  7. Gezien dit verzoek van verweerder, klaagt appellante terecht dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

Overschrijding redelijke termijn

8. Over het verzoek van appellante om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt het College als volgt. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van
€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

9. Verweerder heeft het vroegste bezwaarschrift ontvangen op 9 januari 2018. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim elf maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van
€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan appellante toe te kennen bedrag € 1.000,00.

10. De toe te kennen immateriële schadevergoeding wordt toegerekend aan zowel verweerder als het College. Het College zal daarom op voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling aan appellante van € 500,00 aan immateriële schade en de Staat eveneens tot betaling van € 500,00.

Slotsom

11. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en het College zal zelf in de zaak voorziend, de heffingen over de periodes 1 tot en met 5 in overeenstemming met het verweerschrift vaststellen. Het College zal bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Het College zal verweerder veroordelen in de in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).

11. Appellante heeft recht op een vergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

11. Verweerder dient het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt dit besluit;

- stelt de bonusgeldsommen voor periode 1 vast op € 223,20, voor periode 2 op
€ 80,40, voor periode 3 op € 312,00, voor periode 4 op € 327,- en voor periode 5 op € 45,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 500,-;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van
€ 500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 525,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. van Altena, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.