Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:974

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/2764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Msw. Zoals het College eerder heeft overwogen moet het bij de melkproductie in de toepassing van de knelgevallenregeling gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden (zie de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248). In veel gevallen betreft dit de periode, bij voorkeur dus een jaar, voorafgaand aan de bijzondere omstandigheid. Zoals volgt uit de uitspraak van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:355) verzet de wet zich er echter niet tegen dat wordt gerekend met de gemiddelde melkproductie van een jaar volgend op het jaar waarin zich de bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan, mits die periode voldoet aan de hierboven aangehaalde eisen. De bewijslast om aan te tonen dat de 5%-drempel wordt gehaald ligt bij appellante (vergelijk de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NLCBB:2019:246). Appellante is hierin niet geslaagd. Anders dan appellante stelt, maakt dat de problemen van mastitis spelen vanaf 1998 juist dat de mastitis op het bedrijf geen bijzondere omstandigheid is, maar voor appellante behoort tot de reguliere bedrijfsvoering.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2764

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. P.J. Houtsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Piron),

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft het verweerschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Appellante heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dat verband heeft het College de Staat als partij aangemerkt.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw (knelgevallenregeling) bepaalt verweerder, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door, voor zover van belang, diergezondheidsproblemen (5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveehouderij. Door een fout in de (bekabeling van de) melkmachine heeft appellante geruime tijd problemen gehad met het melken van het vee. Een groot deel van de melk- en kalfkoeien kampte met mastitis. De dierziekte heeft de dieraantallen op 2 juli 2015 niet negatief beïnvloed. Appellante hield op 2 juli 2015 77 melk- en kalfkoeien en 58 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.804 kg en is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij de door appellante aan de melkfabriek geleverde melk in 2015 is 18.317 kg niet door de melkmachine geregistreerde, maar wel geproduceerde melk opgeteld. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4. Appellante voert in beroep aan dat de melkproductie van 2015 voor haar niet representatief is. Appellante heeft melk moeten laten weglopen door het veelvuldig gebruik van antibiotica tegen de mastitis. Daarbij komt dat appellante vanaf 1998 kampt met problemen met de melkmachine. Pas toen die problemen zijn verholpen in 2015 en de nasleep van de mastitis was verdwenen, was sprake van een voor appellante representatieve melkproductie. Uit een door appellante overgelegde verklaring van de dierenarts en jaaroverzichten van melklevering aan Friesland Campina blijkt ook dat de melkproductie in 2016 en 2017, toen de fout in de melkmachine was hersteld, (veel) hoger was dan in 2015. Appellante voert primair aan dat verweerder moet uitgaan van de melkproductie uit 2017. De gemiddelde melkproductie moet worden vastgesteld op 9.391 kg per koe. Dit zou leiden tot een aantal fosfaatrechten van 4.371 kg. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat verweerder moet uitgaan van de melkproductie van 2014 maar daarbij rekening moet houden met de melk die zij vanwege medicijngebruik heeft moeten laten weglopen.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder heeft in het verweerschrift het betoog van appellante aangemerkt als een beroep op de knelgevallenregeling met als bijzondere omstandigheid diergezondheidsproblemen. Verweerder heeft gerekend met de dieraantallen van 2 juli 2015 en de melkproductie uit 2014 en deze afgezet tegen de melkproductie uit 2015. Appellante voldoet niet aan de 5%-drempel.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de melkproductie uit 2017 niet zonder meer representatief is voor appellante. Hij verwijst hierbij naar uitspraken van het College waaruit volgt dat sprake moet zijn van een representatieve periode, bij voorkeur van een jaar voordat de bijzondere omstandigheid zich voordeed. Niet blijkt dat de melkproductie uit 2014 niet representatief is voor appellante. Dat appellante, naar zij stelt, vanaf 1998 kampt met mastitis en dit probleem pas verholpen is bij aanpassing van de melkmachine in 2015, maakt niet dat de melkproductie van na 2015 voor appellante pas representatief is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit juist bevestigt dat de melkproductie van 2015 wel representatief is voor appellante.

Beoordeling

6.1

Zoals het College eerder heeft overwogen moet het bij de melkproductie in de toepassing van de knelgevallenregeling gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden (zie de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248). In veel gevallen betreft dit de periode, bij voorkeur dus een jaar, voorafgaand aan de bijzondere omstandigheid. Zoals volgt uit de uitspraak van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:355) verzet de wet zich er echter niet tegen dat wordt gerekend met de gemiddelde melkproductie van een jaar volgend op het jaar waarin zich de bijzondere omstandigheid heeft voorgedaan, mits die periode voldoet aan de hierboven aangehaalde eisen. De bewijslast om aan te tonen dat de 5%-drempel wordt gehaald ligt bij appellante (vergelijk de uitspraak van het College van 25 juni 2019, ECLI:NLCBB:2019:246).

6.2

Appellante heeft dierenartsenverklaringen overgelegd waaruit blijkt dat in de periode januari 2015- juni 2016 sprake was van mastitis. Om voor de representatieve melkproductie uit te gaan van het jaar 2017, ziet het College geen aanleiding aangezien die periode niet aansluit op de bijzondere omstandigheden. De stelling van appellante dat in de tweede helft van het jaar 2016 sprake was van nasleep van de mastitis (en, zo begrijpt het College, in die zin 2017 dus aansluit bij de bijzondere omstandigheden), is niet nader onderbouwd. Hieruit volgt dat het jaar 2014, zijnde het jaar voorafgaand aan de bijzondere omstandigheden, de aangewezen periode is op basis waarvan de representatieve melkproductie moet worden bepaald. De gemiddelde melkproductie in 2014 is echter lager dan in 2015. Voor een correctie van de gemiddelde melkproductie 2014 met weggegooide melk in dat jaar, zoals appellante wenst, heeft appellante onvoldoende gegevens verschaft. Een zelf opgesteld overzicht van weggegooide melk is niet toereikend. Ter zitting heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de diergezondheidsproblemen al spelen vanaf 1998. Anders dan appellante stelt, maakt dat deze problemen spelen vanaf 1998 juist dat de mastitis op het bedrijf geen bijzondere omstandigheid is, maar voor appellante behoort tot de reguliere bedrijfsvoering. De melkproductie in die periode is dan ook de voor het bedrijf van appellante representatieve melkproductie. In dat geval bestaat evenmin aanleiding om uit te gaan van de melkproductie in een andere periode dan het jaar 2015. Verweerder is dus terecht van de melkproductie uit 2015 uitgegaan. De beroepsgrond faalt.

6.3

Met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM, overweegt het College dat in zaken als in dit geding aan de orde als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar (redelijke termijn). Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. De toe te kennen schadevergoeding bedraagt € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

6.4

Het bezwaarschrift is op 14 februari 2018 door verweerder ontvangen. Op de datum van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim 11 maanden overschreden. Appellante heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. Omdat de overschrijding zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zal het College, nu de bezwaarprocedure langer dan zes maanden, te weten bijna 8 maanden, heeft geduurd en de beroepsprocedure langer dan 18 maanden, te weten ruim 24 maanden, heeft geduurd, verweerder en de Staat naar evenredigheid veroordelen tot de door hen te vergoeden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berekening daarvan wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, waarbij, na afronding, 2 maanden van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van verweerder komt en het resterende deel, in dit geval negen maanden, voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 181,82,- (2/11e x € 1.000,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 818,18,- (9/11e x € 1.000,-) aan appellante.

Slotsom

7.1

Het College zal het beroep ongegrond verklaren. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in verband met de behandeling van het beroep.

7.2

Het College zal het verzoek om immateriële schadevergoeding toewijzen. Gelet hierop bestaat wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding. Het College zal verweerder en de Staat (elk voor de helft) veroordelen in die kosten, die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een immateriële schadevergoeding van € 181,82;

  • -

    veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een immateriële schadevergoeding van € 812,18;

  • -

    veroordeelt verweerder en de Staat, ieder voor de helft, in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van
mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.