Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:973

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/2162
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Geen individuele buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 18/2162

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen

maatschap [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. H. Sikkema),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: J. Blaauw).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (hierna tezamen en in enkelvoud: het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling
fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd van € 1.156,00 (periode 1), € 540,00 (periode 2), € 339,00 (periode 3), € 318,00 (periode 4) en € 2.880,00 (periode 5).

Bij besluit van 14 augustus 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020.
[naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft eveneens via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Verweerder heeft appellante over de perioden 1 tot en met 5 geldsommen opgelegd.
    Appellante is het daar niet mee eens en betoogt dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Het melkveebedrijf was oorspronkelijk in eigendom van de familie [naam 3] , maar vanwege gezondheidsproblemen van de heer [naam 3] zijn de heer en mevrouw [naam 4] in 2013 toegetreden tot de maatschap met als doel de uiteindelijke uittreding van de familie [naam 3] in 2017 of 2018. Appellante stelt dat zij voor de peildatum 2 juli 2015 forse investeringen heeft gedaan en daarmee gepaard gaande financieringsverplichtingen is aangegaan, dit met het oog op de voorgenomen groei van het bedrijf. Op 2 juli 2015 waren de beoogde dieraantallen nog niet bereikt en waren er nog maar 80 melkkoeien in plaats van de beoogde 100 stuks. Zij betoogt dat zij niet kon voorzien dat de door haar gewenste groei onmogelijk zou worden gemaakt en dat zij er – op basis van de haar verleende vergunningen – op mocht vertrouwen dat zij de beoogde dieraantallen kon gaan houden. Nu verweerder in het bestreden besluit onvoldoende op de door haar aangedragen omstandigheden is ingegaan en hiernaar ook geen onderzoek heeft gedaan, is volgens appellante sprake van een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.

2.1.

Zoals ter zitting met partijen is besproken, heeft het College al vaker overwogen dat het voor melkveehouders duidelijk kon zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat na afschaffing van de melkquota mogelijk toch weer andere maatregelen, ook productiebeperkende maatregelen, zouden volgen. Dat de precieze aard van die maatregelen nog niet bekend was, maakt dat niet anders. Het College is op basis hiervan in de uitspraak van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:419) tot het oordeel gekomen dat voor melkveehouders voorzienbaar was dat na het wegvallen van de melkquota de groei van de melkveestapel zou kunnen leiden tot de noodzaak andere maatregelen te treffen om de mestproductie te beperken. Voor zover de heer en mevrouw [naam 4] minder goed op de hoogte waren van de ontwikkelingen in de melkveehouderij omdat zij nieuw waren in de sector lag het op hun weg zich hierover te laten informeren.
Voor appellante betekent dit dat zij niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de in de Regeling neergelegde productiebeperkende maatregelen niet voorzienbaar waren.

2.2.

Ter zitting is ook besproken dat het College bij de beoordeling van het beroep over de fosfaatrechten heeft geoordeeld dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last (uitspraak van 7 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:232). Appellante heeft aangegeven geen verdere onderbouwing van haar betoog te hebben, maar wijst erop dat zij in het kader van de fosfaatreductie geldsommen heeft moeten betalen, hetgeen afwijkt van de praktijk bij fosfaatrechten. Ook heeft zij dieren moeten afvoeren en kosten moeten maken.
Het College heeft in voornoemde uitspraak gemotiveerd dat en waarom appellante zelf de risico’s draagt die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen. Daarbij heeft het College geoordeeld dat de omstandigheid dat het langer zal duren voordat [naam 4] in staat zal zijn [naam 3] uit te kopen evenmin tot het oordeel leidt dat sprake is van een buitensporige last. Het College ziet in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen reden om wat betreft de fosfaatreductie tot een ander oordeel te komen. Dat appellante geldsommen moest betalen maakt dit – reeds gezien de hoogte daarvan – niet anders. Voor zover appellante erop wijst dat zij heeft gereduceerd en daarvoor kosten heeft gemaakt, leidt dit evenmin tot een ander oordeel, omdat in wat zij naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen om aan te nemen dat de Regeling in zoverre een grotere impact heeft dan het fosfaatrechtenstelsel.
Omdat verweerder in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op wat appellante in bezwaar naar voren heeft gebracht, is er geen reden voor het oordeel dat dit besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende is gemotiveerd.

2.3.

De beroepsgrond slaagt niet. Dit betekent dat appellante geen gelijk krijgt.

3. Het beroep is ongegrond.
Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. van Altena, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
15 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.