Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:972

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/2153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Knelgevallenregeling. Dierziekte en bouwwerkzaamheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2153

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant

(gemachtigde: H.J.A.M. van Wijk),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant een heffing opgelegd van € 5.266,- voor periode 4.

Bij besluit van 16 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

  2. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Regeling kan de minister, indien de houder meldt en aantoont dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door werkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad of vernieling van melkveestallen, op verzoek van de houder het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

  3. Appellant exploiteert een melkveebedrijf. Hij heeft in 2013 het bedrijf van zijn moeder overgenomen en ontwikkelde toen plannen voor uitbreiding en verduurzaming van het bedrijf. De bedoeling was om met eigen aanwas door te groeien naar 120 melkkoeien en bijbehorend jongvee. Op 2 juli 2015 hield appellant 64 melkkoeien, 13 pinken en 25 kalveren. Op 14 april 2014 is aan appellant een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor het houden van 140 melkkoeien en 70 stuks jongvee. Op 9 juli 2014 is aan appellant een omgevingsvergunning verleend voor het aanbouwen van een ligboxenstal. De bouw van de stal was op 2 juli 2015 nog niet begonnen.

  4. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellant een hoge geldsom opgelegd, omdat het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf van appellant hoger is dan het doelstellingsaantal voor de betreffende periode.
    De knelgevallenregeling

  5. Appellant heeft op 29 maart 2017 verweerder verzocht om op grond van artikel 12, tweede lid, van de Regeling het referentieaantal voor zijn bedrijf te verhogen door uit te gaan van een vroegere peildatum die ligt voor het uitbreken van dierziekte op zijn bedrijf (de melding). Daarbij heeft hij vermeld dat zijn bedrijf op 18 juni 2014 is getroffen door een calamiteit. Als gevolg van verstikking door mestgassen zijn negen pinken ouder dan 1 jaar gestorven.

5.1.

Verweerder ziet geen aanleiding om het referentieaantal te verhogen, omdat het referentieaantal op de peildatum door de dierziekte niet minimaal 5% lager was. In verweer heeft verweerder uiteengezet dat het referentieaantal op de peildatum 2 juli 2015 76,64 GVE bedraagt. Op de door verweerder gehanteerde alternatieve datum 17 juni 2014, de dag voordat de bijzondere omstandigheid is ingetreden, bedraagt het aantal GVE 75,05. Hieruit volgt dat het referentieaantal GVE op de peildatum hoger is dan op de alternatieve peildatum. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 12, tweede lid, van de Regeling dat het referentieaantal minimaal 5% lager is dan in de situatie zonder dierziekte het geval zou zijn.
Anders dan appellant stelt, hoefde verweerder niet na te gaan wat de dieraantallen zouden zijn geweest als de bijzondere omstandigheid zich niet had voorgedaan. Het wetsartikel maakt het verhogen van het referentieaantal mogelijk door het vervroegen van het peilmoment. Zoals het College eerder heeft geoordeeld – onder meer in de uitspraken van ECLI:NL:CBB:2018:598 en ECLI:NL:CBB:2018:599 – biedt de knelgevallenregeling verweerder niet de mogelijkheid rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel. Dit betekent dat de door appellant gemelde bijzondere omstandigheid geen knelgeval is als bedoeld in artikel 12 van de Regeling.
In zijn beroepschrift heeft appellant gesteld dat naast dierziekte ook sprake is geweest van de bijzondere omstandigheid “verbouwing”. Appellant heeft deze bijzondere omstandigheid niet vóór 1 april 2017 als uiterste datum voor melding van een knelgeval binnen de Regeling gemeld. Aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 12, derde lid, van de Regeling is daarom voor zover het gaat om de bouwwerkzaamheden niet voldaan. Bovendien waren de bouwwerkzaamheden op 2 juli 2015 nog niet begonnen, zodat ook deze omstandigheid niet kon leiden tot het aannemen van een knelgeval.
Het betoog slaagt niet.
De individuele en buitensporige last

6. Verder betoogt appellant dat de maatregelen op grond van de Regeling in strijd zijn met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP), omdat zij leiden tot een individuele en buitensporige last. Hij is namelijk vóór de peildatum onomkeerbare verplichtingen aangegaan. De Regeling heeft volgens appellant tot gevolg dat hij minimaal 20 melkkoeien en 20 stuks jongvee moet opruimen en dat hij ook het melkgeld van de melkkoeien mist. Daardoor kan hij zijn investeringen in de bouw van de stal niet (volledig) benutten.

6.1.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Regeling voor hem een individuele en buitensporige last vormt. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellant. Daarvoor is inzicht nodig in al zijn bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden (zie de uitspraak van het College van 21 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:281). Met de overgelegde stukken heeft appellant dat inzicht onvoldoende gegeven. Het financiële rapport dat in het kader van de fosfaatrechten is opgesteld, biedt geen inzicht in de gevolgen van de Regeling voor het bedrijf van appellant. Ook gelet op de hoogte van de heffing kan naar het oordeel van het College geen sprake zijn van een individuele en buitensporige last.

6.2.

Het College wijst erop dat in de fosfaatrechtenzaak van appellant tot eenzelfde oordeel is gekomen in de uitspraak van 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:569.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom

7. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen