Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:957

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/964
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Fosfaatrechten; overschrijding redelijke termijn; kostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/964

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante,

gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten,


en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het aantal fosfaatrechten vastgesteld.

Bij besluit van 17 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante ingediende bezwaar tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij besluit van 10 september 2020 (het herziene besluit) heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit herzien en het primaire besluit herroepen.

Bij brief van 22 september 2020 heeft appellante het College bericht het beroep naar aanleiding van het herziene besluit van verweerder in te trekken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bij brief van 2 oktober 2020 heeft verweerder toegezegd de proceskosten in beroep te vergoeden en zich voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn te conformeren aan het oordeel van het College.

Beide partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord, verklaard dat zij geen gebruik willen maken van dit recht, waarna het College het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. Bij het herziene besluit van 10 september 2020 is verweerder aan het bezwaar van appellante tegemoetgekomen en heeft verweerder de kosten van bezwaar vergoed. Naar aanleiding van dit herziene besluit heeft appellante het College bij brief van 22 september 2020 bericht dat zij het beroep intrekt met (i) het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten en (ii) het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.1

Over de gevraagde vergoeding van de proceskosten overweegt het College als volgt.

2.2

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.

2.3.

Het College stelt vast dat verweerder bij besluit van 10 september 2020 aan appellante tegemoet is gekomen. Gelet hierop, en op de toezegging van verweerder om de proceskosten in beroep te vergoeden, komt het verzoek van appellante om kostenveroordeling in beroep voor toewijzing in aanmerking en veroordeelt het College verweerder, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, in die kosten voor zover deze niet reeds door verweerder zijn voldaan. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten bedoeld in artikel 1, onder a, vastgesteld op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1,0). Verweerder heeft de in bezwaar gemaakte proceskosten reeds vergoed.

3.1

Over het verzoek om vergoeding van de immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt.

3.2

Op grond van artikel 6 van het EVRM geldt een redelijke termijn voor definitieve afdoening van geschillen in bestuursrechtelijke procedures. Als vast uitgangspunt voor de redelijke termijn wordt genomen dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van de bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

3.3

De periode van de intrekking van het beroep tot de datum waarop een proceskostenveroordeling en een veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade wordt uitgesproken, moet niet worden meegeteld in de vaststelling van de lengte van de procedure. Door het intrekken van het beroep is immers het materiële geschil beëindigd, waarmee kan worden gezegd dat niet langer sprake is van spanning en frustratie.

3.4

In deze zaak heeft verweerder op 8 februari 2018 het bezwaarschrift ontvangen. Op 22 september 2020 is de beroepsprocedure geëindigd met de intrekking van het beroep. De bezwaar- en beroepsfase hebben (afgerond) tezamen twee jaar en zeven maanden geduurd. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat deze termijnoverschrijding langer is dan een half jaar, maar niet langer dan één jaar. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan verweerder, omdat de behandeling van het bezwaar langer dan een half jaar, maar niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd (en de beroepsprocedure niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd). Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 1000,00 aan appellante als vergoeding voor immateriële schade.

3.5

Het College kent appellante voorts een proceskostenvergoeding van € 262,50 toe voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten laste van verweerder. Daarbij is uitgegaan van 1 punt tegen een waarde van € 525,00 per punt en een wegingsfactor 0,5.

4. Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 345,00 te vergoeden voor verweerder rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College:

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 525,00;

  • -

    veroordeelt verweerder om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1000,00 te betalen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van

E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

mr. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel