Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:951

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/1093
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Betrokkene is accountant en advocaat. Klacht heeft betrekking op gedragingen verricht door accountant in zijn rol als raadsman van de zus van appellant bij de afwikkeling van het testament van hun vader. Bijzondere positie van accountant/advocaat in zijn rol als behartiger van de belangen van zijn cliënt. Tuchtrechtelijk verwijt niet aannemelijk gemaakt. Hoger beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1093

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 december 2020 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [plaats 1] , appellant, en

[naam 2] B.V., te [plaats 2] , appellante
(gemachtigde: P.T. Stoele),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 juni 2019, gegeven op een klacht, door appellanten ingediend tegen [naam 3] AA (betrokkene).


Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 juni 2019, met nummer 18/1236 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2019:42).

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2020. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Betrokkene is verschenen.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene is sinds 17 mei 2013 ingeschreven als accountant-administratie-consulent in het register van (thans) de Nba.

1.3

Appellant en zijn zus zijn elk voor 50% houder van de (gewone) aandelen in [naam 2] B.V. ( [naam 2] ). In 2017 is hun vader overleden. De vader heeft in zijn testament, als sublegaat ten laste van de zus, al haar (certificaten van) aandelen in [naam 2] aan appellant gelegateerd, met de bepaling dat deze dienen te worden afgegeven tegen de waarde in het economisch verkeer, dat levering daarvan dient plaats te vinden uiterlijk binnen zes maanden na zijn overlijden dan wel, als die termijn korter is, binnen twee maanden na vaststelling van de waarde. Genoemd testament heeft tot diverse gerechtelijke procedures tussen appellant en zijn zus geleid, onder meer over de waarde van het aandelenpakket en de termijn waarbinnen moet worden geleverd.

1.4

Betrokkene was voorheen accountant van de [naam 4] . Inmiddels treedt betrokkene, die ook advocaat is, op als raadsman van de zus van appellant (de zus). Hij vertegenwoordigt haar in de gerechtelijke procedures tussen haar en appellant. Ook heeft hij haar terzijde gestaan in de klachtprocedure tegen de accountant die op verzoek van appellant een rapport heeft uitgebracht over de waardering van het aandelenpakket in kwestie, [naam 5] RA ( [naam 5] ).

Uitspraak van de accountantskamer

2.1

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden houdt de volgende verwijten in:

a. Betrokkene heeft op oneigenlijke wijze financiële en andere informatie betreffende [naam 2] in handen gekregen en gebruikt deze, wetende dat deze onrechtmatig zijn verkregen, in de diverse procedures;

b. De werkwijze van betrokkene als raadsman van de zus van appellant, waarbij hij onder meer een tuchtprocedure is begonnen tegen de door appellant persoonlijk ingeschakelde accountant, verhindert een vlotte en harmonieuze uitvoering van de laatste wil van de vader van appellant en leidt tot verstoring van de familieverhoudingen.

2.2

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Appellanten hebben in de eerste plaats aangevoerd dat betrokkene, hoewel voorheen accountant van de [naam 4] , vanaf medio december 2017 uitsluitend de belangen van de zus is gaan behartigen waarbij hij kennelijk geen oog heeft gehad voor de bedreiging voor de door hem als accountant in acht te nemen beginselen. Volgens appellanten moet de accountantskamer hebben gezien dat betrokkene contrair de hem bekende regeling in het testament heeft geadviseerd. Appellanten betogen dat in de uitspraak van de accountantskamer niets zichtbaar terug komt van hetgeen de accountantskamer zich gerealiseerd moet hebben bij de vaststelling van de positie van betrokkene.

3.2

Het College overweegt dat nu de klacht van appellanten geen betrekking had op de omstandigheid dat betrokkene als belangenbehartiger (en later als raadsman) van de zus is opgetreden en op dit punt ook geen grief is geformuleerd, in de onderhavige procedure niet aan de orde is in hoeverre het niet gewenst of passend zou zijn dat betrokkene vanaf medio december 2017 de belangen van de zus is gaan behartigen. Voor zover appellanten hebben bedoeld om dit punt als verwijt alsnog in hoger beroep aan de orde te stellen, geldt dat volgens vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0165) een uitbreiding van de klacht in hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer niet mogelijk is. Appellanten hebben ter zitting verklaard dat al hetgeen in het hoger beroepschrift is aangevoerd dient ter ondersteuning van de klacht zoals ingediend bij de accountantskamer. Het College zal hetgeen appellanten in de eerste plaats hebben aangevoerd dan ook betrekken bij het oordeel over het verwijt over de werkwijze van betrokkene, meer in het bijzonder het verwijt dat betrokkene niet zo had mogen adviseren als hij heeft gedaan.

4. Een accountant dient zich, ook als hij optreedt in de hoedanigheid van advocaat, te houden aan de in artikel 2 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) genoemde fundamentele beginselen. Zoals volgt uit de uitspraak van het College van 26 juni 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:293) komt een accountant bij het innemen van civielrechtelijke standpunten in de hoedanigheid van advocaat ruimte toe in het presenteren van (feitelijke) stellingen en daarop gebaseerde argumenten, maar die ruimte is niet onbegrensd. De grens wordt, zoals het College in de voorgenoemde uitspraak heeft overwogen, in ieder geval overschreden als de accountant feitelijke gegevens presenteert of zaken voorstelt waarvan hij weet of behoort te weten dat deze onjuist zijn. Uit de uitspraak van het College van 18 september 2018 (ECLI:CBB:NL:2018:497) volgt, zoals appellanten naar het College begrijpt ook betogen, dat de ruimte die een accountant heeft, gezien zijn bijzondere positie, bij het innemen van een civielrechtelijk standpunt, niet afdoet aan de waarheidsplicht waartoe de accountant is gehouden. Appellanten hebben aangevoerd dat in de bestreden uitspraak niet voldoende zichtbaar terugkomt dat de accountantskamer deze norm heeft gehanteerd. Voor zover appellanten hiermee bedoelen te betogen dat de accountantskamer in haar uitspraak een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, wordt dit door het College niet gevolgd. Overweging 4.9 van de uitspraak van de accountantskamer biedt hiervoor geen aanknopingspunten.

5.1

Appellanten voeren aan dat de accountantskamer klachtonderdeel a waarin betrokkene wordt tegengeworpen dat hij op oneigenlijke wijze informatie over [naam 2] in bezit heeft gekregen en deze in gerechtelijke procedures gebruikt, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De accountantskamer heeft in 4.7 van de bestreden uitspraak, waarin appellanten zijn aangeduid als ‘klagers’, overwogen dat “klagers […] niet [hebben] weersproken dat op het moment dat betrokkene de stukken van de zus van klager ontving, zij niet alleen nog in dienst was van [naam 6] B.V., welke vennootschap behoorde tot de [naam 4] , maar bovendien 50% van de aandelen in [naam 2] B.V. hield. Betrokkene hoefde dan ook niet zonder meer te weten of te vermoeden dat zijn cliënte mogelijk niet rechtmatig over de stukken in kwestie kon beschikken en klagers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van omstandigheden waardoor betrokkene wel aanleiding had moeten zien de herkomst van de stukken nader te onderzoeken.”

5.2

Appellanten stellen dat de zus, hoewel formeel in dienst van [naam 6] B.V., de facto niet op het bedrijf werkzaam was en geen toegang had tot de systemen of het archief van de [naam 4] . Naar het oordeel van het College doet deze, overigens niet onderbouwde, stelling niet af aan voornoemde overweging van de accountantskamer die het College onderschrijft. Appellanten hebben niet weersproken dat de zus uit hoofde van haar aandeelhouderschap over de stukken in kwestie kon of mocht beschikken. Appellanten hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat betrokkene wist of had moeten weten dat de zus mogelijk geen toegang had tot de systemen of het archief van de [naam 4] .

5.3

Deze grief faalt.

6.1

Appellanten betogen dat de accountantskamer klachtonderdeel b inzake de rol van betrokkene ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Appellanten noemen in dit verband dat betrokkene vanaf het begin van zijn betrokkenheid als raadsman van de zus van appellant op contraproductieve wijze is gaan adviseren. Voorts is betrokkene een onzinnige klachtprocedure gestart tegen de door appellant ingeschakelde accountant [naam 5] nadat betrokkene de door [naam 5] aan appellant uitgebrachte indicatieve aandelenwaardering in handen kreeg, overigens zonder [naam 5] eerst de gelegenheid voor een reactie te geven. Appellanten stellen dat betrokkene als (voormalig) accountant van de [naam 4] op hoogte was van de pensioenregeling en de gebreken ervan die voor de Belastingdienst aanleiding waren om de pensioenregeling als onzuiver aan te merken. Appellanten betogen dat de constatering van de accountantskamer dat de conclusies van [naam 5] ten aanzien van de pensioenverplichtingen gebrekkig zijn onderbouwd, niet de impliciete conclusie van betrokkene rechtvaardigt dat er niets mis zou zijn met de pensioenregeling. Volgens appellanten heeft de accountantskamer ten onrechte geconcludeerd dat betrokkene de rechter in de civiele procedure niet zou hebben misleid.

6.2

De accountantskamer heeft in 4.10 van de bestreden uitspraak geoordeeld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat betrokkene zich in zijn hoedanigheid van advocaat van de zus schuldig heeft gemaakt aan het bewust innemen van onjuiste of misleidende standpunten en (daarmee) de voortgang in de gesprekken tussen appellant en diens zus (bewust) heeft vertraagd. De accountantskamer heeft overwogen dat de omstandigheid dat betrokkene in het geschil tussen appellant en diens zus tweemaal een voorstel heeft gedaan om de aandelen tegen een bepaald bedrag over te nemen niet als zodanig kan worden opgevat omdat het betrokkene vrij stond een dergelijk voorstel te doen bij wijze van de start van de onderhandelingen tussen partijen. Appellanten konden het aanbod weigeren, wat zij ook hebben gedaan. De accountantskamer heeft de stelling van appellanten dat betrokkene de rechter heeft misleid door te stellen dat [naam 5] de pensioenverplichtingen ten onrechte in aanmerking heeft genomen, niet gevolgd. De accountantskamer heeft daarbij overwogen dat uit de uitspraak van de accountantskamer van 14 december 2018 blijkt dat de conclusies van [naam 5] ten aanzien van de pensioenverplichtingen gebrekkig zijn onderbouwd en dat dit voor de zus van appellant een belangrijke vaststelling is, omdat de werkzaamheden van de betrokken accountant zagen op de waardering van de aandelen en in zoverre uiterst relevant zijn bij de afwikkeling van de erfenis.

6.3

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer klachtonderdeel b dat ziet op de rol en de manier van optreden van betrokkene bij de afwikkeling van het testament van de vader van appellant terecht ongegrond verklaard. In hetgeen appellanten tegen de uitspraak van de accountantskamer hebben aangevoerd ziet het College - tegen de achtergrond van de bijzondere rol van betrokkene als raadsman van de zus van appellant - geen grond voor het oordeel dat betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt treft. Het College onderschrijft overweging 4.10 van de accountantskamer. Het College voegt daaraan in reactie op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd nog het volgende toe. Daargelaten of het ‘niet respecteren van de stand van zaken tussen broer en zus’ door betrokkene een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging oplevert, hebben appellanten geen feiten en of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat er tussen broer en zus bepaalde afspraken waren gemaakt waaraan de zus zich had gecommitteerd en dat deze door betrokkene – op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze – ter zijde zijn geschoven. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat betrokkene door het indienen van de klacht tegen [naam 5] op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van het klachtrecht en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de uitspraak van het College van 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:620) volgt dat het oordeel van de accountantskamer, dat in het rapport van [naam 5] de grondslag voor zijn conclusies ten aanzien van de pensioenregeling, de fiscale claim en de dotatie ontbreekt, in rechte stand houdt. De omvang van de pensioenverplichtingen was van invloed op de vaststelling van de waarde van de aandelen die de zus aan appellant diende af te geven tegen de waarde in het economisch verkeer. Het College is, gelet op het voorgaande, evenals de accountantskamer van oordeel dat de stelling van appellanten dat betrokkene de rechter heeft misleid door te stellen dat [naam 5] de pensioenverplichtingen ten onrechte in aanmerking heeft genomen, geen doel treft.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

w.g. M.M. Smorenburg De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen