Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:950

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Geen geslaagd beroep op artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit. Bij de toepassing van de knelgevallenregeling wordt geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum.

Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen niet navolgbaar. Het College acht het aannemelijk dat de uitbreidingsplannen van appellante zijn uitgesteld doordat langdurig overleg met de provincie heeft plaatsgevonden over een eventuele bedrijfsverplaatsing vanwege de natuurontwikkelingsplannen, zodat appellante op 2 juli 2015 nog niet het met de uitbreiding beoogde aantal melkvee hield. Die omstandigheid maakt echter niet dat appellante daardoor een individuele en buitensporige last draagt. Dat, zoals appellante heeft gesteld, de bedrijfsvoering in het teken stond van duurzaam ondernemen en dat het plan bestond om na de uitbreiding met mono-mestvergisters in samenwerking met andere boeren biogas te produceren en dat in verband daarmee ook door verweerder subsidies en belastingfaciliteiten zijn verleend maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat appellante twee jaar na het verlenen van de IDS-subsidie op 30 december 2014 tot realisering diende over te gaan doet daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/404

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

[naam 1] Landbouwbedrijf B.V., te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J.J. Paalman),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Op 28 maart 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellante ontvangen.

Bij besluit van 7 september 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld.

Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het door appellante ingediende verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Msw (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, indien op een bedrijf op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee werd gehouden of over minder fosfaatruimte werd beschikt door de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur, op verzoek van de landbouwer het fosfaatrecht dat uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de wet, wordt vastgesteld. Ingevolge het tweede lid bedraagt de verhoging het aantal kilogrammen fosfaat waarvan de landbouwer aannemelijk heeft gemaakt dat deze zonder de in het eerste lid omschreven omstandigheden in de vaststelling van het fosfaatrecht zouden zijn betrokken. Deze verhoging vindt niet plaats indien deze kleiner is dan 5 procent van het fosfaatrecht dat wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de Msw.

1.3

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

consumptie of verwerking.

Feiten

2.1

Appellante exploiteert een melkveehouderij aan de [adres 1] in [plaats] . De bedrijfsgebouwen en het grootste deel van de landbouwgronden zijn gelegen binnen de begrenzingen van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). Op 1 april 2012 hield appellante 208 melk- en kalfkoeien en 102 stuks jongvee. Op 1 april 2013 hield appellante 203 melk- en kalfkoeien en 108 stuks jongvee. Op 1 april 2014 hield appellante 207 melk- en kalfkoeien en 96 stuks jongvee.

2.2

Op 28 juli 2014 is appellante een omgevingsvergunning verleend voor het houden van 398 melk- en kalfkoeien en 132 stuks jongvee. Op 15 februari 2013 is aan appellante een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw-vergunning) verleend voor het houden van 385 melkkoeien en 100 stuks jongvee Op 26 juli 2013 is aan appellante een Nbw-vergunning verleend voor 398 melk- en kalfkoeien en 132 stuks jongvee. Appellante heeft vanwege de mogelijke verplaatsing van het bedrijf naar de [adres 2] , voor die locatie op 28 juli 2015 een Nbw-vergunning aangevraagd voor het houden van 398 melk- en kalfkoeien en 270 stuks jongvee. Op 6 juni 2016 is deze vergunning verleend.

2.3

Op 2 juli 2015 waren er 214 melk- en kalfkoeien en 79 stuks jongvee op het bedrijf van appellante aanwezig.

Besluiten van verweerder

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 9.069 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Omdat appellante voor 1 januari 2018 een (deel) van een beëindigd bedrijf heet overgenomen heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht vastgesteld op 11.699 kg. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het beroep op de knelgevallenregeling en op artikel 1 van het EP afgewezen en het primaire besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4.1

Appellante voert aan dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. Appellante is in 2010 voor het eerst door het college van Gedeputeerde Staten (GS) van Overijssel benaderd. Bij brief van 30 maart 2010 heeft het college van GS aan appellante kenbaar gemaakt dat zij meer gericht wil werken aan de realisering van natuur op de gronden van appellante binnen het totaal van de ESH. Vanaf 2013 tot in 2016 heeft overleg plaatsgevonden over een mogelijke verplaatsing naar een nieuwe locatie aan de [adres 2] door middel van een kavelruil. In de loop van 2016 is de provincie van gedachten veranderd en heeft zich op het standpunt gesteld dat nader onderzoek nodig is. In de periode 2013/2014 had appellante ook uitbreidingsplannen. Zij wilde door verbouwing/uitbreiding van de ligboxenstal het aantal koeien op korte termijn verdubbelen naar 398 melkkoeien. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat appellante noch heeft gesteld, noch aannemelijk heeft gemaakt, dat het aantal toegekende fosfaatrechten op basis van het gehouden stuks melkvee op 2 juli 2015, minimaal 5% lager is door de bijzondere omstandigheid. Zonder de bijzondere omstandigheid zou appellante ongeveer het dubbele aantal melk- en kalfkoeien zou hebben gehouden. Daarmee wordt de 5%-drempel ruimschoots gehaald.

4.2

Verder beroept appellante zich op artikel 1 van het EP. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) betoogt appellante dat verweerder ten onrechte haar beroep op artikel 1 EP niet heeft gehonoreerd. In het geval van appellante is sprake van een zeer zware financiële last. Appellante heeft een disproportionaliteitsrapport overgelegd waaruit blijkt dat het fosfaatrechtenstelsel de bedrijfscontinuïteit van appellante in gevaar brengt. Als geen sprake zou zijn geweest van een provinciale tournure zou appellante de beoogde uitbreiding naar 398 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee voor 2 juli 2015 hebben gerealiseerd. Er lag immers een concreet uitbreidingsplan. Appellante voert aan dat zij ruimschoots voor 2 juli 2015 al in het bezit was van de voor de uitbreiding benodigde vergunningen en dat haar op 28 augustus 2014 een subsidie voor investeringen in Integraal Duurzame Stallen (IDS) is verleend omdat appellante bij de uitbreiding wat dierenwelzijn betreft verder wilde gaan de gangbare norm. In het kader van de concrete realisering van deze uitbreiding en de daarbij gebruikte milieuvriendelijke technieken is ook nog een beroep gedaan op de Milieu-investeringsaftrek en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen. Dat beroep is gehonoreerd. Het is volgens appellante bovendien aannemelijk dat de stalruimte voor 2 juli 2015 vol zou hebben gestaan. De bedrijfsvoering van appellante is immers sinds jaar en dag niet gericht op aanwas met opfok van eigen jongvee, maar op aankoop van melkvee van andere melkveehouders. In dezelfde periode bestond het voornemen om met een aantal boeren en Cogas met zogenaamde mono-mestvergisters biogas te produceren. In de beoogde opzet werd uitgegaan van een melkkoeienbestand van ongeveer 400 melkkoeien. Daarvoor zijn subsidies verleend door RVO. Vanwege het feit dat de provincie niet meer uitging van verplaatsing van het bedrijf heeft appellante de vergunde uitbreiding van de ligboxenstal ten behoeve van de verdubbeling van het aantal melkkoeien op de bestaande bedrijfslocatie alsnog gerealiseerd conform de verleende IDS-subsidie. Dat is nog voor het einde van 2016 gebeurd. Het kan appellante niet worden tegengeworpen dat bij een beslissing om te investeren na 2 juli 2015 in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van schending van artikel 1 van het EP. De beslissing om te investeren is ruimschoots voor 2 juli 2015 genomen, maar niet uitgevoerd vanwege de door de provincie in het vooruitzicht gestelde bedrijfsverplaatsing. Bovendien zijn er van overheidswege meerder subsidie- en belastingfaciliteiten verleend voor de uitbreidings- en ontwikkelingsplannen van [naam 1] , ook ten behoeve van het mestvergistingsproject die uitgaan van een aantal melkkoeien van ongeveer 400 stuks. Ook zal bij handhaving van het aantal toegekende fosfaatrechten het mestvergistingsproject tot mislukken zijn gedoemd.

4.3

Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft appellante in haar aanvullend beroepschrift verzocht om het vaststellen van een immateriële schadevergoeding.

Standpunt van verweerder

5.1

Volgens verweerder is niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit. Niet in geschil is dat de ontwikkeling van EHS/Natura 2000 op zich een bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 72a van het Uitvoeringbesluit. Appellante voldoet niet aan de 5%-drempel. Er is geen sprake van het teruglopen van het aantal dieren door de eventueel voorgenomen verplaatsing van het bedrijf. Gesteld nog gebleken is dat er op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee werd gehouden of over minder fosfaatruimte werd beschikt als gevolg van de bijzondere omstandigheid. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de rechtspraak van het College op het standpunt dat met niet-gerealiseerde uitbreidingen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de knelgevallenregeling.

5.2

Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. De bewijslast hiertoe rust op appellante. De bijzondere omstandigheid, die niet tot een geslaagd beroep op de knelgevallenregeling leidt, is onvoldoende om een individuele buitensporige last aan te nemen. In de situatie van appellante is sprake van een forse uitbreiding van het bedrijf, wat door meer melkveehouders is gedaan. Hiermee is het bedrijf van appellante niet individueel afwijkend van andere bedrijven die in het zicht van het aflopen van het melkquotum per april 2015 zijn gaan uitbreiden. Verder heeft appellante niet aangetoond dat de beoogde uitbreiding bedrijfseconomisch noodzakelijk was. Appellante heeft na de peildatum van 2 juli 2015 – toen voor haar duidelijk werd dat de koers van de bedrijfsverplaatsing wijzigde – de beoogde uitbreiding voortvarend gerealiseerd. Verweerder benadrukt dat dat het fosfaatrechtenstelsel kenbaar was op het moment dat appellante met haar uitbreidingsplannen begon. Appellante heeft verder geenszins heeft aangetoond dat zij door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last draagt. Er zijn geen individuele omstandigheden die die buiten de invloedsfeer van appellante liggen die er voor hebben gezorgd dat er mogelijk een financiële last is ontstaan. Daarbij komt dat bovendien niet is gebleken dat appellante voor 2 juli 2015 onomkeerbare financieringsverplichtingen is aangegaan. Tot slot voert verweerder aan dat appellante voor de ingezette groei voor de peildatum van 2 juli 2015 fosfaatrechten toegekend heeft gekregen.

Beoordeling

Artikel 72a Uitvoeringsbesluit

6.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de ontwikkeling van EHS op zich zelf een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit is.

6.2

Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum.

Artikel 1 van het EP

7.1

Het betoog van appellante dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

7.2

Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

7.2.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

7.2.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

7.2.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat verder voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

7.2.4

Over de betekenis van financiële rapportages als bewijsmiddel, heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 (hiervoor aangehaald, onder 6.13) overwogen dat hij daaraan slechts beperkte waarde toekent. Dat een rapportage aangeeft dat bedrijfscontinuering met het vastgestelde aantal fosfaatrechten niet realistisch is, laat met name zien dat de last substantieel is en vormt verder een factor van belang in de uiteindelijke beoordeling of er goede redenen zijn om de belangen van de melkveehouder zwaarder te laten wegen dan de belangen die gediend zijn met het fosfaatrechtenstelsel, maar betekent op zich zelf genomen niet dat de last ook individueel en buitensporig is. Omgekeerd is het ook niet zo dat een dergelijke last slechts wordt aangenomen indien de bedrijfscontinuïteit op het spel staat. Ten aanzien van de scenariovergelijkingen heeft het College in de uitspraak van 25 februari 2020 overwogen dat slechts het scenario dat de ontwikkeling van het bedrijf schetst op basis van het vastgestelde fosfaatrecht aansluit bij de bepaling van de last zoals hiervoor onder 7.2.2 weergegeven en biedt in zoverre enig inzicht in wat de financiële gevolgen zijn van het fosfaatrechtenstelsel voor de melkveehouder. In dit geval is in het rapport van Mazars TKH N.V. van 19 november 2018 dat door appellante is overgelegd echter uitgegaan van een vastgesteld fosfaatrecht van 9.069 kg terwijl 11.699 kg fosfaatrecht is toegekend zodat daaraan geen waarde kan worden toegekend.

7.2.5

In het geval van appellante komt de vergelijking die in 7.2.2 is beschreven, neer op het verschil tussen fosfaatrechten voor 398 melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee (zijnde de beoogde bedrijfsvoering aan de hand van de vergunde situatie en stalcapaciteit) en de vastgestelde 11.699 kg fosfaatrecht, zijnde de situatie op 2 juli 2015 (214 melk- en kalfkoeien en 79 stuks jongvee). Het College wil wel aannemen dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 7.2.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van een door haar genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen.

7.2.6

In dat verband is van belang dat appellante pas na de peildatum, in 2016, de vergunde uitbreiding van de ligboxenstal ten behoeve van de verdubbeling van het melkveebestand heeft gerealiseerd. Gezien het tijdstip waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen acht het College die beslissingen niet navolgbaar. Het College acht het aannemelijk dat de uitbreidingsplannen van appellante zijn uitgesteld doordat langdurig overleg met de provincie heeft plaatsgevonden over een eventuele bedrijfsverplaatsing vanwege de natuurontwikkelingsplannen, zodat appellante op 2 juli 2015 nog niet het met de uitbreiding beoogde aantal melkvee hield. Die omstandigheid maakt echter niet dat appellante daardoor een individuele en buitensporige last draagt. Bij haar beslissing om te investeren ná 2 juli 2015, de datum waarop bekend werd dat het fosfaatrechtenstelsel zou worden ingevoerd, moest appellante ermee rekening houden dat het fosfaatrechtenstelsel voorbij gaat aan op 2 juli 2015 onbenutte productieruimte. Het College heeft voor die gevallen geoordeeld dat in beginsel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat sprake is van een schending van artikel 1 van het EP (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.3.2, 6 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:330, onder 5.3 en 17 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:435, onder 5.5). Dat geldt ook wanneer dat voor de melkveehouder aanzienlijke financiële consequenties heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 september 2019, ECLI:NL:CBB:2019:413, onder 4.3.1). Dat, zoals appellante heeft gesteld, de bedrijfsvoering in het teken stond van duurzaam ondernemen en dat het plan bestond om na de uitbreiding met mono-mestvergisters in samenwerking met andere boeren biogas te produceren en dat in verband daarmee ook door verweerder subsidies en belastingfaciliteiten zijn verleend maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat appellante twee jaar na het verlenen van de IDS-subsidie op 30 december 2014 tot realisering diende over te gaan doet daaraan niet af. Niet is gesteld of gebleken dat er voor appellante geen mogelijkheid bestond om van gebruikmaking van die subsidie af te zien. Verder is niet gebleken dat er sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding. Voor zover de beoogde uitbreiding wenselijk was in verband met de deelname van de dochters en neef van appellante aan het bedrijf is dat een ondernemerskeuze die voor rekening en risico van appellante dient te komen. Dat in het kader van het plan om biogas te produceren ingestoken was op een aantal van 400 melkkoeien maakt evenmin dat sprake was van een bedrijfseconomische noodzaak voor uitbreiding.

7.2.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn

8.1

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

8.2

De redelijke termijn is op 7 maart 2018 aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met (afgerond) 8 maanden overschreden. Appellante heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan hem is toe te rekenen. Volgens verweerder heeft er gedurende de bezwaarfase overleg plaatsgevonden over de hoorzitting. Appellante heeft daarbij te kennen gegeven dat zij nog uitstel nodig had omdat zij nog stukken wilde aanleveren. De stukken zijn na de beslisdatum aangeleverd met toestemming van verweerder en appellante. Het College begrijpt daaruit dat naar het oordeel van verweerder sprake is van bijzondere omstandigheden die een overschrijding van de behandelingsduur in bezwaar rechtvaardigden.

8.3

Het College stelt vast dat verweerder in een brief van 19 maart 2018 de beslistermijn met zes weken heeft verdaagd en dat hij in een brief van 5 juni 2018 de beslistermijn opnieuw met acht weken heeft verlengd en aan appellante heeft verzocht om binnen twee weken kenbaar te maken of zij gehoord wilde worden. Uit de zich in het dossier bevindende mailwisseling blijkt dat appellante in een emailbericht van 13 juni 2018 te kennen heeft gegeven dat zij een hoorzitting wenste. Zij heeft in hetzelfde mailbericht gevraagd om de hoorzitting uit te stellen in verband met het verzamelen van eventuele relevante documentatie. Op in een emailbericht van 14 juni 2018 heeft appellante vervolgens ingestemd met een verlenging van de beslistermijn indien het niet zou lukken om vóór het aflopen van de beslistermijn op 1 augustus 2018 met nadere informatie/documentatie te komen. Appellante heeft naar aanleiding van een verzoek daartoe van verweerder in een emailbericht van 1 november 2018 in een emailbericht van dezelfde datum gemeld dat zij nog steeds een hoorzitting wilde en dat zij binnen ongeveer 2 weken een financieel rapport zal sturen. Uiteindelijk heeft verweerder op 29 november 2018 het financieel rapport ontvangen.

8.4

Het College stelt vast dat verweerder in eerste instantie zelf de beslistermijn heeft opgeschort tot 1 augustus 2018. Dit betekent dat verweerder aan appellante in de periode van 1 augustus 2018 tot 29 november 2018 uitstel heeft verleend in verband met de aanlevering van nadere stukken, dat is 18 weken. Naar het oordeel van het College is dit uitstel in dit geval geen bijzondere omstandigheid die een overschrijding van de behandelingsduur in bezwaar rechtvaardigt. Ook indien dit uitstel van 18 weken op de totale behandelingsduur van het bezwaar in mindering wordt gebracht heeft verweerder immers de behandelingsduur van 6 maanden in bezwaar overschreden.

8.5

Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van vier maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- (4/8 x € 1000,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- (4/8 x € 1000,-) aan appellante.

Slotsom

9. Het beroep is ongegrond.

10. Het verzoek om schadevergoeding zal worden toegewezen. Aanleiding bestaat verweerder en de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zullen verweerder en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 500,- aan appellante wegens de geleden immateriële schade;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 500,- aan appellante wegens de geleden immateriële schade;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 131,25;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 131,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen