Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:941

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/405
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 23, derde lid en zesde lid, van de Msw. Artikel 1 van het EP. Artikel 28 van de Dienstenwet. Appellante komt niet in aanmerking voor de knelgevallenregeling, omdat zij op 2 juli 2015 of op enig moment daarvoor zelf geen melkkoeien hield. Met de dieraantallen die voorheen op het aangekochte melkveebedrijf aanwezig waren, kan bij de knelgevallenregeling geen rekening worden gehouden, omdat appellante geen houder was van deze dieren. Evenmin geeft de wet een aanknopingspunt voor het oordeel dat in het in artikel 23, vierde lid, van de Msw neergelegde uitgangspunt, ook van toepassing is op bedrijven die voor 2 juli 2015 zijn overgenomen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Zij heeft ervoor gekozen om het melkveebedrijf niet zelf te exploiteren maar te verpachten. Gedurende de verpachting komt appellante geen fosfaatrechten tekort en wordt zij niet onevenredig door het fosfaatrechtenstelsel getroffen. Voor zover de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel is gelegen in de omstandigheid dat appellante het melkveebedrijf in de toekomst niet zelf zal kunnen exploiteren vanwege het ontbreken van fosfaatrechten, is ook die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Verder is het College van oordeel dat het verzoek van appellante om fosfaatrechten vast te stellen geen vergunningsaanvraag in de zin van artikel 28 van de Dienstenwet is. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM wordt toegewezen.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] & [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. C.C. van Harten),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. van Gellekom),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Op 4 april 2017 heeft verweerder appellante een overzicht “gegevens voor fosfaatrechten” gestuurd.

Op 22 februari 2018 heeft appellante onder verwijzing naar het overzicht van 4 april 2017 opgemerkt dat voor appellante nog geen fosfaatrecht is vastgesteld, bezwaar gemaakt tegen de in het overzicht opgenomen referentiehoeveelheid dieren en verweerder verzocht de op haar bedrijf rustende hoeveelheid fosfaatrecht vast te stellen, overeenkomstig artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) en met inachtneming van haar bezwaar.

Bij besluit van 7 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en aan appellante medegedeeld dat het verzoek van appellante tot vaststellen van fosfaatrecht voor haar bedrijf doorgestuurd naar de afdeling Vergunning en Handhaving.

Op 11 juni 2018 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, vierde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer meldt en aantoont dat tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2018 een beëindigd bedrijf is overgenomen, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd met het fosfaatrecht dat voor dit beëindigde bedrijf bij continuering, krachtens het derde lid zou zijn vastgesteld.

1.3

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt, indien een landbouwer voor 1 april 2018, meldt en aantoont dat het krachtens het derde lid op het bedrijf rustende fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), door de minister het fosfaatrecht bepaald aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (knelgevallenregeling).

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellante is een maatschap en exploiteert een agrarische onderneming. Op 9 april 2015 heeft zij het melkveebedrijf van de broer van één van de maten gekocht zonder de op dat moment aanwezige koeien.

2.2

Voor het aanbouwen van een melkstal heeft appellante op 4 juni 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd en op 29 juni 2015 een opdrachtbevestiging van € 82.280,- ondertekend. Op 4 september 2015 is de omgevingsvergunning aan appellante verleend.

2.3

Op 25 augustus 2015 is de overdracht bij verweerder aangemeld met ingang van 25 juni 2015.

2.4

Op 2 juli 2015 hield appellante geen melk- en kalfkoeien of jongvee.

Besluiten van verweerder

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van appellante om de op haar bedrijf rustende hoeveelheid fosfaatrecht vast te stellen, afgewezen. Uit het identificatie- en registratiesysteem blijkt dat appellante op 2 juli 2015 geen dieren hield, wat ook door appellante is bevestigd. Verweerder kent daarom geen fosfaatrecht aan appellante toe. In 6.1 wordt uiteengezet hoe het een en ander procedureel is verlopen.

Beroepsgronden

4.1

Appellante doet een beroep op de knelgevallenregeling. Zij wenste de tweede bedrijfslocatie samen te voegen met het bedrijf dat zij reeds in maatschapsverband exploiteert. Daarvoor was een verbouwing van de melkstal noodzakelijk. Om de verbouwing te kunnen uitvoeren, dienden de stallen leeg te zijn en heeft appellante besloten om het melkvee, dat op de tweede bedrijfslocatie aanwezig was, niet over te nemen. Als gevolg hiervan had appellante op 2 juli 2015 op de tweede bedrijfslocatie (nog) geen melkvee. Gelet op de noodzakelijke bouwwerkzaamheden, is het niet juist om de bedrijfssituatie van 2 juli 2015 te vergelijken met de bedrijfssituatie direct voor aanvang van de bouwwerkzaamheden. Volgens appellante moet worden uitgegaan van de reguliere bedrijfssituatie vlak voor de bedrijfsovername. Zij noemt als alternatieve peildatum 31 december 2014 of de gemiddelde veebezetting van 2014. Verder kent de wet voor een bedrijfsoverdracht na 2 juli 2015 een specifieke regeling, waarin als uitgangspunt geldt dat alle rechten, referenties en aanspraken mee overgaan, tenzij anders is afgesproken. Dit uitgangspunt dient ook te gelden in de situatie van appellante. Dat sprake is van een bedrijfsoverdracht behoort geen verschil te maken in de beoordeling van de knelgevallenregeling. Het gaat immers om de voortgezette exploitatie van een melkveebedrijf. Voor zover appellante niet in aanmerking komt voor de knelgevallenregeling, is zij van mening dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zonder fosfaatrechten kan appellante de tweede bedrijfslocatie niet exploiteren en de aankoop van fosfaatrechten is onbetaalbaar.

4.2

Daarnaast voert appellante aan dat haar verzoek om toewijzing van fosfaatrechten van 22 februari 2018 een aanvraag van een vergunning is. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat nooit op dit verzoek is beslist. Daarom is op grond van artikel 28 van de Dienstenwet de gevraagde vergunning verleend. Gelet hierop dient aan appellante mimimaal 784 kg fosfaatrecht te worden toegekend, dan wel een ontheffing daarvoor. Zij verzoekt echter om een vaststelling van 4.870 kg fosfaatrecht dan wel een vrijstelling of ontheffing tot deze hoeveelheid.

4.3

Tot slot merkt appellante op dat zij is benadeeld door verweerder, nu zij eerst twee bezwaarprocedures heeft moeten voeren voordat het standpunt van verweerder duidelijk werd. Dit dient te worden meegewogen in de hoogte van de toe te kennen proceskosten. Tevens verzoek appellante om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder stelt dat het beroep van appellante op de knelgevallenregeling niet slaagt. Op de gewenste peildatum van 31 december 2014 had appellante geen zeggenschap over de tweede bedrijfslocatie, zodat het beroep op de knelgevallenregeling niet inhoudelijk kan worden getoetst. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van het College van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:104). Daarnaast hield appellante op 31 december 2014 geen melkvee, maar pluimvee en was op de datum dat de bouwwerkzaamheden zijn gestart - 16 juni 2015 - op de tweede bedrijfslocatie geen melkvee aanwezig, zodat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op de peildatum minimaal 5% lager is vastgesteld dan wanneer rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheid.

5.2

Verweerder betwist dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. De verbouwing van de melkveestal heeft ruim na het afschaffen van het melkquotum plaatsgevonden en is na 2 juli 2015 voltooid. Verweerder is daarom van mening dat appellante een groot risico heeft genomen door in weerwil van de voorzienbaarheid van de productiebeperkende maatregelen, het melkveebedrijf over te nemen en te verbouwen. Bovendien is de omgevingsvergunning voor de renovatie van de stal pas op 4 september 2015 verleend. Op 2 juli 2015 beschikte appellante dus nog niet over alle benodigde vergunningen, zodat zij met haar investeringen vooruit is gelopen op het verkrijgen van die vergunning. Gelet op het voorgaande is de beslissing van appellante om te investeren in een melkveebedrijf niet navolgbaar, aldus verweerder.

Beoordeling

6.1

Het College overweegt dat in dit geschil centraal staat het besluit van verweerder van 16 januari 2019 op het bezwaar van appellante van 11 juni 2018. Dit bezwaar is, onder meer, gericht tegen de mededeling van doorzending van het verzoek in het besluit van verweerder van 7 mei 2018. Het College begrijpt uit dat bezwaar dat appellante die mededeling heeft opgevat als een schriftelijke weigering in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om op de aanvraag te beslissen. Bij het besluit van 16 januari 2019 heeft verweerder een beslissing op de aanvraag genomen en het bezwaar ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar van 11 juni 2018 mede gericht was tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van 22 februari 2018 tegen het overzicht van 4 april 2017, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen, aangezien dat bezwaar met toepassing van artikel 6:15 Awb als beroep doorgezonden had moeten worden, hetgeen niet is gebeurd. Appellante is daardoor niet in haar belang getroffen, nu het besluit van 16 januari 2019 een inhoudelijke beslissing bevat op het verzoek van appellante tot het vaststellen van fosfaatrechten. Het besluit van 7 mei 2018 vat het College op als het primaire besluit op dat verzoek.

6.2

Het College is van oordeel dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling. Zoals het College in de uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) heeft bevestigd, moet bij een beoordeling van de knelgevallenregeling een vergelijking worden gemaakt tussen de bedrijfssituatie voor het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid, in dit geval de bouwwerkzaamheden, en de bedrijfssituatie op 2 juli 2015. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante zowel op 2 juli 2015 als gedurende de bouwwerkzaamheden geen melkvee hield, zodat de vastgestelde hoeveelheid fosfaatrecht niet minimaal 5% lager is als gevolg van de bijzondere omstandigheid. Anders dan appellante stelt, biedt de knelgevallenregeling geen ruimte om uit te gaan van de op het bedrijf aanwezige dieraantallen voorafgaande aan de bedrijfsoverdracht, oftewel de dieraantallen op de door haar gewenste alternatieve peildatum van 31 december 2014 (vergelijk de uitspraken van het College van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CBB:2019:488 en 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:570). Het fosfaatrecht wordt immers vastgesteld aan de hand van het melkvee dat op 2 juli 2015 op een bedrijf wordt gehouden en staat geregistreerd. Daarbij gaat het om het feitelijk houderschap, waarvan in het geval van appellante niet is gebleken. Evenmin geeft de wet een aanknopingspunt voor het oordeel dat het in artikel 23, vierde lid, van de Msw neergelegde uitgangspunt, ook van toepassing is op bedrijven die voor 2 juli 2015 zijn overgenomen.

6.3

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op haar. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.4.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder 6.8.2).

6.4.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.4.3

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorts voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.4.4

Zoals blijkt uit het document “Effect invoering stelsel fosfaatrechten”, opgesteld door J.P Smit, specialist ruimtelijke ordening en milieu bij Rombou en namens appellante ter zitting is bevestigd, is het gehele overgenomen melkveebedrijf vanaf mei 2015 verpacht aan een andere melkveehouder voor een periode van 10 jaar. Deze melkveehouder heeft, ten tijde van de aankoop van het melkveebedrijf door appellante, ook het melkvee gekocht dat niet door appellante is overgenomen. Op de peildatum hield deze melkveehouder de betreffende dieren. Niet betwist is dat de fosfaatrechten voor die dieren aan de melkveehouder zijn toegekend. Nu appellante ervoor heeft gekozen om het melkveebedrijf niet zelf te exploiteren maar te verpachten, komt appellante gedurende deze verpachting geen fosfaatrechten tekort en wordt zij niet onevenredig door het fosfaatrechtenstelsel getroffen.

6.4.5

Voor zover de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel is gelegen in de omstandigheid dat appellante het melkveebedrijf in de toekomst niet zelf zal kunnen exploiteren vanwege het ontbreken van fosfaatrechten, is ook die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Zoals onder 6.4.3 is overwogen, draagt appellante zelf de risico’s die zijn verbonden aan haar investeringsbeslissingen en kan zij de nadelige gevolgen van de door haar genomen beslissing om een melkveebedrijf te kopen en vervolgens te verpachten niet afwentelen op het collectief. Het College ziet in dit geval geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Gelet op het tijdstip waarop het melkveebedrijf is aangekocht (april 2015) en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College deze beslissing van appellante, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Dat appellante het melkveebedrijf in de familie wenste te houden, is een ondernemerskeuze en leidt niet tot een andere conclusie. Bovendien onderscheidt appellante zich in de wens om in de toekomst de exploitatie zelf ter hand te nemen niet van andere landbouwers die ook na 2 juli 2015 willen starten met een melkveehouderij. Het had voor melkveehouders al vanaf het moment dat bekend werd dat het melkquotum zou worden afgeschaft en bijgevolg een einde zou komen aan de begrenzing van mestproductie voor rundvee, redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat een ongeremde groei van de melkveehouderij niet mogelijk was en dat in verband met die afschaffing maatregelen te verwachten waren. Reeds in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Appellante had daarom ten tijde van de aankoop van het bedrijf een zekere mate van voorzichtigheid kunnen en moeten betrachten en zich moeten realiseren dat deze investering meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen.

6.5

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellante. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

7. Het standpunt van appellante dat, nu verweerder niet tijdig op haar verzoek om toewijzing van fosfaatrechten heeft beslist, aan haar ingevolge artikel 28 van de Dienstenwet een vergunning is verleend op grond waarvan de door haar verzochte hoeveelheid fosfaatrecht is vastgesteld, onderschrijft het College niet. Zoals het College in de uitspraak van 17 september 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:427) heeft geoordeeld zijn een melding buitengewone omstandigheden en een beroep op artikel 1 van het EP geen aanvragen van een vergunning in de zin van artikel 28 van de Dienstenwet. In die uitspraak overweegt het College dat het bij de toekenning van het fosfaatrecht gaat om de vaststelling van de uitgangspositie van melkveehouders op grond van de feitelijke omstandigheden (dieren, grond en eventuele buitengewone omstandigheden) op een bepaald moment in de tijd (de peildatum). Het verzoek van appellante om toewijzing van fosfaatrechten heeft eenzelfde karakter. Het College ziet dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel in het geval van een verzoek om toewijzing van fosfaatrechten. Hoewel op grond van artikel 28 van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is op een aanvraag voor een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, is deze wet ingevolge artikel 2, eerste lid, alleen van toepassing op de eisen en vergunningstelsels met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten die onder de reikwijdte van Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt (Dienstenrichtlijn) vallen. Het College heeft geen aanwijzingen dat het verzoek van appellante om de op haar bedrijf rustende hoeveelheid fosfaatrecht vast te stellen, is te kwalificeren als een eis in de zin van de Dienstenwet en de Dienstenrichtlijn, nu dat de toegang tot een dienstenactiviteit regelt noch daarop specifiek van invloed is. Een beslissing op het verzoek van appellante is dus geen beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienst in de zin van de Dienstenwet. Dit betekent dat zowel artikel 28 van de Dienstenwet en paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing.

8. Wat betreft het verzoek van appellante om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, overweegt het College als volgt. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 12 juni 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met ongeveer zes maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding toe te rekenen aan zowel verweerder als het College. De veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade moet daarom naar evenredigheid worden berekend. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – twee maanden – voor rekening van verweerder komt en het resterende deel – vier maanden – voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 166,67 (2/6 x € 500,-) aan appellante en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 333,33 (4/6 x € 500,-) aan appellante.

Slotsom

9.1

Het beroep is ongegrond.

9.2

Omdat sprake is van een geslaagd verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding de door appellante voor dit verzoek gemaakte proceskosten te vergoeden. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen, zullen verweerder en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van appellante worden veroordeeld.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 333,33;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 166,67;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 131,25;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 131,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. C.M.J. Rouwers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen