Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:934

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/1574 en 20/222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landbouwsubsidie. Vaststelling van de grootte van de percelen die voor subsidie in aanmerking komen. Het College overweegt dat uit de door verweerder ingediende foto’s noch uit de daarbij gegeven toelichting de conclusie kan worden getrokken dat het aandeel grassen en andere kruidachtige voedergewassen op een aantal percelen minder dan 50% is. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 19/1574 en 20/222

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaken tussen

[naam 1] B.V. te [plaats] , appellante

(gemachtigde: [naam 3] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluiten van 30 maart 2019 (het primaire besluit I), respectievelijk 22 november 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2018 en 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 2 oktober 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de twee bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft in het beroep tegen het bestreden besluit I een reactie op het verweerschrift in die zaak en foto’s van de percelen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante heeft ook [naam 2] deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

1. Het geschil over 2018 betreft de percelen 11, 19, 75, 93 en 149, het geschil over 2019 de percelen 91, 93, 100 en 111. Perceel 75 uit de gecombineerde opgave 2018 heeft het nummer 111 in de gecombineerde opgave 2019. Perceel 149 uit de gecombineerde opgave 2019 heeft nummer 100 in de gecombineerde opgave 2018. Ten aanzien van deze percelen is in geschil of verweerder deze percelen terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de vergroeningsbetaling.

De percelen 11, 19 en 75/111

2.1

Appellante voert aan dat deze percelen als extensief met zoogkoeien beweid grasland subsidiabel zijn. Het gebruik en de karakteristieken verschillen niet van de omliggende percelen die wel zijn goedgekeurd. De percelen 11 en 19 worden één keer per jaar gemaaid om hooi te oogsten en zijn in 2016 goedgekeurd na bezwaar. Ten aanzien de door verweerder afgewezen, door water omgeven strook van perceel 75, voert appellante aan dat deze wordt begraasd door koeien. Appellante verwijst in dit verband naar de door haar ingebrachte foto’s. De percelen zijn niet verruigd: er zijn weliswaar struiken en pitrus aanwezig op de percelen, maar de grassen en kruidachtige voedergewassen overheersen.

2.2

Uit de luchtfoto’s en het overige beeldmateriaal van deze percelen leidt verweerder af dat, gelet op de kleur en structuur en de aanwezige bosschages, de percelen verruigd en verstruikt zijn: niet de grassen of andere kruidachtige voedergewassen overheersen en het merendeel van de vegetatie bestaat uit struiken en pitrus. Uit de luchtfoto’s blijkt duidelijk van een verschil in kleur en structuur tussen deze percelen en de naastgelegen percelen 12 en 18. Ten aanzien van de door appellante ingebrachte foto’s stelt verweerder dat deze bewijskracht missen, omdat ze niet zijn gedateerd.

3.1

Uitbetaling van de basisbetaling en de vergroeningsbetaling is mogelijk voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013). Onder blijvend grasland wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013). Voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van Verordening 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013).

3.2

Uit de door verweerder overgelegde (en deels ter zitting vertoonde) luchtfoto’s valt voor het College niet af te leiden dat het aandeel grassen en andere kruidachtige voedergewassen op deze percelen minder dan 50% is. Dat betekent dat de bestreden besluiten in zoverre ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.

Het perceel 91

4.1

Perceel 91 is afgewezen omdat daarop volgens verweerder naar rato meer dan 50 bomen per hectare staan.

4.2

Uit artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 volgt dat een perceel met geïsoleerde bomen wordt aangemerkt als subsidiabel areaal als er landbouwactiviteiten kunnen worden verricht op een wijze die vergelijkbaar is met de landbouwactiviteiten op in hetzelfde gebied gelegen percelen zonder bomen, en het aantal bomen per hectare niet uitkomt boven een bepaalde maximumdichtheid. De maximumdichtheid wordt door de lidstaten gedefinieerd en gemeld op basis van traditionele teeltpraktijken, natuurlijke omstandigheden en milieuredenen. De maximumdichtheid mag niet meer bedragen dan 100 bomen per hectare. In artikel 2.2, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat de maximumdichtheid 50 bomen per hectare is.

4.3

Appellante heeft ter zitting erkend dat er naar rato meer dan 50 bomen per hectare op het perceel staan. Het College komt tot de conclusie dat verweerder dit perceel terecht niet in aanmerking heeft genomen en dat de daartegen gerichte beroepsgrond faalt.

De percelen 93 en 149/100

5. Deze percelen zijn afgewezen omdat het volgens verweerder gaat om bermen langs een weg. Appellante heeft ter zitting erkend dat de percelen langs een weg liggen (en niet langs een fietspad). Bermen zijn op grond van artikel 2.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling uitgesloten als subsidiabele landbouwgrond. Deze beroepsgrond faalt.

Slotsom

6. Het beroep is gegrond. Het College zal de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met de artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient binnen acht weken opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. [naam 3] is zelf (middellijk) belanghebbende en dus is geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

Beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het griffierecht van in totaal € 699,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.