Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:928

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/944
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij gezien zijn specifieke omstandigheden – voorkoming van een onteigeningsprocedure – weinig andere opties had dan een verplaatsing naar zijn huidige locatie. Voor de vraag of het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellant legt, onderscheidt het College de investeringen die gepaard gaan met zijn bedrijfsverplaatsing en de investeringen voor het uitbreiden van het bedrijf van 60 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee naar de beoogde situatie met 148 melk- en kalfkoeien en 100 stuks jongvee. De vraag is of, zoals appellant stelt, de gedwongen verplaatsing meebracht dat hij moest uitbreiden.

Niet is gebleken dat appellant over onvoldoende liquide middelen beschikte voor de verplaatsing van het bedrijf. Appellant heeft dan ook niet aangetoond dat de gedwongen bedrijfsverplaatsing de noodzaak met zich meebracht om uit te breiden naar 148 melk- en kalfkoeien en 100 stuks jongvee en de aankoop van circa 8 ha grond. Appellant heeft ter onderbouwing van de gestelde bedrijfseconomische noodzaak om uit te breiden een aantal financiële rapportages overgelegd. Appellant heeft met die rapportages niet aannemelijk gemaakt dat het bedrijfseconomisch noodzakelijk was om uit te breiden. Uit de bedrijfsplannen blijkt dat het gestelde tekort aan fosfaatrechten mede het gevolg is van de productiviteitsstijging. Die last heeft geen individueel karakter. Niet gebleken is dat de noodzaak voor het maken van de hogere kosten ligt in de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Gezien het tijdstip waarop de investeringen voor de uitbreiding zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren, niet navolgbaar. Er is dan ook geen sprake van een individuele en buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/944

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats 1] , appellant

(gemachtigde: mr. A. van der Kruijt-Bos),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Stockmann),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Op 30 maart 2018 heeft verweerder een door appellant gedane melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 19 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

In verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn is de Staat in de procedure betrokken.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw kan de minister ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

1.3

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt verweerder op verzoek van de landbouwer het fosfaatrecht – kort gezegd – indien hij op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee hield of over minder fosfaatruimte beschikte door de realisatie van een natuurgebied. Ingevolge artikel 72a, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit vindt die verhoging niet plaats indien deze kleiner is dan 5% van het fosfaatrecht dat wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de Msw.

1.4

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveehouderij, aanvankelijk op een landgoed in [plaats 2] . De vergunde situatie zag op onder andere 60 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee. Vanwege ontwikkeling van het natuurgebied […] moest appellant zijn bedrijf verplaatsen en bereikte hij in 2011 overeenstemming over die verplaatsing naar een landgoed in [plaats 1] . Uit de ruilovereenkomst met Bureau Beheer Landbouwgronden volgt dat appellant de grond en bedrijfsgebouwen aan de [adres 2] te [plaats 2] voor een bedrag van € 2.709.015,- heeft verkocht en de percelen landbouwgrond en mogelijk agrarisch bouwblok gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] voor een bedrag van € 2.063.670,- heeft gekocht.

2.2

Op 12 april 2013 heeft appellant een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) verkregen voor het oprichten van een melkrundveehouderij aan de [adres 1] te [plaats 1] met een beoogd aantal dieren van 148 melk- en kalfkoeien en 100 stuks jongvee. Bij besluit van 19 mei 2014 heeft de gemeente [gemeente] een omgevingsvergunning verstrekt voor het bouwen van een rundveestal, een loods, een vaste mestopslag, een bedrijfswoning en sleufsilo’s. Vervolgens heeft appellant op 1 oktober 2014 een overeenkomst gesloten voor de bouw van een rundveestal, de bouw van een loods en een vaste mestopslag en de bouw van een woning met een aanneemsom van in totaal € 1.092.644,-.

2.3

Op de peildatum van 2 juli 2015 beschikte appellant over 94 melk- en kalfkoeien en 80 stuks jongvee.

Besluiten van verweerder

3.1

Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 5.114 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

3.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Beroepsgronden

4.1

Appellant stelt zich op het standpunt dat aan hem ingevolge artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit meer fosfaatrechten moeten worden toegekend. In de melding bijzondere omstandigheden heeft appellant aangegeven dat de situatie die voor zijn bedrijf van toepassing is ziet op ‘natuur en infrastructuur’, met als gevolg dat op de peildatum sprake was van geen of lagere veebezetting. Appellant heeft als aanvangsdatum 1 juli 2015 aangegeven. Volgens appellant heeft verweerder ten onrechte een peildatum aangewezen vóór het ontstaan van de buitengewone omstandigheid. De beoogde uitbreiding van het bedrijf moet worden meegenomen in het aantal fosfaatrechten dat aan appellant wordt toegekend. In dat geval is aan de 5%-drempel voldaan, omdat de investeringen een groei van meer dan 5% beogen. Zonder de gedwongen bedrijfsverplaatsing had appellant de uitbreiding van het bedrijf eerder tot stand kunnen brengen. Daarnaast was de uitbreiding noodzakelijk om de kosten van de gedwongen bedrijfsverplaatsing te bekostigen.

4.2

Appellant stelt zich op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel de ‘fair balance’ toets niet kan doorstaan en dat op hem een individuele en buitensporige last rust. Appellant was genoodzaakt het bedrijf uit te breiden om het bedrijf na de bedrijfsverplaatsing rendabel en toekomstbestending te houden. De bedrijfsverplaatsing en de uitbreiding zijn aangevangen voor de bekendheid met en de komst van het fosfaatrechtenstelsel. Appellant heeft voorafgaand aan de peildatum, 2 juli 2015, de voor de uitbreiding benodigde vergunningen verkregen. Door de bouwwerkzaamheden was het niet mogelijk om op de peildatum de beoogde dieraantallen op het bedrijf te houden. De continuïteit van het bedrijf is in direct gevaar als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel. Uit het overgelegde financiële rapport, opgesteld door Peeters Financieel Advies B.V., volgt dat er een voorzienbaar tekort is van

€ 92.000,- in 2019. Het is voor appellant niet eenvoudig om extra fosfaatrechten te kopen of zijn bedrijfsmiddelen op alternatieve wijze aan te wenden.

4.3

Appellant stelt dat verweerder ten onrechte geen ontheffing ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw heeft verleend van het verbod als bedoeld in artikel 21b van de Msw voor een bedrijfsomvang gelijk aan de aantallen melkvee waarvoor hij financiële verplichtingen is aangegaan. Verweerder heeft namelijk het rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel geschonden wegens het op basis van steunverklaringen van de provincie Noord-Brabant gewekte vertrouwen dat het bedrijfsplan van appellant inclusief uitbreiding kon worden gerealiseerd. De minister heeft bij een besluit van 20 december 2017 in een vergelijkbare situatie wel gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het fosfaatreductieplan, omdat het vertrouwen was gewekt dat de uitbreidingsplannen zonder meer konden worden gerealiseerd.

4.4

Verder stelt appellant dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verweerder kan niet volstaan met de conclusie dat vergeefse investeringen voor uitbreidingen op grond van het ondernemersrisico voor rekening van appellant komen. Indien verweerder volledig en grondig zou hebben getoetst of op appellant een individuele en buitensporige last rust, dan zou verweerder ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw ontheffing hebben verleend. Verweerder is volgens appellant voorbijgegaan aan de in bezwaar aangevoerde bijzondere omstandigheden en de ingediende stukken, zoals het accountantsrapport. Appellant is van mening dat hij zich onderscheidt van de gemiddelde melkveehouder door de combinatie van latente stalruimte, financiële verplichtingen en het betalen van heffingen. Verweerder is daarentegen niet ingegaan op de mate waarin het bedrijf van appellant financieel door het fosfaatrechtenstelsel wordt getroffen en welke gevolgen dit heeft voor de continuïteit van de bedrijfsvoering.

4.5

Verder verzoekt appellant om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep en om een immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep.

Standpunt van verweerder

5.1

Verweerder voert verder aan dat artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit niet kan worden toegepast, omdat niet voldaan is aan de daarin genoemde 5%-drempel. Artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit biedt geen ruimte om te kijken naar wat de situatie hypothetisch, gelet op de ingezette bedrijfsuitbreiding, op de peildatum zou zijn geweest en het biedt ook geen ruimte om rekening te houden met niet-gerealiseerde uitbreidingen.

5.2

Volgens verweerder rust op appellant geen individuele en buitensporige last, omdat appellant in weerwil van naderende/aangekondigde productiebeperkende maatregelen is blijven vasthouden aan de geplande groei. Appellant heeft de noodzaak om uit te breiden niet aangetoond. De vergeefse investeringen als gevolg van uitbreidingen dienen voor risico en rekening van appellant te komen.

5.3

Verder betwist verweerder dat sprake is van schending van het rechtszekerheids-, vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Appellant kon aan de ruilovereenkomst alsmede aan de steunverklaringen van de provincie Noord-Brabant niet de in rechte te honoreren verwachting ontlenen dat toekomstige maatregelen op grond van de Msw hem niet zouden treffen. Daarnaast is geen toezegging gedaan inhoudende dat appellant geen schade zou mogen ondervinden van de bedrijfsverplaatsing. Dat verweerder in een andere zaak in verband met de Regeling fosfaatreductieplan 2017 ontheffing heeft verleend, omdat vertrouwen zou zijn gewekt dat uitbreidingsplannen konden worden gerealiseerd, betekent niet dat die zaak op één lijn kan worden gesteld met onderhavige zaak.

5.4

Daarnaast is het bestreden besluit volgens verweerder niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen en ook van een motiveringsgebrek is geen sprake. Verweerder is bij het bestreden besluit voldoende op de aangevoerde bezwaren ingegaan. Indien wel sprake zou zijn van een motiveringsgebrek, moet dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd.

Beoordeling

6.1

Niet in geschil is dat appellant wegens de realisatie van het natuurgebied […] zijn bedrijf heeft moeten verplaatsen. Die gedwongen verplaatsing heeft echter niet ertoe geleid dat appellant op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee hield of over minder fosfaatruimte beschikte door de realisatie van een natuurgebied. Appellant beschikte op de peildatum namelijk over meer dieren (94 melk- en kalfkoeien en 80 stuks jongvee) dan hij op basis van de vergunde situatie op de oude locatie mocht houden (60 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee). Dat betekent dat appellant niet voldoet aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit dat het fosfaatrecht minimaal 5% lager is vastgesteld dan zonder die omstandigheid het geval geweest zou zijn. Anders dan appellant betoogt, hoefde verweerder geen rekening te houden met de nog niet gerealiseerde uitbreidingen. Daarvoor verwijst het College naar zijn uitspraken van

9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4), van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232) en

5 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:555, onder 5.5).

6.2

De beroepsgrond van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel wegens het ontbreken van een ‘fair balance’ op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP is ter zitting ingetrokken. Appellant heeft verzocht hetgeen in het kader van het ontbreken van de ‘fair balance’ is aangevoerd te beoordelen in het licht van de gestelde individuele en buitensporige last die op appellant rust als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel.

6.3

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.4.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval af. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals hier, is het verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van

23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

6.4.2

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:114, onder 6.7) ontstaat de last op 1 januari 2018, het moment waarop het fosfaatrechtenstelsel van kracht werd, en bestaat de last van de individuele melkveehouder in beginsel uit het aantal fosfaatrechten dat hij als gevolg van het fosfaatrechtenstel tekortkomt om zijn bestaande, c.q. aantoonbaar voorgenomen, bedrijfsvoering (inclusief de uitbreidingsplannen) te kunnen voeren.

6.4.3

In deze uitspraak heeft het College ook overwogen (onder 6.8) dat voor alle melkveehouders geldt dat de gemiddelde melkgift vanwege verbeteringen in de efficiëntie van de melkveebedrijfsvoering in 2018 hoger zal zijn dan in 2015 en dat daarvoor (vanwege het hogere excretieforfait) meer fosfaatrecht nodig is. Het door die productiviteitsstijging benodigde extra fosfaatrecht mist een individueel karakter, want iedere melkveehouder ziet zich voor de overbrugging van dat extra fosfaatrecht gesteld. Voorts geldt, met uitzondering van grondgebonden bedrijven, voor alle melkveehouders dat hun fosfaatrecht op grond van artikel 72b van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt verminderd. Dat deel van de last draagt iedere (niet-grondgebonden) melkveehouder (vergelijk de uitspraak van het College van 26 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:624, onder 6.4.1). In zoverre is de last (ook) voor de melkveehouder niet individueel en bestaat – ongeacht de bedrijfseconomische gevolgen – in beginsel geen grond om een individuele en buitensporige last aan te nemen.

6.4.4

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorts voorop dat de beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, om deze te verhuren of te verkopen, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden – wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd – navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld. Bovendien moeten er goede redenen zijn om aan te nemen dat geen evenwicht bestaat tussen de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel (de bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn) en de belangen van de melkveehouder (zie de uitspraak van het College van 25 februari 2020, hiervoor aangehaald, onder 6.9).

6.4.5

Voor appellant komt de last als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel op basis van de hiervoor onder 6.4.2 weergegeven vergelijking neer op (7.583,8 – 5.114 =) 2.469,8 kg fosfaatrechten. Het College wil, mede gelet op de overgelegde rapportages, wel aannemen dat appellant door het fosfaatrechtenstelsel financieel stevig wordt geraakt, maar dat alleen is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een individuele en buitensporige last.

Zoals onder 6.4.4 is overwogen, draagt appellant zelf de risico’s die zijn verbonden aan zijn investeringsbeslissingen en kan hij de nadelige gevolgen van een door hem genomen beslissing om uit te breiden in beginsel niet afwentelen op het collectief. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om hier van dat uitgangspunt af te wijken.

6.4.6

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat hij gezien zijn specifieke omstandigheden – voorkoming van een onteigeningsprocedure – weinig andere opties had dan een verplaatsing naar zijn huidige locatie. Voor de vraag of het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellant legt, onderscheidt het College de investeringen die gepaard gaan met zijn bedrijfsverplaatsing en de investeringen voor het uitbreiden van het bedrijf van 60 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee naar de beoogde situatie met 148 melk- en kalfkoeien en 100 stuks jongvee. De vraag is of, zoals appellant stelt, de gedwongen verplaatsing meebracht dat hij moest uitbreiden. Indien dat niet het geval is, onderscheidt appellant zich niet van andere melkveehouders die hebben uitgebreid en geldt ook voor hem dat hij rekening moest houden met de mogelijkheid dat na de afschaffing van het melkquotum productiebeperkende maatregelen zouden volgen (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, onder de overwegingen 6.7.5.1 en verder en van 5 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:555, onder 5.4.1).

Partijen hebben in 2011 overeenstemming bereikt over de verplaatsing naar Almerk. De akte is op 23 september 2014 gepasseerd. Aan de ruil van de bedrijfslocaties heeft appellant

(€ 2.709.015,- - € 2.063.670,-) een bedrag van € 645.345,- overgehouden. Uit de ruilovereenkomst volgt dat appellant ook een bedrag van € 610.630,- heeft ontvangen voor overige schadeloosstellingen. Aangezien op de aangekochte bedrijfslocatie geen gebouwen aanwezig waren welke benodigd zijn voor de exploitatie van een melkveehouderij, is aannemelijk dat de nieuwbouw noodzakelijk was. De aanneemsom daarvan bedraagt

€ 1.092.644,-. Niet is gebleken dat appellant over onvoldoende liquide middelen beschikte voor de verplaatsing van het bedrijf. Appellant heeft dan ook niet aangetoond dat de gedwongen bedrijfsverplaatsing de noodzaak met zich meebracht om uit te breiden naar 148 melk- en kalfkoeien en 100 stuks jongvee en de aankoop van circa 8 ha grond.

Appellant heeft ter onderbouwing van de gestelde bedrijfseconomische noodzaak om uit te breiden een aantal financiële rapportages overgelegd (een financieel rapport van 6 april 2018 met een bedrijfsplan van 21 augustus 2014 en een bedrijfsplan van 6 april 2018, en een financieel rapport van 16 mei 2018). Appellant heeft met die rapportages niet aannemelijk gemaakt dat het bedrijfseconomisch noodzakelijk was om uit te breiden. Appellant zet in de financiële rapportages prognoses uit het bedrijfsplan van 6 april 2018 af tegen prognoses uit het bedrijfsplan van 21 augustus 2014. Het bedrijfsplan van 6 april 2018 dat de situatie van exploitatie op grond van de toegekende fosfaatrechten beschrijft en uitkomt op een negatieve marge, gaat uit van substantieel hogere kosten dan het bedrijfsplan van 21 augustus 2014 dat de situatie zonder de invoering van het stelsel beschrijft en uitkomt op een positieve marge. In het bedrijfsplan van 21 augustus 2014 zijn de kosten voor de aankoop van 8 ha grond evenwel niet meegenomen. De scenario’s zijn daardoor niet met elkaar te vergelijken. Uit de financiële rapportages volgt niet dat de historische bedrijfsomvang van 60 melk- en kalfkoeien en 41 stuks jongvee bij de invoering van het fosfaatrechtenstelsel niet toereikend zou zijn geweest. Verder blijkt uit de bedrijfsplannen dat het gestelde tekort aan fosfaatrechten mede het gevolg is van de productiviteitsstijging. Die last heeft geen individueel karakter. Niet gebleken is dat de noodzaak voor het maken van de hogere kosten ligt in de invoering van het fosfaatrechtenstelsel.

Gezien het tijdstip waarop de investeringen voor de uitbreiding zijn gedaan en het ontbreken van een bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissingen, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren waarover het College in de uitspraak van 23 juli 2019 (hiervoor aangehaald, onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar. Er is dan ook geen sprake van een individuele en buitensporige last.

6.4.7

De bescherming van het milieu en de volksgezondheid en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn wegen in dit geval zwaarder dan de belangen van appellant. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP.

6.5

Appellant stelt verder dat het vertrouwens-, rechtszekerheid en gelijkheidsbeginsel zijn geschonden wegens het op basis van steunverklaringen van de provincie Noord-Brabant gewekte vertrouwen dat het bedrijfsplan van appellant inclusief uitbreiding kon worden gerealiseerd. Tevens wordt verwezen naar een beslissing van verweerder van

20 december 2017 waarbij ontheffing zou zijn verleend wegens het gewekte vertrouwen dat de voorgenomen uitbreidingsplannen konden worden gerealiseerd. Uit de steunverklaringen volgt dat het bedrijf van appellant op dwingend verzoek is verplaatst, maar aan de steunverklaringen kan geen vertrouwen worden ontleend dat de uitbreiding van het bedrijf kon worden gerealiseerd. Appellant heeft ter zitting betoogd dat een uitbreiding inherent is aan bedrijfsverplaatsing en dat steun ten behoeve van de uitbreiding in de steunverklaringen moet worden gelezen. Het College volgt appellant niet in deze stelling, omdat niet is aangetoond dat uitbreiding van zijn bedrijf noodzakelijk was als gevolg van de gedwongen bedrijfsverplaatsing. Het College verwijst in dat verband naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4.6. De beslissing van verweerder van 20 december 2017 is niet overgelegd en kan daarom niet worden meegenomen in de beoordeling. Het College concludeert dat het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel niet zijn geschonden. Verweerder heeft dan ook terecht geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw ontheffing te verlenen. De beroepsgrond faalt.

6.6

Het College is van oordeel dat appellant daarentegen terecht heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat verweerder daarin niet specifiek is ingegaan op het betoog van appellant over de individuele en buitensporige last. Verweerder heeft onder meer geen onderscheid gemaakt tussen de investeringen van appellant in verband met de gedwongen bedrijfsverplaatsing en die in verband met de uitbreiding van het bedrijf. Daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.

6.7

Wat betreft het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, overweegt het College het volgende.

Het College stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat bekend is gemaakt na

1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op

19 februari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaarstermijn met ruim negen maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is niet gebleken. Appellant heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten een jaar en twee maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten een jaar en zeven maanden – heeft geduurd. In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding toe te rekenen aan zowel verweerder als het College. De veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade moet naar evenredigheid worden berekend. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van acht maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – één maand – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – acht maanden – voor rekening van verweerder. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 888,89

(8/9 x € 1.000,-) aan appellant en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 111,11 (1/9 x € 1.000,-) aan appellant.

7. Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

8.1

In dat gebrek ziet het College aanleiding te bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

8.2

In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten van appellant in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 111,11 aan appellant wegens de geleden immateriële schade;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 888,89 aan appellant wegens de geleden immateriële schade;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 174,- aan appellant dient te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 131,25;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.181,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, in aanwezigheid van mr. P.E.A. Chao, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.