Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:911

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/856
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet artikel 23, derde lid; het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) artikel 1

Niet is gebleken dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellante legt. Haar beslissing om begin 2015 een deel van haar veestapel weg te doen, terwijl ze daarna weer grondgebonden wilde uitbreiden tot ongeveer 115 à 120 melkkoeien, is niet navolgbaar. Het is een ondernemerskeuze is geweest en geen noodzaak, waarvan de gevolgen voor haar risico zijn. Dat appellante er vanuit is gegaan dat bij nieuwe productie beperkende maatregelen, die toen al voorzienbaar waren, zou worden uitgegaan van het aantal dieren dat zij in 2014 heeft gehouden, maakt dat niet anders. Die inschatting komt voor haar rekening en risico. Appellante had zich moeten realiseren dat een dergelijke afstoot van dieren voor haar meer dan gebruikelijke ondernemersrisico's met zich zou brengen.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/856

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. N. Latka),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: drs. H.J.M. van Gellekom)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 26 maart 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor appellante is verder nog verschenen [naam 2] .

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1.

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Feiten

2. Appellante exploiteert een melkveebedrijf te [plaats] . Appellante had op de peildatum 2 juli 2015 85 melkkoeien en 52 stuks jongvee.

Besluit van verweerder

3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4283 kg. Hij is daarbij uitgegaan van het aantal dieren dat op de peildatum 2 juli 2015 op het bedrijf van appellante aanwezig was en heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4.1.

Appellante stelt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele buitensporige last op haar legt. Alleen al uit de feiten en omstandigheden van haar geval volgt dat zij door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel (buitensporig) is getroffen. Zij had in 2014 een melkquotum om 850.000 liter melk te produceren. Zij heeft dat in 2014 volgemolken. Dat heeft zij in 2015, vanwege de lage de melkprijs, niet gedaan. Zij heeft toen al haar jongvee afgestoten en slecht renderende melkkoeien geruimd, zodat zij minder mest hoefde af te voeren en minder voer hoefde aan te voeren. Zij wist dat na de afschaffing van het melkquotum nieuwe productie-beperkende maatregelen te voorzien waren, maar ging ervan uit dat daarbij gerekend zou worden met cijfers of een gemiddelde uit 2014. De gekozen peildatum van 2 juli 2015 leidt voor haar tot onevenredig zware nadelige gevolgen. Op die datum was het aantal dieren dat zij hield op zijn laagst en niet representatief. Daardoor heeft zij sinds 2018 slechts (fosfaat)rechten om 700.000 liter melk te produceren. Zij is aldus ten opzichte van haar melkquotum in 2014 twintig procent van haar bedrijfsomvang verloren. Zij heeft niet ingezet op groei van de veestapel maar op grondgebonden veehouderij en heeft van 2012 tot 2015 haar grond uitgebreid van 32 hectare (ha) naar 55 ha. Zij is na de peildatum, in augustus 2015, grondgebonden geworden voor de ongeveer 120 volwassen melkveerunderen die zij wilde gaan houden. Daarmee is bij het vaststellen van haar fosfaatrecht ten onrechte geen rekening gehouden, evenmin als met het feit dat zij in 2015 mest van haar bedrijf heeft afgezet op door haar verhuurde landbouwgrond. Daarmee heeft zij gehandeld in lijn met grondgebondenheid.

4.2.

Appellante heeft in beroep een ‘rapportage individuele disproportionele last (IDL)-stelsel van fosfaatrechten’ gedateerd 25 juli 2019 van Flynth adviseurs en accountants, overgelegd, om in beroep, anders dan in bezwaar, alsnog te onderbouwen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 EP. Daarin zijn vier scenario’s uitgewerkt voor de exploitatie- en vermogensontwikkeling voor de jaren 2018 tot en met 2022. Daaruit blijkt dat zij buitensporig wordt geraakt door het fosfaatrechtenstelsel.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt, kort gezegd en hierna meer uitgebreid weergegeven, dat het fosfaatrechtenstelsel geen individuele en buitensporige last op appellante legt. Het bestreden besluit is niet in strijd met het recht.

Beoordeling

6.1.

Voor zover appellante, gelet op haar bezwaar tegen de gehanteerde peildatum, heeft beoogd aan te voeren dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP, slaagt deze beroepsgrond niet. Hetzelfde geldt voor hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent het karakter van haar bedrijf als toekomstbestendig voorbeeldbedrijf in het kader van kringlooplandbouw. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522, en uitspraken van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1-7. Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.2.

Het College is van oordeel dat niet is gebleken dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellante legt. Het College overweegt hiertoe als volgt.

6.2.1

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last.

6.2.2

In het rapport van Flynth is vermeld dat appellante voor 1 juli 2015 in het bedrijf heeft geïnvesteerd om uit te breiden naar de vergunde situatie van 127 melkkoeien en 84 stuks jongvee. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij in 2012 een financieringsovereenkomst heeft gesloten en landbouwgrond heeft aangekocht. Zij was niet van plan om het vergunde aantal dieren te gaan houden, maar 115 à 120 melkkoeien, en dat grondgebonden te doen. Het College leidt daaruit af dat de door appellante gestelde last het verschil is tussen het vastgestelde fosfaatrecht voor het aantal dieren op de peildatum (85 melkkoeien en 52 stuks jongvee) en het benodigde fosfaatrecht voor het aantal dieren in de beoogde situatie (120 melkkoeien).

6.2.3.

Bij de beoordeling of de last buitensporig is, staat voorop dat de beslissingen van melkveehouders over (in dit geval) de wijze van exploitatie van hun bedrijf, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waaraan risico’s inherent zijn. Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van zijn ondernemersbeslissingen draagt en dat niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last vormt. Dit uitgangspunt wordt alleen bij uitzondering verlaten. Daarvoor moet dan wel de ondernemersbeslissing in de gegeven omstandigheden - wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen, de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen, de mate waarin en de reden waarom is geïnvesteerd - navolgbaar zijn, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in zijn uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:29, onder 6.7.5.4, heeft geoordeeld.

6.2.4.

Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat de beslissing van appellante om begin 2015 een deel van haar veestapel weg te doen, terwijl ze daarna weer, naar zij ter zitting heeft gesteld, grondgebonden wilde uitbreiden tot ongeveer 115 à 120 melkkoeien, niet navolgbaar is als hiervoor onder 6.2.2 bedoeld, maar een ondernemerskeuze is geweest en geen noodzaak, waarvan de gevolgen voor haar risico zijn. Dat appellante er vanuit is gegaan dat bij nieuwe productie beperkende maatregelen, die toen al voorzienbaar waren, zou worden uitgegaan van het aantal dieren dat zij in 2014 heeft gehouden, maakt dat niet anders. Die inschatting komt voor haar rekening en risico. Appellante had zich moeten realiseren dat een dergelijke afstoot van dieren voor haar meer dan gebruikelijke ondernemersrisico's met zich zou brengen. Aan het rapport van Flynt, waaruit wel blijkt dat appellante door het fosfaatrechtenstelsel financieel wordt geraakt, komt daarom geen doorslaggevende betekenis toe. Appellante komt niet alleen als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel rechten te kort om het beoogde aantal van 120 melkkoeien te houden, maar vooral door haar keuze om in 2015 haar veestapel te verkleinen in plaats van uit te breiden. Dat zij in 2012 heeft geïnvesteerd in landbouwgrond die zij nu niet nodig heeft, maakt dat niet anders. Die grond kan weer worden verkocht zoals appellante, naar zij ter zitting heeft aangevoerd, inmiddels met een deel daarvan heeft gedaan. Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de hiervoor onder 6.2.2 vermelde last van appellante voor haar eigen rekening komt.

6.3.

Voor zover appellante heeft beoogd aan te voeren dat bij het bestreden besluit ten onrechte de generieke korting is opgelegd, slaagt deze beroepsgrond evenmin. Tussen partijen is niet in geschil, en ook het College gaat ervan uit, dat appellante op de peildatum 2 juli 2015 niet grondgebonden was. Dat zij dat na de peildatum (mogelijk) wel was en dat zij in 2015 mest van haar bedrijf uitreed op door haar verhuurde landbouwgrond maakt dat niet anders.

6.4.

Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 1 van het EP of met de wet. Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinkaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.