Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:876

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/931
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Het is de verantwoordelijkheid van de melkveehouder zelf om aan de Regeling te voldoen. Appellant had zelf, aan de hand van de artikelen van de Regeling en zijn eigen administratie van de veestapel, kunnen berekenen hoeveel dieren hij kon houden zonder dat aan hem heffingen zouden worden opgelegd. Hoewel het College begrijpt dat de berekening niet altijd eenvoudig is, is het College van oordeel dat het op de weg van appellant gelegen had om hulp in te schakelen, indien hij niet in staat was de berekening zelfstandig te maken.

Dat de op 15 februari 2017 aan Multi Dairy Livestock B.V. verkochte vaarzen, door onduidelijkheid over de fosfaatrechten van exportstallen, pas op 31 maart 2017 konden worden afgevoerd naar dat bedrijf, is niet van invloed geweest op het maandgemiddelde in periode 1 (maart-april 2017), nu het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf van appellant wordt berekend op basis van het maandgemiddelde in de tweede maand van de periode (april 2017). Omdat deze vaarzen op 31 maart 2017 zijn afgevoerd, zijn zij dus niet bij dit maandgemiddelde betrokken (vergelijk het bepaalde in artikel 4, derde lid, en artikel 6, derde lid, van de Regeling).

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: N.A. Kuipers).

Procesverloop

Bij besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellant heffingen opgelegd van € 9.518,- voor periode 1 van € 998,- voor periode 2, van € 997,- voor periode 3, van € 956,- voor periode 4 en van € 156,- voor periode 5.

Bij besluit van 10 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Veehouders die te veel melkvee houden moeten de omvang van hun veestapel zoals die was op 1 oktober 2016 in vijf tweemaandelijkse stappen (de periodes) verminderen tot hun referentieaantal. Het referentieaantal is het aantal op 2 juli 2015 (de peildatum) geregistreerde runderen, verminderd met 4% – met uitzondering van grondgebonden bedrijven – en omgerekend naar grootvee-eenheden (GVE). Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee houdt dan het referentieaantal. Verweerder kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal.

  2. De Regeling kent twee soorten heffingen, de hoge geldsom en de solidariteitsgeldsom. Welke heffing wordt opgelegd is mede afhankelijk van de vraag of in de betreffende periode het doelstellingsaantal is behaald. Het doelstellingsaantal is het aantal op 1 oktober 2016 geregistreerde runderen, verminderd met het voor de betreffende periode vastgestelde verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal. Verweerder legt een hoge geldsom op indien in de betreffende periode meer GVE worden gehouden dan het doelstellingsaantal. De hoogte van de hoge geldsom bedraagt € 480,- voor elke GVE boven het referentieaantal. Een bedrijf dat inkrimpt tot het doelstellingsaantal, maar niet tot het referentieaantal, krijgt een solidariteitsgeldsom opgelegd van € 112,- voor elke GVE boven het referentieaantal.

Feiten

3. Appellant exploiteert een melkveebedrijf. Verweerder heeft voor alle vijf de periode van de regeling aan appellant heffingen opgelegd omdat hij meer runderen hield dan het referentieaantal.

Beroep

4. Appellant heeft opgemerkt dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Omdat hij daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht, in zijn visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, is deze opmerking onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraak van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391). Het College gaat daar dan ook aan voorbij.

5. Appellant betoogt dat verweerder aan hem geen heffingen had mogen opleggen, omdat zowel de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland als ZuivelNL hem geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de rekenmethode. Hierdoor kon hij niet exact berekenen hoeveel dieren hij in de betreffende periodes mocht houden en kon hij niet controleren of de vaarskalveren (1305 en 1318) – waarvan was opgegeven dat deze zouden worden aangehouden, maar die uiteindelijk toch zijn verkocht – in de berekening van het maandgemiddelde zijn meegenomen.
Verder betoogt appellant dat de export van zijn runderen vertraging heeft opgelopen, doordat exportstallen in maart en april 2017 tijdelijk geen vaarzen konden afnemen. Hij had al in februari 2017 vier vaarzen aan Multi Dairy Livestock B.V. verkocht, maar hij heeft deze runderen pas op 31 maart 2017 kunnen afvoeren naar dat bedrijf. Volgens appellant zijn deze vaarzen ten onrechte meegeteld bij het maandgemiddelde over periode 1.

5.1.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het de verantwoordelijkheid van de melkveehouder zelf is om aan de Regeling te voldoen. Appellant had zelf, aan de hand van de artikelen van de Regeling en zijn eigen administratie van de veestapel, kunnen berekenen hoeveel dieren hij kon houden zonder dat aan hem heffingen zouden worden opgelegd. Hoewel het College begrijpt dat de berekening niet altijd eenvoudig is, is het College van oordeel dat het op de weg van appellant gelegen had om hulp in te schakelen, indien hij niet in staat was de berekening zelfstandig te maken. Verweerder neemt bij het opleggen van de heffingen het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R‑systeem) als uitgangspunt voor de vaststelling van het op het bedrijf aanwezige aantal runderen. Zoals het College eerder in de uitspraak van 28 juli 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:485) heeft geoordeeld, mag verweerder dit systeem als uitgangspunt nemen. Ook appellant kon dit I&R‑systeem raadplegen. Niet is gebleken dat verweerder bepaalde runderen ten onrechte bij de bepaling van de maandgemiddelden heeft betrokken.
Het College ziet in de Regeling en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan geen aanknopingspunten voor de ter zitting ingenomen stelling van appellant dat vrouwelijk jongvee waarvan bij de geboorte is aangegeven dat het op het bedrijf wordt aangehouden, maar dat uiteindelijk toch is afgevoerd, (met terugwerkende kracht) niet mag worden meegeteld bij het maandgemiddelde. De Regeling maakt alleen een uitzondering voor afvoer van vrouwelijk jongvee onder de 35 dagen bij activering van het jongveegetal. Dat is hier niet aan de orde.

5.2.

Dat de op 15 februari 2017 aan Multi Dairy Livestock B.V. verkochte vaarzen, door onduidelijkheid over de fosfaatrechten van exportstallen, pas op 31 maart 2017 konden worden afgevoerd naar dat bedrijf, is niet van invloed geweest op het maandgemiddelde in periode 1 (maart-april 2017), nu het gemiddeld aantal runderen op het bedrijf van appellant wordt berekend op basis van het maandgemiddelde in de tweede maand van de periode (april 2017). Omdat deze vaarzen op 31 maart 2017 zijn afgevoerd, zijn zij dus niet bij dit maandgemiddelde betrokken (vergelijk het bepaalde in artikel 4, derde lid, en artikel 6, derde lid, van de Regeling).

5.3.

Het voorgaande betekent dat verweerder terecht aan appellant heffingen heeft opgelegd, omdat hij in alle vijf de periodes meer runderen hield dan het referentieaantal. Het betoog faalt.

Slotsom

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.