Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:874

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
18/1966
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling Fosfaatreductieplan. Toepassing jongveegetal. Geen individuele buitensporige last.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 18/1966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante

(gemachtigde: mr. E.T. Stevens),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Ramlal).

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2017, 6 december 2017, 9 december 2017, 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 1.697,00 voor periode 1, van € 4.032,00 voor periode 2, van € 3.182,00 voor periode 3, van € 5.083,00 voor periode 4 en van € 2.050,00 voor periode 5.

Bij besluit van 31 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen
De Regeling

  1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum.
    Besluiten van verweerder

  2. Aan de primaire besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het gemiddelde aantal grootvee-eenheden op het bedrijf van appellante te hoog is. Verweerder heeft bij de berekening van de geldsommen over de periodes 2 tot en met 5 het jongveegetal toegepast.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het jongveegetal terecht is geactiveerd. Appellante heeft 2 stuks jongvee ouder dan 35 dagen afgevoerd die volgens het I&R-systeem pas in 2018 zijn geëxporteerd. Daarmee heeft appellante volgens verweerder niet voldaan aan de doelstelling van de Regeling. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de toepassing van de Regeling geen schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) oplevert. Aangezien bijzondere omstandigheden, anders dan investeringsverplichtingen en een financiële last, door appellante niet zijn gesteld, noch zijn gebleken, is geen sprake van een individuele buitensporige last, aldus verweerder.
Beoordeling beroepsgronden


-toepassing jongveegetal

4. Appellante betoogt dat verweerder het jongveegetal ten onrechte heeft toegepast bij de berekening van de geldsommen. Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Regeling wordt het jongveegetal niet toegepast als runderen ouder dan 35 dagen die niet hebben gekalfd door de houder uitsluitend zijn afgevoerd voor slacht, export of in verband met sterfte. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van afvoer voor export alleen sprake is wanneer export in 2017 heeft plaatsgevonden. Het College acht dit standpunt niet onredelijk. Volgens het I&R-systeem heeft appellante als houder op 12 juni 2017 en 17 juni 2017 in totaal 16 runderen ouder dan 35 dagen afgevoerd naar twee Nederlandse melkveebedrijven waarna ze zijn geëxporteerd. Een tweetal runderen is volgens het I&R-systeem pas op 9 maart 2018 respectievelijk 8 mei 2018 geëxporteerd. Appellante heeft haar stelling dat die twee runderen wel in 2017 zijn geëxporteerd, niet met stukken gestaafd. Verweerder heeft de registratie in het I&R-systeem dan ook als uitgangspunt mogen nemen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het jongveegetal terecht toegepast bij de berekening van de geldsommen over de periodes 2 tot en met 5. Dat de veehandelaar, naar appellante stelt, in afwijking van de afspraak met appellante, de runderen niet naar een quarantainestal voor export maar naar een andere melkveehouder heeft gebracht in afwachting van export, terwijl deze export niet voor het einde van 2017 plaatsvond, komt voor rekening van appellante.

-artikel 1 van het EP (individuele buitensporige last)

5. Appellante betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 1 van het EP. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van een individuele buitensporige last. Appellante voert aan dat verweerder de door haar gemelde bijzondere omstandigheden ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn beoordeling. Zij wijst op de ziekte en het overlijden van de vader, de ziekte van de moeder en de zorg voor beide ouders. Door deze grote zorgtaak en de verbouwing in 2014 was er minder aandacht voor het vee, waardoor veeziektes uitbraken en op de peildatum minder koeien op het bedrijf waren dan was gepland. Ook is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de overgelegde gegevens van de gedane investeringen in de bouw van een nieuwe stal. Daarbij had verweerder moeten ingaan op de gevolgen van het niet volledig kunnen benutten van die investeringen voor haar bedrijfsvoering. Volgens appellante kleeft aan het bestreden besluit dan ook een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Appellante voert aan dat, gelet op de bijzondere omstandigheden en de tussen 2012 en 2 juli 2015 gedane investeringen die zij niet volledig kan benutten waardoor zij wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering, de toepassing van de Regeling in haar geval leidt tot een individuele buitensporige last.

5.1.

Bij de beoordeling of de last voor de betrokken melkveehouder buitensporig is, weegt het College alle betrokken belangen van het individuele geval. In dat verband is vooral de mate waarin het in de Regeling opgenomen stelsel van maatregelen de individuele melkveehouder raakt relevant. Niet ieder inkomens- of vermogensverlies als gevolg van de opgelegde heffingen en de inperking van de exploitatiemogelijkheden – waardoor bijvoorbeeld ook investeringen nutteloos of beperkt nuttig zijn geworden – als gevolg van de tenuitvoerlegging van de Regeling vormt een buitensporige last. De uiteindelijke bewijslast dat sprake is van een buitensporige last, rust op appellante. Daarvoor is inzicht nodig in al haar bedrijfsmatige gegevens en omstandigheden.

5.2.

Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder zijn bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (vergelijk de uitspraak van het College in het fosfaatrechtenstelsel van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291, onder 6.8.2).

5.3.

Appellante wilde haar bedrijf uitbreiden. Zij heeft in januari 2014 een lening afgesloten bij een bank voor de bouw van een nieuwe stal. Vervolgens heeft zij nog in hetzelfde jaar een stal laten bouwen. Haar veestapel wilde zij laten groeien tot 180 melkkoeien en 100 stuks jongvee. Daarvoor is haar op
15 december 2014 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. Appellante wilde de nieuwe stal vol krijgen door middel van eigen aanwas.

5.4.

Het College acht het aannemelijk dat de zorg van appellante voor de ouders in combinatie met de verbouwing van invloed is geweest op de bedrijfsuitbreiding, maar daarmee is niet gezegd dat daardoor sprake is van een buitensporige last en dat de gevolgen van het niet voor de peildatum volledig kunnen uitbreiden van de veestapel niet voor rekening van appellante dient te komen. Met verweerder acht het College daarbij van belang dat op het moment dat de investeringen in de bouw van een nieuwe stal in 2014 werden gedaan voorzienbaar was dat productiebeperkende maatregelen zouden kunnen volgen om de fosfaatuitstoot terug te brengen. Appellante heeft er desondanks voor gekozen de bouw van een nieuwe stal doorgang te laten vinden. Verweerder heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een bedrijfseconomische noodzaak om uit te breiden. De keuze van appellante om haar veestapel geleidelijk te laten groeien door eigen aanwas is een ondernemersbeslissing waarvan appellante in beginsel zelf het risico draagt. In zoverre onderscheidt appellante zich niet van andere melkveehouders die in het zicht van de afschaffing van het melkquotum wilden gaan uitbreiden. Gezien het moment waarop de investeringen zijn gedaan en het ontbreken van een noodzaak voor het doen van die investeringen, acht het College die beslissing, mede bezien in het licht van de afschaffing van het melkquotum en de maatregelen die in verband met die afschaffing te verwachten waren en waarover het College in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 23 juli 2019 (onder 6.7.5.4) heeft geoordeeld, niet navolgbaar.
Het College wil op basis van de door appellante overgelegde stukken wel aannemen dat zij financieel stevig wordt geraakt door de tenuitvoerlegging van de Regeling. Uit die stukken, waaronder het accountantsrapport van Van Oers Agro van 27 juni 2018, blijkt wat betreft de fosfaatreductie echter niet zonder meer en zonder nadere onderbouwing dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar komt.

5.5.

Gelet op het voorgaande heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een individuele buitensporige last en dat verweerder haar eigendomsrecht schendt als bedoeld in artikel 1 van het EP.
Het betoog faalt.

6. Appellante betoogt ten slotte terecht dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op haar specifieke omstandigheden. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. De door verweerder later alsnog gegeven motivering is namelijk wel deugdelijk en appellante heeft daarop voldoende kunnen reageren.
Slotsom

7. Het beroep is ongegrond. Gezien het in 6 geconstateerde motiveringsgebrek bestaat aanleiding te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed en verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. De proceskosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 525,00).

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,00 aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Hagen, in aanwezigheid van
mr. A.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 november 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.