Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:87

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
19/748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling); artikel 36a en 37 Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Kaderbesluit)

Appellante heeft verweerder op 11 januari 2019 verzocht de einddatum van het MIT R&D-samenwerkingsproject waarvoor verweerder haar subsidie heeft verleend, te wijzigen van 3 december 2018 in 19 december 2019. Het College is van oordeel dat verweerder dit verzoek terecht heeft afgewezen. Verweerder was gehouden dit verzoek af te wijzen op de grond dat wijzigingen na de einddatum van het project niet mogelijk zijn. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangevoerd dat er geen hardheidsclausule is op grond waarvan het ruim vijf weken te laat ingediende wijzigingsverzoek van appellante toch kan worden toegewezen. Volgens verweerder zou dat alleen mogelijk zijn bij zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot de conclusie dat het wijzigingsverzoek verschoonbaar te laat is ingediend. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in het geval van appellante niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/514
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussen

[naam 1] B.V. te [plaats] , appellante

(gemachtigden: A.H.M. van Aken en E.C. Kraaijveld),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W. Schilperoort).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante tot wijziging van de einddatum van het project waarvoor verweerder haar op grond van titel 3.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) subsidie heeft verleend, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019.

Overwegingen

1.1.

Bij besluit van 5 december 2017 (verleningsbesluit) heeft verweerder subsidie verleend voor het MIT R&D-samenwerkingsproject “All-in-one stabilisatiesysteem voor snelle jachten”. De subsidie is op aanvraag van appellante verleend aan appellante en haar toenmalige samenwerkingspartner [naam 2] B.V. Bij dat besluit zijn de startdatum en de einddatum van het project vastgesteld op respectievelijk 1 november 2017 en 1 november 2018. In het verleningsbesluit is vermeld dat gemaakte kosten voor die startdatum en na die einddatum niet voor subsidie in aanmerking komen. In het besluit is, onder verwijzing naar de bepalingen uit de Regeling en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Kaderbesluit), vermeld dat aan de subsidieverlening een aantal algemene voorwaarden en verplichtingen is verbonden. Als één van de belangrijkste verplichtingen is vermeld de verplichting dat de activiteiten in het project moeten worden uitgevoerd zoals ze in de aanvraag zijn beschreven en dat voor vertragen of op essentiële punten wijzigen van het project vooraf schriftelijk toestemming moet worden gevraagd aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

1.2.

Bij besluit van 26 februari 2018 (wijzigingsbesluit) heeft verweerder op verzoek van appellante het project vanaf 20 december 2017 tot 22 januari 2018 tijdelijk stopgezet en de samenwerkingspartner gewijzigd in [naam 3] B.V. In dit besluit is door de stopzetting de einddatum van het project nader vastgesteld op 3 december 2018.

1.3.

Appellante heeft verweerder (RVO) op 11 januari 2019 verzocht de einddatum van het project te wijzigen van 3 december 2018 in 19 december 2019 (wijzigingsverzoek). Als reden daarvoor heeft zij opgegeven dat het project tijdelijk stil ligt omdat het ontworpen prototype qua gewicht niet acceptabel is voor het geplande testschip en zij daarom op zoek is naar een nieuw testschip. Ze verwacht dat binnen enkele maanden te hebben gevonden, waarna het project kan worden voortgezet. Er is geen invloed op de begroting, de samenwerking met andere partijen en/of commerciële verwachtingen. De nieuwe verzochte einddatum wordt 19 december 2019.

1.4.

Bij het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen op de grond dat wijzigingen na de einddatum van het project niet mogelijk zijn.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de administratieve fout gemaakt om het verzoek om uitstel te laat heeft in te dienen. Zij stelt dat dit haar niet kan worden verweten. Het bedrijf verkeerde destijds in moeilijke omstandigheden door problemen met de eerdere partner. Rond kerst 2019 is er beslag gelegd op het bedrijf en door die omstandigheden is het wijzigingsverzoek aan de aandacht ontsnapt. Ook kan haar als klein MKB-bedrijf niet worden verweten dat zij de subsidieregeling niet heeft begrepen. Zij heeft aan de tekst van die regeling niet kunnen ontlenen dat het wijzigingsverzoek zou worden afgewezen. Een MIT-R&D project heeft een maximale looptijd van 24 maanden. Er was nog voldoende tijd voor verlenging en afronding binnen die tijd. Appellante ging er daarom van uit dat die verlenging zou worden verleend. Appellante achtte de bij de aanvraag ingediende projectplanning niet bindend omdat R&D projecten in de praktijk bijna altijd anders lopen. Verweerder had appellante, voordat de termijn verstreek, kunnen waarschuwen voor de gevolgen van het niet tijdig vragen van uitstel. Als zij had geweten dat ze eerder om uitstel had moeten vragen, had ze dat gedaan en in dat geval zou uitstel zijn verleend. De wijze waarop de regels worden toegepast, verschillen per uitvoerder van de subsidieregelingen. Als gevolg van het te laat indienen van het wijzigingsverzoek is geen uitstel verleend en moet een deel van de subsidie worden terugbetaald. Dat is buitenproportioneel en brengt het voortbestaan van het bedrijf in gevaar. RVO kent ook in andere procedures mogelijkheden om na de datum alsnog informatie aan te leveren zonder hiervoor te worden gestraft (bijvoorbeeld bij het indienen van de e-mededeling bij de WBSO). Appellante vraagt om coulance. Zij wil het project, dat enorme potentie heeft en een innovatie is waar de markt om staat te springen, succesvol afronden.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1.

In dit geding is de volgende regelgeving van belang.

Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Kaderbesluit)

Artikel 36a

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister zodra aannemelijk is dat:

a. de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of

b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 37

1 Indien de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een plan, voert de subsidieontvanger de activiteiten uit overeenkomstig dit plan. (…)

3 Onze Minister kan voor het vertragen of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen als omschreven in het plan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3.2.

In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder het wijzigingsverzoek terecht heeft afgewezen.

3.3.

Het wijzigingsverzoek is een verzoek om ontheffing van de verplichting van de subsidieontvanger om het plan waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig dat plan uit te voeren als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Kaderbesluit. Uit het derde lid van dat artikel volgt dat verweerder de bevoegdheid heeft om ontheffing te verlenen van deze verplichting indien appellante het wijzigingsverzoek voorafgaand aan de door haar gewenste wijziging bij verweerder heeft ingediend.

3.4.

Aan appellante is bij het verleningsbesluit subsidie verleend voor het bij haar subsidieaanvraag gevoegde projectplan. De einddatum van het project is bij het wijzigingsbesluit nader vastgesteld op 3 december 2018. Appellante heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat van die einddatum moet worden uitgegaan. Het wijzigingsverzoek is ingediend op 11 januari 2019. Verweerder was daarom gehouden het wijzigingsverzoek af te wijzen op de grond dat wijzigingen na de einddatum van het project niet mogelijk zijn (zie ook de uitspraak van het College van 10 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:371, overweging 4.1).

3.5.

Appellante heeft in bezwaar en beroep verzocht om coulance. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangevoerd dat er geen hardheidsclausule is op grond waarvan het ruim vijf weken te laat ingediende wijzigingsverzoek van appellante toch kan worden toegewezen. Volgens verweerder zou dat alleen mogelijk zijn bij zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot de conclusie dat het wijzigingsverzoek verschoonbaar te laat is ingediend. Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in het geval van appellante niet is gebleken. Niet valt in te zien dat appellante, zoals zij stelt, niet heeft kunnen begrijpen dat zij het wijzigingsverzoek had moeten indienen binnen de periode waarover subsidie is verleend. Dat volgt al uit het verleningsbesluit. Niet is gesteld of gebleken dat appellante het wijzigingsverzoek niet tijdig heeft kunnen indienen. Dat de einddatum door omstandigheden binnen het bedrijf van appellante aan haar aandacht is ontsnapt, baat haar niet. Verweerder was niet gehouden appellante op het naderen van de einddatum te attenderen.

3.6.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de voor het project verleende subsidie (ter hoogte van maximaal € 88.823,-) op verzoek van appellante in afwachting van de uitkomst van deze beroepsprocedure nog niet definitief is vastgesteld. De stukken daarvoor zijn nog niet ingediend. Voor zover appellante meent dat verweerder bij de vaststelling van de subsidie een belangenafweging dient te maken waarbij hij de belangen van appellante dient te betrekken, kan zij dit in dat kader aan de orde stellen.

3.7.

Het College is van oordeel dat verweerder het wijzigingsverzoek terecht heeft afgewezen. Wat appellante verder nog heeft aangevoerd leidt in het licht van het vorenstaande niet tot een ander oordeel.

3.8.

Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.

w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.W.E. Pinckaers