Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:869

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling fosfaatreductieplan 2017. Het College is van oordeel dat deelname aan de Stoppersregeling in een situatie zoals die van appellante niet tot een heffing behoort te leiden. Van belang daarbij is dat appellante zich al voor inwerkingtreding van de Regeling, te weten op 20 februari 2017, heeft aangemeld voor deelname aan de Stoppersregeling, de aanvraag op 14 april 2017 is goedgekeurd en appellante vervolgens aan de voorwaarden van de Stoppersregeling heeft voldaan en haar bedrijf per 1 juli 2017, dus voor het einde van de looptijd van de Regeling, heeft beëindigd. Naar het oordeel van het College had verweerder in dit bijzondere geval aanleiding moeten zien om de in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet neergelegde hardheidsclausule toe te passen, en aan appellante een ontheffing te verlenen van de verplichting tot het betalen van een geldsom.

Wetsverwijzingen
Regeling fosfaatreductieplan 2017
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4], te [plaats] , gemeente [gemeente] , hierna tezamen en in enkelvoud: appellante

(gemachtigde: mr. B.D. Bos),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Ramlal).

Procesverloop


Bij besluit van 16 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante een heffing opgelegd van € 11.645,- voor periode 1 en een bonusgeldsom toegekend van € 1.117,- voor periode 2. Voor de overige periodes heeft verweerder aan appellante een nulbeschikking opgelegd.

Bij besluit van 14 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2020. Namens appellante heeft [naam 3] , bijgestaan door haar gemachtigde, via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft eveneens via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1. De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen. Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer melkvee, uitgedrukt in grootvee-eenheden (GVE), houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder melkvee houdt dan het referentieaantal op de peildatum.

Feiten

2. Appellante exploiteerde tot 1 juli 2017 een melkveebedrijf. Zij heeft zich op 20 februari 2017 aangemeld voor deelname aan de Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij (de Stoppersregeling). Bij besluit van 14 april 2017 is de aanvraag goedgekeurd en heeft appellante tot 26 mei 2017 de tijd gekregen om haar melkvee te ruimen. Appellante heeft aan die voorwaarde voldaan. Het bedrijf van appellante is per 1 juli 2017 beëindigd.

3. Op de peildatum 2 juli 2015 hield appellante 68 melkkoeien en 74 stuks vrouwelijk jongvee. Verweerder heeft het referentieaantal van appellante bepaald op 93,14 GVE en aan appellante een heffing opgelegd voor periode 1 (maart‑april 2017) omdat zij in die periode meer runderen hield dan het referentieaantal. Verweerder heeft aan appellante een bonusgeldsom toegekend voor periode 2 (mei-juni 2017) omdat appellante in die periode minder runderen hield dan het referentieaantal. Voor de overige periodes heeft verweerder aan appellante een nulbeschikking opgelegd, omdat het bedrijf van appellante in die periodes niet meer als melkproducerend bedrijf actief was onder het bij verweerder bekende relatienummer.

Beroep

4. Appellante heeft opgemerkt dat de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Omdat zij daarbij niet heeft onderbouwd in welk opzicht, in haar visie, de reactie van verweerder in het bestreden besluit ontoereikend was, is deze opmerking onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar het College op dient in te gaan (zie ook de uitspraak van het College van 4 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:391). Het College gaat daar dan ook aan voorbij.

5. Appellante betoogt dat de Regeling niet op haar bedrijf van toepassing is, omdat zij heeft deelgenomen aan de Stoppersregeling. Zij voert hiertoe aan dat de Stoppersregeling en de Regeling beide deel uitmaken van het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017. Dit pakket bevat volgens appellante de keuze om het melkveebedrijf te beëindigen (de Stoppersregeling) of om de omvang van de veestapel te reduceren bij continuering van het bedrijf (de Regeling). Volgens appellante is het volstrekt onlogisch dat haar aanvraag voor de Stoppersregeling is goedgekeurd onder de voorwaarde dat op 26 mei 2017 al haar dieren afgevoerd moeten zijn en dat zij tegelijkertijd verplicht wordt om haar veestapel op grond van de Regeling te reduceren. Dit pakt volgens appellante onevenredig uit. Als zij in april 2017 aan de voorwaarden van de Regeling had moeten voldoen, had zij 25 gezonde dieren naar de slacht moeten afvoeren, terwijl onder de voorwaarden van de Stoppersregeling ook export is toegestaan. Het is niet voor niets dat de Stoppersregeling melkveehouders zes weken de tijd geeft om te stoppen met de bedrijfsvoering. Volgens appellante is sprake van strijd met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel. Zij stelt dat het haar niet bekend was en ook niet kon zijn dat zij naast de Stoppersregeling aan de voorwaarden van de Regeling moest voldoen. Volgens appellante staat dit nergens expliciet vermeld en heeft ook de Rijksdienst voor ondernemend Nederland haar daar geen uitsluitsel over kunnen geven. Zij is tijdens het traject nooit op de voorwaarden van de Regeling gewezen en ontving pas eind mei 2017, nadat haar bedrijf was beëindigd, voor het eerst een beschikking op grond van de Regeling. De onderbouwing van verweerder dat de Regeling van toepassing is op alle houders van een melkproducerend bedrijf en dat in de Stoppersregeling niet is aangegeven dat appellante niet aan de Regeling hoeft te voldoen, is volgens appellante te summier. Verder stelt appellante dat zij mocht uitgaan van de beschikking die zij in september 2017 heeft gekregen, inhoudende dat haar bedrijf buiten de werking van de Regeling is gesteld.
Subsidiair betoogt appellante dat, in het geval dat beide Regelingen naast elkaar kunnen bestaan, zij ook in de overige periodes van de Regeling (periode 3 tot en met 5) aanspraak kan maken op een bonusgeldsom.

5.1.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling luidt:
“1. In deze regeling wordt verstaan onder: a. houder: houder als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van runderen, die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking.”

5.2.

Artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet luidt als volgt:
“Onze Minister kan in door hem te bepalen gevallen of groepen van gevallen tot gehele of gedeeltelijke restitutie overgaan van hetgeen ingevolge het bepaalde krachtens het eerste lid is betaald en gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting tot het betalen van een geldsom.”

5.3.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante in periode 1 en 2 onder de werkingssfeer van de Regeling viel, omdat zij in die periodes nog runderen heeft gehouden en melk heeft geleverd. Appellante was daarmee een houder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Het College ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat beide regelingen niet naast elkaar zouden kunnen bestaan. Uit de Stoppersregeling noch uit de Regeling volgt dat het bepaalde in de Regeling niet van toepassing is of zou kunnen zijn op een melkveehouder die deelneemt aan de Stoppersregeling. Anders dan appellante veronderstelt, betekent dit niet dat een melkveehouder die deelneemt aan de Stoppersregeling gezonde runderen naar de slacht had moeten afvoeren. Het is op grond van de Regeling immers ook mogelijk om runderen te exporteren om aan de reductiedoelstellingen te voldoen. Anders dan appellante stelt kan zij voorts geen aanspraak maken op een bonusgeldsom voor de perioden 3 tot en met 5, omdat zij tijdens die periode geen melkveebedrijf meer uitoefende.

5.4.

Het College is echter van oordeel dat het strikt volgen van de Regeling in het geval van appellante onevenredige gevolgen met zich brengt, omdat appellante, na verrekening met de bonusgeldsom, met een heffing wordt geconfronteerd van in totaal € 10.528,-, terwijl zij met haar keuze om deel te nemen aan de Stoppersregeling ruimschoots heeft bijgedragen aan het terugbrengen van de fosfaatproductie in Nederland. Het College is van oordeel dat deelname aan de Stoppersregeling in een situatie zoals die van appellante niet tot een heffing behoort te leiden. Van belang daarbij is dat appellante zich al voor inwerkingtreding van de Regeling, te weten op 20 februari 2017, tijdens de eerste openstellingsperiode heeft aangemeld voor deelname aan de Stoppersregeling, de aanvraag op 14 april 2017 is goedgekeurd en appellante vervolgens aan de voorwaarden van de Stoppersregeling heeft voldaan en haar bedrijf per 1 juli 2017, dus voor het einde van de looptijd van de Regeling, heeft beëindigd. Naar het oordeel van het College had verweerder in dit bijzondere geval aanleiding moeten zien om de in artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet neergelegde hardheidsclausule toe te passen, en aan appellante een ontheffing te verlenen. Het College acht het daarbij redelijk dat de verschuldigde heffing voor periode 1 wordt teruggebracht tot een bedrag van € 1.117,-. Voor appellante betekent dit feitelijk dat zij, na verrekening met de bonusgeldsom, in het kader van de Regeling niets hoeft te betalen, maar ook niets krijgt.

5.5.

Het betoog slaagt. Aan hetgeen appellante verder nog heeft aangevoerd, wordt niet meer toegekomen.

Slotsom

6. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met artikel 13, derde lid, van de Landbouwwet, het primaire besluit herroepen voor zover daarbij aan appellante een heffing is opgelegd voor periode 1 en, zelf voorziend, bepalen dat appellante voor periode 1 een heffing van € 1.117,- verschuldigd is.

7. Tot slot zal het College verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte kosten van bezwaar en beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 2.100,-, te weten de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,-)

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover daarbij aan appellante een heffing is opgelegd voor periode 1;

- stelt de heffing voor periode 1 vast op € 1.117,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Daalder in aanwezigheid van mr. A. Koelewijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.