Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:865

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/875
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3586, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete. Hoger beroep. Onvoldoende rekening houden met weersomstandigheden bij vervoer van dieren. Het College herhaalt de eis van minimale gedetailleerdheid van een boeterapport. Geen overtreding wegens het berokkenen van waarschijnlijk letsel of waarschijnlijk onnodig lijden. Wel overtreding wegens onvoldoende ventilatie. Geen aanleiding de boete te matigen.

Wetsbepaling: artikel 3 en artikel 6, derde lid, in samenhang met bijlage I, hoofdstuk III, punt 2.6 van de Transportverordening (EG 1/2005), artikelen 6.2 en 8.8 van de Wet dieren, artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Wetsverwijzingen
Wet dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/875

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2020 op het hoger beroep van:

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2], te [plaats 1] , appellant,

(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2019, kenmerk ROT 18/2123, in het geding tussen

appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister),

(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 8 mei 2019 (niet gepubliceerd).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 3] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij besluit van 24 maart 2017 (het primaire besluit) heeft de minister appellant een boete opgelegd van € 1.500,- vanwege een overtreding van de Wet dieren. Het beboetbare feit betreft het vervoeren of laten vervoeren van dieren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de weersomstandigheden.

1.3

Bij zijn besluit van 8 maart 2018, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd (het bestreden besluit). Volgens het bestreden besluit heeft appellant artikel 3, aanhef, en artikel 6, derde lid, in samenhang met Bijlage I, hoofdstuk III, punt 2.6, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (de Transportverordening) overtreden.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiser’ appellant moet worden gelezen en voor ‘verweerder’ de minister:

“1.3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 1 februari 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport is onder meer het volgende geschreven: (…)

Daarnaast is in het rapport van bevindingen opgenomen dat de ploegleider van brandweerkorps [plaats 2] tegenover de toezichthouders het volgende heeft verklaard: “Wij waren omstreeks 16:20 uur ter plaatse van de meldlocatie. Ik zag dat de ventilatoren in de zijkant van de vee-aanhangwagen niet in gebruik waren. Ik zag dat er waterbakjes aanwezig waren in de laadruimte van de vee-aanhangwagen. Ik zag dat deze waterbakjes geen water bevatten en leeg waren. Ik zag dat op de vee-aanhangwagen in het voorste vak 6 runderen los liepen. Ik zag dat deze 6 runderen weinig bewegingsruimte hadden. Ik zag dat er achterin de vee-aanhangwagen nog 3 runderen vastgebonden stonden. Deze runderen waren aan een stang ter hoogte van de ventilatieopening vastgebonden. Ik zag dat enkele runderen met de neus naar buiten gedrukt stonden om frisse lucht te krijgen. Ik zag dat enkele runderen schuim om de bek hadden. Omdat de achterklep niet naar beneden gekanteld kon worden, deze achterklep werkt middels oliedruk, besloten we om de vee-aanhangwagen terug te koelen met het waterkanon. De vee-aanhangwagen werd middels een sproeistraal uit de aanwezige brandkraan nat gespoten.”

Ook is in het rapport van bevindingen opgenomen dat melder [naam 4] tegenover de toezichthouders het volgende heeft verklaard: “Ik heb op woensdag 24 augustus 2016, omstreeks 15:41 uur melding bij politie gedaan via 0900-8844. Ik zag dat één van de runderen met de kop naar buiten stak. Ik zag het wit van de ogen. De ogen draaiden. Ik ben er 2 maal langs gereden om te zien of de aanhanger geladen was met runderen.”
Vervolgens concludeert de toezichthouder in het rapport van bevindingen het volgende: “Gezien de omstandigheden en gelet op de getuige verklaringen en daarnaast de extreme temperatuur op die dag is er een ernstige aantasting van het welzijn van de 3 kort aangebonden runderen achterop de aanhangwagen ontstaan. (…) Er is door organisator niet regelmatig gecontroleerd naar de omstandigheden van de dieren op de aanhangwagen, gelet op de extreme weersomstandigheden. Onvoldoende ventilatie tijdens het vervoer, waarbij ook niet volledig aan de behoeften kon worden voldaan doordat dieren waren vastgebonden.”

(…)

2.2.

In het rapport van bevindingen concluderen de toezichthouders dat gezien de omstandigheden, de getuigenverklaringen en de extreme temperatuur die dag, een ernstige aantasting van het welzijn van de drie kort aangebonden runderen is ontstaan. Volgens de toezichthouders is niet regelmatig gecontroleerd op de omstandigheden van de dieren gelet op de extreme weersomstandigheden, was er onvoldoende ventilatie en kon niet volledig aan de behoefte van de dieren worden voldaan doordat dieren waren vastgebonden. De rechtbank ziet in het rapport van bevindingen en de daarbij gevoegde foto’s en het proces-verbaal van de politie geen grond om aan de juistheid van de constateringen van de toezichthouders te twijfelen. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de bevindingen en de conclusies van de toezichthouders onjuist zijn. Allereerst is niet in geschil dat sprake was van hoge temperaturen die dag en dat een wagen van eiser met daarin runderen voor een bepaalde duur

in de zon stond, zonder toezicht. Voorts volgt uit het rapport van bevindingen dat de twee toezichthouders hebben waargenomen dat drie runderen in de wagen kort aangebonden stonden en niet bij de drinkbakjes konden. Voor zover eiser dit betwist ziet de rechtbank in het gestelde door eiser geen aanleiding om aan deze constatering van de toezichthouders te twijfelen. Daarbij zij nog opgemerkt dat ook in het proces-verbaal van de politie is opgenomen dat de betreffende agenten zagen dat drie koeien vastgebonden stonden en weinig tot geen bewegingsvrijheid hadden en dat bij het rapport ook een foto is gevoegd waarop (kort) aangebonden runderen zichtbaar zijn. Daarnaast is niet in geschil dat de ventilatoren op de wagen niet in werking waren. Dat de elektrische ventilatie alleen werkt als de aanhangwagen is gekoppeld aan een trailer of vrachtwagen, is geen grond om te concluderen dat dan, gegeven de omstandigheden, het enkel openen van de ventilatieroosters afdoende is om aan de behoeften van de dieren te voldoen. Zoals volgt uit punt 2.6 van hoofdstuk III van bijlage I van de Transportverordening moet eiser als transporteur voor voldoende ventilatie zorgen zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en het soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens het transport. Gelet op de beschrijvingen van de toezichthouders en de getuigenverklaringen in het rapport van bevindingen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de constatering van de toezichthouders dat de ventilatie voor de dieren, gegeven de omstandigheden, onvoldoende was.

2.3.

Gelet op het voorgaande staat in voldoende mate vast dat (een chauffeur van) eiser bij hoge temperaturen een wagen met dieren heeft achtergelaten in de volle zon, zonder dat toezicht op (het welzijn van) de dieren werd gehouden, dat drie dieren in de wagen kort aangebonden stonden en dat sprake was van onvoldoende ventilatie voor de dieren gegeven de omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee in voldoende mate vast dat eiser dieren op zodanige wijze heeft vervoerd dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden heeft berokkend.

2.4.

Voorts kan niet worden geconcludeerd dat het beboetbare feit eiser niet kan worden verweten. Eisers stelling dat andere dieren in een stal of weiland het die dag minder comfortabel hadden dan de runderen in de wagen van eiser, wat daar ook van zij, treft geen doel. Het ontslaat eiser immers niet van de verplichting als vervoerder om de dieren geen letsel of onnodig lijden te berokkenen, zoals overigens ook geldt voor de houder van dieren in een stal of weiland. Voorts lijkt eiser te stellen al het nodige voor het welzijn van de dieren te hebben gedaan, maar de rechtbank volgt dit, gezien de inhoud van het rapport van bevindingen, niet. Dat de chauffeur enige maatregelen zou hebben genomen om aan het welzijn van de dieren tegemoet te komen, zoals het gestelde verhogen van de vloer en het openen van de ventilatieopeningen, neemt niet weg dat niet is voorkomen dat de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden is berokkend. De door eiser gestelde genomen maatregelen waren in dit geval onvoldoende en niet is gebleken dat eiser verder geen mogelijkheden had of andere keuzes had kunnen maken om letsel of onnodig lijden te voorkomen (te denken valt bijvoorbeeld aan plaatsing van de aanhanger in de schaduw, niet vastbinden van de dieren, middels een accu of anderszins in werking stellen van de elektrische ventilatie of het direct vervoeren van de dieren naar hun plaats van bestemming).

2.5.

Gelet op het voorgaande verwijt verweerder eiser terecht dieren te hebben vervoerd op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden heeft berokkend. Daarmee heeft eiser een overtreding begaan van artikel 3 van de Transportverordening. Het betoog van eiser dat voor het opleggen van de boete moet zijn vastgesteld dat de dieren (daadwerkelijk) letsel of onnodig lijden is berokkend, slaagt niet. In artikel 3 van de Transportverordening is namelijk het volgende opgenomen: “het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent”. De Transportverordening spreekt dus zelf van “waarschijnlijk”. Voor zover eiser stelt dat het woord “waarschijnlijk” alleen ziet op “letsel” en niet op “onnodig lijden”, volgt de rechtbank dit niet. Uit andere taalversies van de Transportverordening blijkt namelijk dat het woord “waarschijnlijk” op beide onderdelen betrekking heeft. Zo staat er in de Engelse versie: “no person shall transport animals or cause animals to be transported in a way likely to cause injury or undue suffering to them”, in de Duitse versie: “niemand darf eine Tierbeförderung durchführen oder veranlassen, wenn den Tieren dabei Verletzungen oder unnötige Leiden zugefügt werden könnten” en in de Franse versie: “nul ne transporte ou ne fait transporter des animaux dans des conditions telles qu'ils risquent d'être blessés ou de subir des souffrances inutiles”.

2.6.

Naast overtreding van het algemene voorschrift van artikel 3 van de Transportverordening, heeft verweerder eveneens terecht overtreding van het specifieke voorschrift van punt 2.6 van bijlage I, hoofdstuk III, van de Transportverordening vastgesteld. In punt 2.6 staat onder meer dat voor voldoende ventilatie moet worden gezorgd zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en soort dieren en de verwachte weersomstandigheden. Zoals hiervoor is overwogen staat in voldoende mate vast dat de ventilatie onvoldoende was. In artikel 6, derde lid, van de Transportverordening staat dat de vervoerders de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I vervoeren, waaronder dus het voorschrift van punt 2.6. Anders dan eiser stelt volgt uit artikel 6, derde lid, en punt 2.6 niet dat dit slechts technische eisen aan het vervoermiddel betreffen; de voorschriften zien op het vervoer. Dat de wagen aan alle technische eisen voldeed, zoals eiser stelt, maakt bovendien nog niet dat het gebruik van de wagen en het vervoer ook in overeenstemming was met de voorschriften.

(…)

3. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser artikel 3, artikel 6, derde lid, en bijlage I, hoofdstuk III, punt 2.6 van de Transportverordening heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren, artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en de Bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren was verweerder bevoegd voor deze overtreding een boete van € 1.500,- op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete.”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.
Appellant betoogt dat hij op de extreem warme dag van 24 augustus 2016 heeft geprobeerd het de acht runderen zo comfortabel mogelijk te maken. Zo stonden er maar acht dieren op de aanhangwagen met een geïsoleerd dak, was er meer dan voldoende water aanwezig, stonden de ventilatieroosters allemaal tegen elkaar open en was de laadvloer omhoog gezet. Appellant wijst er op dat de dieren niet direct begonnen te drinken toen hun water werd aangeboden en dat de toezichthouders ruimschoots de tijd hebben genomen voor hun onderzoek, waardoor de dieren nog langer in de hitte hebben gestaan. De gemeten temperaturen bij de dieren zijn lager dan de normale lichaamstemperatuur, zodat daaruit niet valt af te leiden dat de dieren het heel warm hadden. Wat betreft de omstandigheid dat drie runderen kort aangebonden waren, wijst appellant er op dat niet is geconstateerd dat hij in strijd heeft gehandeld met punt 1.11 van bijlage I, hoofdstuk III, van de Transportverordening. Appellant betoogt dat het er niet om gaat of de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden is berokkend, maar om de vaststelling dat de dieren letsel of onnodig lijden is berokkend. De rechtbank motiveert niet waarom sprake is van onnodig lijden. Volgens appellant hebben de dieren niet onnodig geleden.

4. De minister stelt dat de gemeten temperaturen niet aangeven hoe warm de dieren het hadden, maar een indicatie geven van de omgevingstemperatuur binnen de vervoerswagen. Tegenover het betoog van appellant dat de ventilatoren en het plaatsen van de wagen in de schaduw geen effect zouden hebben gehad door respectievelijk de warme lucht en het geïsoleerde dak, stelt de minister dat door het plaatsen van de wagen in de zon een maximale energietoevoer plaatsvond, dat de dakisolatie weliswaar remmend werkt maar niet heeft kunnen verhinderen dat het warmer is geworden in de wagen alsmede dat de warmte vanwege het gebrek aan ventilatie niet tot nauwelijks kon worden afgevoerd. De minister verwijst naar het rapport van bevindingen wat betreft de stelling over de kort aangebonden runderen. Hoewel drinkwater tijdens een kort transport niet verplicht is, ligt het volgens de minister op de weg van appellant om ervoor te zorgen dat de dieren niet onnodig lijden wordt berokkend.

5.1

Voor de beoordeling van deze zaak gaat het College uit van het wettelijk kader zoals dat is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

5.2

Het College stelt vast dat de minister ter zitting heeft gespecificeerd dat de opgelegde boete betrekking heeft op de drie runderen die kort aangebonden waren en niet op de overige runderen. De minister heeft een overtreding van twee voorschriften genoemd als grondslag voor de boete. Het gaat om artikel 3, aanhef, van de Transportverordening en om artikel 6, derde lid, samen met punt 2.6 van Bijlage I, hoofdstuk III van de Transportverordening. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft vastgesteld dat appellant beide voorschriften heeft overtreden. Appellant heeft ook in hoger beroep betwist dat hij beide voorschriften heeft overtreden. Het College zal voor elk voorschrift beoordelen of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de vaststelling van de minister dat appellant het betreffende voorschrift heeft overtreden, terecht was.

Overtreding van artikel 3, aanhef, van de Transportverordening

6.1

Artikel 3, aanhef, van de Transportverordening bepaalt dat het is verboden om dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. De rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat voor het opleggen van een boete op grond van deze bepaling niet hoeft te zijn vastgesteld dat de dieren (daadwerkelijk) letsel of onnodig lijden is berokkend, waarbij het woord “waarschijnlijk” niet alleen ziet op “letsel” maar ook op “onnodig lijden”. Mede gelet op de verschillende taalversies van de Transportverordening die de rechtbank bij deze uitleg heeft betrokken, ziet het College geen aanleiding voor een andere uitleg van deze bepaling dan de rechtbank heeft gedaan.

6.2

Het College ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of appellant de drie kort aangebonden runderen op zodanige wijze heeft vervoerd, dat hij de runderen waarschijnlijk letsel of waarschijnlijk onnodig lijden heeft berokkend. Hierbij neemt het College als uitgangspunt dat weliswaar niet hoeft te worden vastgesteld dat sprake is van letsel of onnodig lijden, maar ook voor de vaststelling dat sprake is van waarschijnlijk letsel of waarschijnlijk onnodig lijden zal het bewijs dat aan de boeteoplegging ten grondslag is gelegd een voldoende feitelijke en gedetailleerde omschrijving moeten bevatten over de conditie waarin de dieren verkeerden en het gedrag dat zij vertoonden. Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juni 2020, ECLI:NL:CBB 2020:376) dient een boeterapport te voldoen aan de eis van voldoende minimale gedetailleerdheid. De bevindingen die zijn weergegeven in het rapport van bevindingen van 1 februari 2017 hebben betrekking op de omstandigheden waaronder de drie betreffende runderen zich in de wagen bevonden, te weten dat de wagen bij een temperatuur van bijna 30 graden gedurende anderhalf uur in de volle zon stond, terwijl de ventilatie van de wagen niet in werking was en de drie runderen kort aangebonden waren waardoor ze de waterbak niet konden bereiken. Het rapport van bevindingen noch een ander document in het dossier bevat echter een feitelijke en gedetailleerde omschrijving van hetgeen de toezichthouders bij de controle hebben waargenomen omtrent de conditie van de drie runderen of het gedrag dat deze runderen vertoonden. Evenmin bevindt zich in het dossier een verklaring van een dierenarts die naderhand aan de hand van de gegevens die in het dossier aanwezig zijn een verklaring geeft over de waarschijnlijke conditie van de runderen. Daar komt bij dat de minister de in hoger beroep herhaalde stelling van appellant dat de runderen niet direct begonnen te drinken toen hun water werd aangeboden, niet heeft weersproken. Weliswaar bevat het rapport van bevindingen een beschrijving van runderen die met hun neus naar buiten gedrukt stonden om frisse lucht te krijgen, van enkele runderen met schuim om de bek en van een rund met draaiende ogen dat met de kop naar buiten stak, maar niet is duidelijk dat het hier ging om de drie aangebonden runderen waarop volgens de specificering door de minister ter zitting de opgelegde boete betrekking heeft. Voorts heeft deze beschrijving geen betrekking op waarnemingen van de toezichthouders zelf maar gaat het om verklaringen van de ploegleider van het brandweerkorps en de melder, die geen deskundigen zijn op het gebied van dierenwelzijn. Aan voornoemde eis van minimale gedetailleerdheid is niet voldaan. Onder deze omstandigheden staat naar het oordeel van het College onvoldoende vast dat appellant de drie kort aangebonden runderen waarschijnlijk letsel of waarschijnlijk onnodig lijden heeft berokkend.

6.3

Het College is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant artikel 3, aanhef, van de Transportverordening heeft overtreden.

Overtreding van artikel 6, derde lid, in samenhang met punt 2.6 van Bijlage I, hoofdstuk III van de Transportverordening

7.1

Artikel 6, derde lid, in samenhang met punt 2.6 van Bijlage I, hoofdstuk III van de Transportverordening bepaalt dat de vervoerder voor voldoende ventilatie zorgt zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, rekening houdend met de weersomstandigheden.

7.2

Het College is met de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat appellant artikel 6, derde lid, in samenhang met punt 2.6 van Bijlage I, hoofdstuk III van de Transportverordening heeft overtreden. Het valt onder de verantwoordelijkheid van appellant om te zorgen voor voldoende ventilatie, rekening houdend met de weersomstandigheden en gelet op de behoefte van zijn runderen. Appellant heeft hieraan niet voldaan door na te laten de ventilatoren in werking te stellen terwijl de aanhangwagen gedurende anderhalf uur in de volle zon werd geparkeerd bij een temperatuur van bijna 30 graden. Gelet hierop heeft appellant niet voldaan aan voornoemd voorschrift.

De hoogte van de boete

8.1

De hoogte van de bestuurlijke boete die kan worden opgelegd wegens overtreding van artikel 3 en artikel 6 van de Transportverordening is op grond van artikel 8.8 van de Wet dieren wettelijk vastgelegd in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving) en de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (Regeling handhaving). In de bijlage bij de Regeling handhaving zijn overtredingen van artikel 3 en artikel 6 van de Transportverordening allebei aangemerkt als een categorie 2 overtreding. Op grond van artikel 2.2 van het Besluit handhaving is de hoogte van de boete bij een dergelijke overtreding € 1.500,-.

8.2

Het College ziet geen aanleiding om deze boete te matigen. Het College neemt hierbij het volgende in aanmerking. Ingevolge artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals het College onder meer heeft geoordeeld in de uitspraak van 23 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:167, brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen vormt artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit handhaving, gelezen in samenhang met artikel 1.2 van de Regeling handhaving, voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Het College is van oordeel dat de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Hierbij heeft het College in aanmerking genomen dat appellant zijn runderen in de aanhangwagen, onder zeer warme weersomstandigheden, anderhalf uur onbeheerd heeft achtergelaten. Appellant heeft bovendien geen omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven om de boete te matigen of te schrappen en ook het dossier geeft daartoe geen aanleiding. De omstandigheid dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant artikel 3, aanhef, van de Transportverordening heeft overtreden, levert op zichzelf geen reden op om de boete te matigen, omdat dit onverlet laat dat de minister heeft kunnen concluderen dat artikel 6 van de Transportverordening is overtreden en dat de hoogte van de opgelegde boete overeenkomt met de wettelijk voorgeschreven hoogte ervan.

9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de overtreding van artikel 3 van de Transportverordening. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep van appellant tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover de minister heeft vastgesteld dat appellant artikel 3 van de Transportverordening heeft overtreden en het primaire besluit in zoverre herroepen.

10. Het College veroordeelt de minister in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.150,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het betreft de overtreding van artikel 3 van de Transportverordening;

  • -

    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover de minister heeft vastgesteld dat appellant artikel 3 van de Transportverordening heeft overtreden;

  • -

    herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 429,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.150,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.S.J. Albers en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

w.g. M.M. Smorenburg De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Bijlage

De van toepassing zijnde wettelijke voorschriften luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

De Transportverordening

“Artikel 3 Algemene voorwaarden voor het vervoer van dieren

Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.

(…)

Artikel 6 Vervoerders

(…)

3. De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.

(…)

Bijlage I Technische voorschriften

(als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a)

(…)

Hoofdstuk III VERVOERMETHODEN

(…)

2. Tijdens het vervoer

(…)

2.6.

Er moet voor voldoende ventilatie gezorgd worden zodat volledig aan de behoeften van de dieren wordt voldaan, met name rekening houdend met het aantal en het soort van de te vervoeren dieren en de verwachte weersomstandigheden tijdens het transport. Containers moeten zodanig worden gestuwd dat de ventilatie niet wordt belemmerd.”

Wet dieren

“Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.”

“Artikel 8.8 Hoogte bestuurlijke boete

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

(…)”

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

“Artikel 2.2. Boetecategorieën

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:

(…)

b. categorie 2: € 1500;”

Regeling houders van dieren

“Artikel 4.8. Verbodsbepalingen

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen:

– 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005;”

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

“Artikel 1.2. Indeling categorieën bestuurlijke boete

De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.

(…)

Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

(…)

Regeling houders van dieren categorie

(…)

Artikel 4.8, voor zover dat artikel betrekking heeft op de 2

artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 12 alsmede Bijlagen I, II en IV,

voor zover genoemd in de genoemde artikelen, van

verordening (EG) nr. 1/2005”