Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:864

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Geen geslaagd beroep op de knelgevallenregeling. Het fosfaatrecht op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 was echter niet 5% lager dan op de alternatieve peildatum van 31 december 2012, zodat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van de knelgevallenregeling

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. van Gellekom)

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Verweerder heeft op 30 maart 2018 een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Namens appellant heeft deelgenomen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen (de 5%-drempel), het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).

Feiten

2.1

Appellant exploiteert een melkveehouderij.

2.2

Op 31 december 2012 waren er 66 melk- en kalfkoeien en 53 stuks jongvee op het bedrijf van appellant aanwezig. Op 2 juli 2015 waren er 68 melk- en kalkkoeien en 53 stuks jongvee op het bedrijf van appellant aanwezig.

Besluiten van verweerder

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.597 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.641 kg omdat door appellante is aangetoond dat in het primaire besluit van een te lage melkproductie was uitgegaan. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast.

Beroepsgronden

4. Appellant voert aan dat verweerder de knelgevallenregeling onjuist heeft toegepast. Appellant heeft in 2012 besloten om zijn melkveebestand uit te breiden. Het streven was om te groeien naar 114 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee. Appellant heeft er, mede op advies van de dierenarts, voor gekozen te groeien met eigen aanfok omdat de gezondheidsstatus van het bedrijf hoog was. Onder meer omdat appellant fysieke problemen had is hij met ingang van 11 januari 2013 overgestapt op het melken met behulp van twee melkrobots. Daardoor kregen veel koeien last van uierontsteking als gevolg waarvan waardoor appellant 30 melkkoeien heeft moeten afvoeren. Omdat de besmettingsgraad in de stal te hoog was is het appellant afgeraden nieuwe koeien te kopen. Op de peildatum van 2 juli 2015 was de beoogde stalcapaciteit daarom nog niet benut. Appellant wil daarom een verhoging van zijn fosfaatrecht. Het fosfaatrecht moet volgens appellant worden vastgesteld op basis van de omvang van zijn veestapel zoals deze volgens appellant zonder diergezondheidsproblemen op 2 juli 2015 zou zijn geweest, namelijk 114 melk- en kalfkoeien met bijbehorend jongvee.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder stelt dat geen sprake is van een onjuiste toepassing van de knelgevallenregeling door de dieraantallen op de peildatum te vergelijken met de dieraantallen op een alternatieve peildatum die ligt voor het intreden van de bijzondere omstandigheid. Alhoewel in de tabel in het bestreden besluit abusievelijk de datum 31 december 2014 is vermeld is verweerder bij de vergelijking wel uitgegaan van de door appellant opgegeven alternatieve peildatum van 31 december 2012. Appellant voldoet niet aan de voorwaarde dat het aantal fosfaatrechten op de peildatum minimaal 5% lager moet zijn vastgesteld dan wanneer er rekening was gehouden met de bijzondere omstandigheid. In het geval van appellant was er zelfs sprake van groei op de peildatum van 2 juli 2015. Met niet gerealiseerde uitbreidingsplannen houdt verweerder bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening.

Beoordeling

6. Naar het oordeel van het College heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, van de Msw. Niet in geschil is dat er sprake was van dierziekte op het bedrijf van appellant vanaf januari 2013. Het fosfaatrecht op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015 was echter niet 5% lager dan op de alternatieve peildatum van 31 december 2012, zodat appellant niet voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van de knelgevallenregeling. Zoals het College in zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NLCBB:2019:4, onder 5.2) heeft geoordeeld en in de uitspraak van 11 juni 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:232, onder 4.1) heeft bevestigd, wordt bij de toepassing van de knelgevallenregeling geen rekening gehouden met op de peildatum (nog) niet gerealiseerde uitbreidingsplannen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum.

Slotsom

7.1

Het beroep is ongegrond

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. T. Kuiper

de uitspraak te ondertekenen