Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2020:861

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
19/645
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het infrastructurele project heeft geleid tot het lager vastgestelde aantal fosfaatrechten op de peildatum. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt dat de dieraantallen gedurende heel 2013 en 2014 fluctueerden. Ook na de alternatieve peildatum van 1 oktober 2013 is geen duidelijke afname van het aantal dieren te zien. In sommige maanden na de alternatieve peildatum is zelfs een toename van het aantal dieren te zien. Dit is door appellant niet betwist. Anders dan appellant betoogt, kan uit deze stukken dan ook niet worden opgemaakt dat het aantal dieren op de peildatum lager is dan op de alternatieve peildatum als rechtstreeks gevolg van de infrastructurele werkzaamheden. Appellant ontvangt schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/645

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Meijer),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.

Bij besluit van 5 februari 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard.

Op 17 februari 2018 heeft verweerder een melding bijzondere omstandigheden van appellant ontvangen.

Bij besluit van 20 september 2018 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en het fosfaatrecht van appellant lager vastgesteld.

Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het herzieningsbesluit ongegrond verklaard en daarbij tevens beslist omtrent de melding.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 oktober 2019 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit II vervangen en het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het fosfaatrecht van appellant hoger vastgesteld en appellant een dwangsom van € 1.260,- toegekend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Appellant is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het ter zitting door appellant ingediende verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1

Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.

1.2

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) verhoogt de minister, indien op een bedrijf op 2 juli 2015 tijdelijk minder melkvee werd gehouden of over minder fosfaatruimte werd beschikt door de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur, op verzoek van de landbouwer het fosfaatrecht dat uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de wet, wordt vastgesteld. Ingevolge het tweede lid bedraagt de verhoging het aantal kilogrammen fosfaat waarvan de landbouwer aannemelijk heeft gemaakt dat deze zonder de in het eerste lid omschreven omstandigheden in de vaststelling van het fosfaatrecht zouden zijn betrokken. Het derde lid bepaalt dat deze verhoging niet plaats vindt indien deze kleiner is dan 5 procent van het fosfaatrecht dat wordt vastgesteld uit hoofde van artikel 23, derde lid, van de wet.

Feiten

2.1

Appellant exploiteert onder meer een vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijf.

2.2

Op 2 juli 2015 waren 7 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 9 stuks jongvee van 1 jaar en ouder op het bedrijf aanwezig.

Besluiten van verweerder en omvang van het geschil

3.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 243 kg. Bij het herzieningsbesluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 129 kg. Bij het vervangingsbesluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 265 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren.

3.2

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep tegen het bestreden besluit II mede betrekking op het vervangingsbesluit. Nu het bestreden besluit II is vervangen door het vervangingsbesluit en gesteld noch gebleken is dat appellant nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit II, zal het beroep daartegen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beroepsgronden

4. Appellant voert aan dat verweerder zijn beroep op de knelgevallenregeling ten onrechte heeft afgewezen. Er is sprake van een buitengewone omstandigheid als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw. Appellant heeft immers ten behoeve van de aanleg van het infrastucturele project [project] in 2014 en 2015 tijdelijk 3.04.05 ha (pacht-)grond afgestaan aan [naam 2] . Als gevolg hiervan had appellant op 2 juli 2015 kleinere aantallen jongvee dan anders het geval zou zijn geweest. Ten onrechte heeft verweerder geen rekening gehouden met de omstandigheid dat appellant een “vermeerderingsbedrijf” heeft en dat zijn bedrijfsvoering zodanig is ingericht dat er pieken en dalen zijn in het aantal dieren dat gedurende een jaar op het bedrijf aanwezig is. Dit betekent volgens appellant dat uit dient te worden gegaan van verschillende peildata (1 januari voor de jaarlijkse dalperiode en 2 juli voor de piekperiode). Tot slot wijst appellant er op dat er sowieso een verband is tussen het houden van dieren en de hoeveelheid grond en dat bij een extensief bedrijf als het zijne causaliteit moeilijk is aan te tonen.

Standpunt van verweerder

5. Verweerder erkent dat zich in het geval van appellant een bijzondere omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw. Verder stelt verweerder vast dat het aantal fosfaatrechten op 2 juli 2015 minstens 5% lager is dan op de alternatieve peildatum 1 oktober 2013. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het lagere fosfaatrecht op 2 juli 2015 het gevolg is van de bijzondere omstandigheid die zich voordeed. Verweerder stelt hieromtrent - samengevat - dat vanaf april/mei 2015 weliswaar sprake is van een kortdurende daling van de aantallen jongvee, maar dat deze daling geen (aantoonbaar) verband heeft met de alternatieve peildatum van 1 oktober 2013 of met de aanleg van [project] , nu in 2014 is begonnen met de aanleg daarvan en appellant in 2014 en 2015 daarvoor grond heeft afgestaan.Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat de fluctuaties in de veestapel van appellant van structurele aard zijn - namelijk verband houden met de reguliere bedrijfsvoering van een zoogkoeienbedrijf met periodiek verkoop van een aantal stuks vee- en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dalingen in de veebezetting het rechtstreekse gevolg zijn van de aanleg van [project] .

Beoordeling

6.1

Het College stelt vast dat niet in geschil is dat appellant te maken heeft gehad met de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur. Ook is niet in geschil dat appellant op 2 juli 2015 minimaal 5% minder vee hield dan op de alternatieve peildatum van 1 oktober 2013.

6.2

Het College is van oordeel dat appellant aan artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit geen aanspraak op verhoging van zijn fosfaatrecht kan ontlenen.Verweerder heeft in dat verband met juistheid aangevoerd dat appellant niet voldoet aan de voor de toepassing van die wettelijke bepaling geldende voorwaarde dat de realisatie van een natuurgebied of de aanleg of onderhoud van publieke infrastructuur de oorzaak is van een tijdelijk lager aantal dieren (of kleinere fosfaatruimte). Het geschil spitst zich toe op de vraag of het infrastructurele project [project] heeft geleid tot het lager vastgestelde aantal fosfaatrechten op de peildatum. De bewijslast hiervan berust op appellant. Het door appellant daartoe aangebrachte bewijs schiet echter tekort. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt dat de dieraantallen gedurende heel 2013 en 2014 fluctueerden. Ook na de alternatieve peildatum van 1 oktober 2013 is geen duidelijke afname van het aantal dieren te zien. In sommige maanden na de alternatieve peildatum is zelfs een toename van het aantal dieren te zien. Dit is door appellant niet betwist. Anders dan appellant betoogt, kan uit deze stukken dan ook niet worden opgemaakt dat het aantal dieren op de peildatum lager is dan op de alternatieve peildatum als rechtstreeks gevolg van de infrastructurele werkzaamheden. De beroepsgrond van appellant slaagt niet.

6.3.1

Het College stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 17 januari 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met afgerond elf maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding.

6.3.2

Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten veertien maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding toe te rekenen aan zowel verweerder als het College. De veroordeling tot vergoeding van de immateriële schade moet naar evenredigheid worden berekend. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van acht maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – acht maanden – voor rekening van verweerder komt en het resterende deel – drie maanden – voor rekening van de Staat. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 727,27 (8/11 x € 1000,-) aan appellant en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 272,73 (3/11 x € 1000,-) aan appellant.

Slotsom

7.1

Het beroep tegen het bestreden besluit II is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het vervangingsbesluit is ongegrond.

7.2

Gelet op het door verweerder na het instellen van het beroep genomen vervangingsbesluit, ziet het College aanleiding te bepalen dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden.

7.3

Het College zal het verzoek om immateriële schadevergoeding toewijzen.

7.4

Het College zal verweerder en de Staat, ieder voor de helft, veroordelen in de proceskosten inzake het verzoek om schadevergoeding. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 262,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan appellant te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 272,73;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van € 727,27;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 131,25;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

  • -

    € 131,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

De voorzitter is verhinderd w.g. T. Kuiper

de uitspraak te ondertekenen